De stad en zijn niet-bewoners

In Amsterdam maande de filosoof Peter Sloterdijk de hoofdstedelingen goede stadsbewoners te zijn, die als toeschouwer boven het onbezonnen gepeupel uitstijgen en het geweten van de stad worden.

‘De stad is een bühne voor een meerderheid van verliezers’, aldus Peter Sloterdijk in de lezing De stad en zijn tegendeel, die hij onlangs in De Balie in Amsterdam hield. ‘In hun omgang met elkaar beledigen ze elkaar, indirect maar permanent. Niemand begrijpt wat ze elkaar aandoen, terwijl ze zich, half anoniem, in elkaars gezelschap bevinden. Ze worden aan elkaar voorgesteld en merken dat met iedere hand die ze schudden het aantal gezichten groeit, voor wie ze niets kunnen betekenen en die niks voor hen kunnen betekenen.’
Het was niet meteen duidelijk of in zijn woorden verontwaardiging doorklonk of juist berusting, maar het was in ieder geval geen lichte kost die Sloterdijk zijn publiek voorschotelde. In zijn nieuwste theorie schetst hij een beeld van de grootsteedse metropool die niet dankzij, maar ondanks zijn bewoners een interessante plaats is om te leven. Beter gezegd: die zijn charme vooral te danken heeft aan zijn _niet-_bewoners.

De stad en zijn tegendeel is een kritiek op de stadsbewoners die zelfgenoegzaam meedeinen op de Symphonie der Großstadt en zich onderdompelen in de extase die ze voortbrengt. Ze bezegelen de ondergang van hun leefomgeving in een ‘mystiek van onverantwoordelijkheid’ en ontdoen de stad daarmee van zijn betekenis. Ze vieren hem als kitschliefhebbers hun geschilderde vergezichten: als plat esthetisch fenomeen.

Maar noem Sloterdijk geen pessimist. In het aansluitende vraaggesprek met René Gude kenschetste hij zijn filosofische carrière, sinds die met Kritik der zynischen Vernunft in 1983 een aanvang nam, als een door en door optimistisch project: ‘Ik heb de laatste twintig jaar geprobeerd alles zo onkritisch mogelijk te benaderen, dat wil zeggen van de positieve kant. Ik ging er bijna aan ten onder, maar ga er nochtans mee door.’ Sloterdijk is geen ongevaarlijk spreker. Wie hem in het gesprek de vrije hand geeft, krijgt vaak list en ernst met een gulle lach als een éénpansgerecht voorgeschoteld. Aan zijn tafelgast om ze uit elkaar te houden.

Toch zegt de sluwe filosoof, die altijd erg lijkt te genieten van dit soort publieke optredens, in de kern zelden iets wat hij niet meent. Met zijn leermeester Nietzsche aan zijn zijde verkondigt Sloterdijk eerst het failliet van de wereld, om haar vervolgens innig te omarmen. Zo wil hij met zijn filosofie van de stad niet iedereen naar het platteland jagen, maar slechts een ‘compositieoefening doorvoeren’ als tegenwicht tegen de gangbare, euforische kijk op de metropool als centrum van het bruisende leven. De kunst is het stadsleven te aanvaarden in al zijn vuilheid, achterbaksheid en zijn onontkoombare massaliteit.

Die kunst leerde Sloterdijk van Baudelaire, wiens ‘furchtbares Leben, furchtbare Stadt’ hij graag en met rollende r herhaaldelijk exclameert. De zin stamt uit het prozagedicht À une heure du matin van de negentiende-eeuwse chroniqueur van Parijs. Terwijl hij om één uur ’s nachts zijn kamer betreedt, opgelucht dat hij de stad achter zich kan laten, spreekt hij zijn walging uit over die stad en over zichzelf: ‘De tirannie van het menselijk gelaat is verdwenen, en ik zal alleen nog door mezelf lijden.’

Baudelaire overdenkt in het vers nog eens zijn dag en de ontmoetingen die hij had. Hij lijdt onder die reflectie op zichzelf, maar gaat de confrontatie niet uit de weg. Volgens Sloterdijk geeft hij daarmee uitdrukking aan een interessant type individu, dat ‘wordt gefolterd door de omgang met mensen, wier aanwezigheid pijn doet, omdat ze diegene vernederen, die niet kan ontkennen dat hij op hen lijkt’. Baudelaire minacht de mensen om zich heen, maar weet ook, of vreest althans, dat hij in niets beter is dan zij. ‘Mijn God’, zo smeekt hij in de laatste regels van zijn gedicht, ‘vergun mij een paar fraaie versregels voort te brengen die me bewijzen dat ik niet de allerslechtste ben, dat ik niet minder ben dan degene die ik veracht’.

Sloterdijk gunt ze hem in elk geval: ‘Na een dag als deze heeft de stadsbewoner zijn zelfverachting meer dan verdiend.’ Om daar achteraan bijna terloops een zin te mompelen die de eigenlijke reden vormde om Baudelaire in zijn betoog aan te roepen: ‘Want wie zichzelf veracht gelooft er tenminste nog in dat er ook in de grote stad nog waarheid bestaat.’ In de stedeling die op zijn eigen leven als bewoner van een stad reflecteert, vindt de taalkunstenaar Sloterdijk de kiem van wat hij Apolitologie noemt – niet zozeer als antithese van de politicologie, maar van het woord dat daarin besloten ligt: de polis. De dichter Baudelaire, zo vervolgt de spreker, stelt zich hier voor als dubbelwezen, ‘dat overdag kansenzoeker in het grootstedelijke ambitietheater is, en ’s nachts zijn eigen toeschouwer wordt met de gave zichzelf als getuige en als bezitter van een geweten als van buitenaf te zien’.

Degene die met Baudelaire de tijd neemt om zijn alledaagse leven als rollenspel waar te nemen, noemt Sloterdijk de niet-burger. Hij is als het ware de toeschouwer die als ‘stadloze getuige’ boven de kerktorens en het onbezonnen gepeupel uitstijgt en zijn geweten wordt. De niet-burger denkt na over de stad en het leven in de stad – waar hij zich tegelijkertijd toe aangetrokken voelt en zich van afkeert – en behoedt hem er zo voor dat hij ongestoord wordt uitgeleefd. Dat is het punt dat Sloterdijk met zijn betoog wil maken: ‘Niet-stedeling zijn, niet-burger zijn, Apolitie, zijn grootheden die categoriale pretenties stellen, ook als de politieke positivisten daar niet blij mee zijn. De stedeling leeft niet van de stad alleen, de stad op zijn beurt leeft daar waar hij het meest schittert van hen, die boven hem uitstijgen.’

Welke stedelingen gedragen zich als Sloterdijks beste burgers, als stadsontvluchters? Baudelaire verenigt als kunstenaar en als geloofsbelijder reeds twee typen in zich. De hoogst geplaatste deserteur van het stedelijk front is evenwel de filosoof, die al sinds Plato binnen de stad een wijkplaats zocht. Plato staat weliswaar bekend als grondlegger van de politieke theorie, maar citerend uit diens Politeia maakt Sloterdijk duidelijk dat de Griekse wijsgeer eerder verantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van zijn tegenpool, de Apolitologie. In de Politeia bezingt Plato bij monde van zijn leermeester Socrates de bezonnenheid van de mens die ‘meester is over zichzelf’.

Daarmee verzet de Griek zich expliciet tegen de dominante uitdrukkingsvorm van de stad, die Sloterdijk eerder met de dichter Pindaros in de hand als ‘ambitietheater’ had gearticuleerd. De Griekse polis had zich volgens deze redenering sinds zijn ontstaan doen kennen als schouwtoneel van sportieve, culturele en politieke zegevieringen, waarop zijn burgers hun eerzucht doorgaand konden botvieren. De prijs die ze in het stadion, theater of op de marktplaats najoegen was hun naam op ieders lippen, het gesprek van de dag, kortweg: roem. De polis hield bewust en niet zonder reden een ‘roemmachinerie’ in stand van een overdaad aan wedstrijden en toernooien. Bestaansvoorwaarde van elke polis was in de woorden van Sloterdijk namelijk de metafysische resignatie van zijn burgers. Alleen wie de hang naar het hogere, de droom van onsterfelijkheid uit zijn leven bande kon stadsbewoner worden. Wie wist dat hij kon sterven, zou zich immers in veiligheid willen brengen, zou muren optrekken en steden stichten. De ambitie tot roem bij de medeburgers was zogezegd het ‘antidepressivum’ dat de stadsbewoners moest helpen in de berusting dat hun leven eindig was.

Plato’s academie daarentegen is géén theater of marktplaats, maar een ‘terminal voor superieure ideeën’, van waaruit zijn leerlingen boven de stad kunnen uitstijgen naar ‘die veel betere stad’ – onbereikbaar voor gewichtige burgers. Want met Plato is de filosofie binnen de stadsmuren verschenen, maar na de executie van Socrates op bevel van het Atheense stadsbestuur sluit ze voor hen, de politici, resoluut haar deuren. De stad heeft afgedaan als oord van het goede leven, omdat de autoriteiten zich volgens Plato door Socrates te doden hebben willen bevrijden van de plicht rekenschap af te leggen. Als gevolg daarvan moet Athene, nu in de woorden van Sloterdijk, ‘voortaan leven met het stigma dat hij individuen herbergt die niet opgaan in de stad, maar zich slechts in de stad ophouden’.

Met Pindaros, Baudelaire en Plato zijn drie van de tien getuigen rond wie Sloterdijk zijn stadstheorie heeft opgetrokken aan het woord geweest. De fundamenten zijn gelegd, maar het leven in ‘de stad en diens tegendeel’ kent nog ettelijke variaties meer. De wetenschappelijke woordenstroom van de filosoof vloeit dan ook vrolijk verder, terwijl hij verhaalt van nóg drie niet-burgers: cynici, misantropen, heremieten. Sloterdijk veert op bij elk nieuw gedicht waaruit hij mag citeren. De toehoorders wordt het na anderhalf uur taaltovenarij daarentegen langzaam zwaar te moede. De charismatische denker is als voordrager geen gids die zijn publiek behoedzaam zijn denkwereld in begeleidt. Met lichte tred en onverstoorbaar geeft hij uitleg bij de ene na de andere dimensie van zijn theoretische stad, blind voor de toehoorders die hij onderweg verdwaasd en verdwaald verliest.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat het zijn goed recht is in zijn eigen, vaak schitterend gevonden idioom te spreken. Sterker, de taal is het eigenlijke wezenlijke domein van de dichter-filosoof Sloterdijk. Hij wekt vaak de indruk dat zijn beelden – of het nu sferen zijn, glazen paleizen, woedeaanvallen of dissidente stedelingen – méér dan reëel of potentieel bestaande fenomenen, de ware kern vormen van zijn theorieën. Zijn metaforen vormen vertrekpunten om naar believen op door te associëren binnen het coherente denkkader van een theorie, maar toch vooral in dienst van zijn eigen schrijfgenot en het verwachte leesgenot van zijn publiek. De keerzijde daarvan is overigens dat zijn werken als filosofie gemakkelijk vatbaar zijn voor kritiek op de vrijblijvendheid van de pleidooien. Zo ook zijn, deze avond weliswaar onvoltooide, stadstheorie.

Uiteraard moet zijn aversie tegen de lichtzinnigheid en het egoïsme van de stedeling, die nooit eens stilstaat bij zijn destructieve gedrag, óók boven de stadsmuren uit worden begrepen. De Griekse polis is de geboortegrond en de (Europese) metropolen zijn de huidige brandpunten van het moderne Westen. Sloterdijks Apolitologie is óók een kritiek op het uitleven van de gehele wereld. Met zijn beeld van een betere stad wijst de stadsprofeet op de verantwoordelijkheid die de westerse consumenten hebben voor de gevolgen van hun leefwijzen. Nergens formuleert hij die verwijten zo expliciet als in zijn laatste boeken. Daarin uit Sloterdijk zich – als zijn eigen meest tegendraadse stadsbewoner – uitgesproken kritisch ten opzichte van de moderne, westerse maatschappij. Zijn Weltinnenraum des Kapitals werkt toe naar een felle aanklacht tegen de neoliberale globaliseringsillusie. Zijn recente Zorn und Zeit schetst een somber beeld van het grenzeloze consumentisme in de op de erotiek van het kapitaal gedijende werelddelen.

Uiteindelijk blijft evenwel ook in deze werken die constatering, ten koste van concrete verbeteringsvoorstellen, gevangen in de vorm van zijn betoog. Zijn sympathieke pleidooi voor een terugkeer naar het provinciale denkkader is een logisch einde van zijn verhaal, maar vormt geen voldoende tegenkracht of duurzaam alternatief voor het kapitalistische kristalpaleis. In zijn laatste boek – zie de bespreking daarvan hierna – betreurt hij de afwezigheid van een zekere ‘woede tot macht’ die, vergezeld van het ideaal van een betere wereld, de neoliberale zedeloosheid zou kunnen verdrijven. Hij constateert dat de communistische utopie daarop historisch gezien in feite als enige aanspraak heeft kunnen maken. Maar ook die heeft jammerlijk gefaald en volgens Sloterdijk vanwege haar ontsporingen bovendien voorgoed als alternatief maatschappijbeeld afgedaan.

Zo ook trekt Sloterdijk deze theoretische schets nergens expliciet naar een hoger plan, omdat dat niet in zijn stadsbeeld past. Daardoor hoeft de helft van zijn toehorende en lezende publiek zich niet aangesproken te voelen, hetzij omdat ze de link niet leggen, hetzij omdat ze op het platteland wonen. Toegegeven, Al Gore als raadsman klinkt een stuk prozaïscher dan Plato of Baudelaire. Maar om op de beginvraag terug te komen: zou de verontwaardiging niet weer wat vaker moeten overheersen?

Ook in het vraaggesprek na afloop van Sloterdijks monoloog toont de filosoof zich van zijn even vindingrijke als vrijblijvende kant. In een nieuwe oefening in de herwaardering van alle waarden fantaseert hij wat interessanter is: Baudelaire die om één uur ’s nachts een paar uur slaap opoffert om aan zichzelf te lijden, of de dichter die een paar uur later net als de rest van de stad heerlijk op één oor ligt? Het is de aanzet voor een interessante improvisatie van de zelfverklaarde optimist Sloterdijk: ‘In het holst van de nacht ligt iedereen in zijn bed te dromen, maar het is in wezen het enige moment dat de stadsbewoners het met elkaar eens zijn. Ze delen hun mening door die niet te uiten. De nachtrust is het kernbegrip van een vredige samenleving, omdat er onder de burgers dan consensus heerst dat ze elkaar tenminste een paar uur lang met rust laten.’

Peter Sloterdijks lezing De stad en zijn tegendeel zal op 24 maart verschijnen in de bundel Der Ästhetische Imperativ: Schriften zur Kunst, die wordt uitgegeven door Philo Verlagsgesellschaft