De nieuwe megastad

De stad is het nieuwe land

De wereld krijgt er bijna jaarlijks een megastad bij en de groei van steden in landen als India, Nigeria en Brazilië gaat nog de hele eeuw door. Voor optimisten zijn steden wonderbaarlijke plaatsen waar miljoenen mensen hun lot verbeteren. Anderen zijn minder hoopvol.

Als een buitenaards wezen een eeuw geleden op verkenning was geweest op aarde en hij in het heden zou zijn teruggestuurd om poolshoogte te nemen, dan zou hij zich ongetwijfeld verbazen over de enorme groei van de wereldbevolking en de mate waarin al die nieuwe aardbewoners samenklonteren in steeds grotere steden. De wereldbevolking is nu ruim vier maal zo groot als in 1900 en de urbanisatiegraad ook. Destijds woonde nog niet één op de acht mensen in steden, nu is dat meer dan de helft. Wie de aarde van de donkere kant nadert, ziet de grootste steden al liggen. En daar komen er steeds meer van, en ze worden steeds groter.

De grootste stad van 1900, Londen, verdubbelde sindsdien in inwoneraantal. Dat lijkt misschien heel wat, maar Londen tuimelde ermee naar de 26ste plek op de lijst met grootste steden. Niet alleen bekende metropolen als New York en Tokio staken Londen in de afgelopen eeuw voorbij, maar ook steden als Jakarta, Karachi, Lagos en Manilla. Zestig jaar geleden werd New York de eerste megastad ter wereld: het eerste aaneengesloten stedelijke gebied met meer dan tien miljoen inwoners. Nu zijn er zo’n 27 en er komen bijna jaarlijks megasteden bij – steden die hier soms nagenoeg onbekend zijn, zoals Chongqing en Guangzhou in China, staan op de drempel.

In alle ontwikkelde landen woont minstens driekwart van de bevolking in steden en ook ontwikkelingslanden groeien naar dergelijke cijfers toe: elke week verhuizen daar ruim een miljoen mensen van het platteland naar de stad. Het is een epische volksverhuizing, die soms door landen en steden wordt omhelsd. Vooral in China worden er megalomane projecten omheen gebouwd. In de delta van de Parelrivier willen stadsplanners een reeks miljoenensteden integreren tot één metropool met de oppervlakte van Nederland. Tweeduizend kilometer noordelijker wil Peking zich met andere steden samenvlechten tot één stedelijk gebied met meer dan tweehonderd miljoen inwoners. In veel andere steden kijken bestuurders juist met lede ogen toe hoe hun stad onbeheersbaar groeit. Zo was de Congolese hoofdstad Kinshasa in de jaren zestig nog maatje Den Haag; nu is Kinshasa maat Parijs. Abidjan in Ivoorkust, rond 1950 net wat groter dan Katwijk, is nu groter dan Berlijn.

De groei van steden, met name die in ontwikkelingslanden, was lange tijd aanleiding voor veel wanhoop. Dat kwam vooral door de groei van sloppenwijken die vanaf de jaren zeventig overal aan steden in de Derde Wereld begonnen te plakken. Mensen leefden daar dicht op elkaar, soms in onvoorstelbare armoede. Eind jaren tachtig leefde bijna de helft van de stadsbewoners in ontwikkelingslanden in sloppenwijken. Bij pessimisten riep dat apocalyptische visioenen op van een toekomstige wereld met gigantische, onleefbare steden. Als magneten zouden ze steeds meer berooide mensen aantrekken die vergeefs hoopten er een beter leven te vinden, maar verstrikt raakten in diepe armoede.

Het pessimisme werd versterkt doordat ook in het Westen veel steden in de jaren zeventig aan een neergang waren begonnen. Oude industriesteden als Detroit, Liverpool en Lille raakten hun fabrieken kwijt, terwijl steden als New York, Londen en Amsterdam in de jaren tachtig kampten met groeiende werkloosheid, criminaliteit en verpaupering. Volgens intellectuelen als Jane Jacobs was die steden ook nog eens de ziel ontstolen door nietsontziende modernistische stadsvernieuwers. Het hele fenomeen ‘stad’ kreeg een kwade bijklank. Een tijd was de term ‘de dood van de stad’ zelfs in zwang.

Dat pessimisme is grotendeels voorbij. In het Westen vonden in de jaren negentig veel steden de weg naar boven, zoals New York, Londen en Amsterdam. In ontwikkelingslanden kwamen metropolen op die hun land economisch bij de hand namen, zoals São Paolo, Kuala Lumpur en Shanghai. In plaats van als problematische plekken werden steden vaker gezien als dynamische centra, die ondanks de zichtbare sociale problemen de toegangspoort van een land moesten vormen tot de wereld en tot de plek waar in de afgelopen decennia het grote geld werd verdiend: de mondiale kenniseconomie.

De nieuwe kijk op steden was deels te danken aan het in 1991 verschenen The Global City: New York, London, Tokyo van Saskia Sassen, een Amerikaanse sociologe van Nederlandse afkomst. Sassen schreef dat de wereldeconomie steeds meer werd gedomineerd door steden, en dan met name de steden die de link vormden tussen nationale economieën en de mondiale economie. Hoewel economen traditiegetrouw zijn gefocust op landen onderstreepte Sassen dat de economie van New York groter was dan die van 46 Afrikaanse landen bij elkaar. Een andere kijk op de wereldeconomie was dus nodig – een die global cities centraal stelde.

Van deze global cities waren er in 1991 volgens Sassen maar drie: de in de titel genoemde Londen, Tokio en New York. Maar daar kwamen in de vroege jaren negentig steden bij als Sydney, Singapore en Seoul, en later in de jaren negentig Mumbai, Buenos Aires, Mexico-Stad en andere. Na de eeuwwisseling volgden onder meer Dubai, Jakarta, Caïro en – jawel – Amsterdam. Volgens Sassen zijn er inmiddels meer dan veertig global cities: steden waarin diensten worden aangeboden – vaak financiële en juridische – die bedrijven nodig hebben om mondiaal te opereren.

Herauten die een generatie geleden de ‘dood van de stad’ voorspelden, konden er dus niet verder naast zitten, stelt Sassen in een e-mail­interview. En steden worden in de toekomst alleen maar belangrijker. ‘Niet alleen vanwege de nu afgezaagde wijsheid dat de meeste mensen tegenwoordig in steden wonen’, aldus Sassen, ‘maar ook omdat steeds meer economische sectoren tegenwoordig een “stedelijk moment” hebben, zelfs als het om het platteland gaat. Fabrieken, mijnen en zelfs boerderijen moeten steeds vaker een beroep doen op financiering, verzekeringen, accountants en andere stedelijke diensten.’

Steden worden dus nog steeds belangrijker in de economie van landen en van de wereld. Vooral die global cities, die volgens Sassen ‘machines zijn die welvaart uitdraaien’. Het zal geen verbazing wekken dat elke stad inmiddels probeert een global city te zijn of te worden. Bestuurders pronken soms trots met de positie van hun stad op de ‘Global Cities Index’ die Sassen om de paar jaar met het tijdschrift Foreign Policy opstelt, of noemen ongevraagd welke ‘status’ hun stad op die ranglijst heeft (de categorieën op de lijst hebben spottend bedoelde namen als ‘Beta–’ of ‘Alpha++’). Maar daarmee begrijpen zij volgens Sassen totaal verkeerd wat de term betekent.

‘Stadsbestuurders moeten niet de fout maken om te denken dat ze met alle steden ter wereld in competitie zijn. Ze moeten de economische geschiedenis van hun stad begrijpen en doorzetten’, schrijft ze. ‘Nu de wereldeconomie zich steeds verder ontwikkelt, zie je dat steden zich specialiseren in diensten die voor hun achterland belangrijk zijn. De economieën van wereldsteden verschillen onderling sterk en ze zouden dan ook coalities moeten smeden. Ze kunnen zich versterken door kennis uit te wisselen en zich samen sterk te maken tegen multinationals die in hun steden gevestigd zijn.’

De hype rondom global cities en hun economische rol ontneemt mensen vaak een nuchtere kijk op de werkelijkheid in de nieuwe megasteden van de wereld, zegt Parag Khanna in een telefonisch interview. Khanna is een veelgevraagd Indiaas-Amerikaanse analist van internationale zaken en auteur van The Second World: Empires and Influence in the New Global Order, een boek waarin hij belicht hoe de internationale betrekkingen steeds meer draaien om half ontwikkelde landen als India, Colombia, Egypte en tientallen andere. Twee jaar geleden schreef hij het essay Opmars van de megastad, dat in De Groene Amsterdammer werd gepubliceerd (15 september 2010).

‘Mensen zetten soms een heel rooskleurige bril op als ze naar megasteden in opkomende landen kijken’, zegt hij. ‘Ze zien het markt­potentieel dat een megastad van twintig miljoen mensen biedt en spreken zelfverzekerd over de “dynamiek” die zo’n stad teweegbrengt. Maar dat is een heel selectieve blik op die steden. Wie naar individuele steden kijkt in ontwikkeldende landen en naar de levenskwaliteit die ze mensen bieden, ziet vooral de grote praktische problemen die hun groei oplevert en hun gebrekkige voorzieningen. Veel academici zien die problemen liever niet.’

‘Vroeger waren inderdaad meer mensen pessimistisch over megasteden als Caïro of Lagos, maar ik zie nog steeds geen reden om positief over ze te zijn’, vervolgt hij. ‘Ik heb het afgelopen jaar nog aardig wat tijd doorgebracht in de grote steden van India. Mumbai: een ramp. Calcutta: een ramp. Jij en ik zouden daar nooit in een arme wijk kunnen wonen. Zodra mensen in die steden het zich kunnen veroorloven, creëren ze een bubbel om zich heen. Ze kunnen dan wel gebruik maken van de diensten van de stad, maar hoeven zich nooit in de stad zelf te begeven. De meest treffende illustratie is Antilia, het duurste huis ter wereld. Het is 27 verdiepingen hoog en door een magnaat in Mumbai neergezet. Hij verplaatst zich per helikopter en hoeft alleen van achter glas naar Mumbai te kijken.’

De gebrekkige leefbaarheid in de nieuwe megasteden van de wereld en de praktische problemen die hun groei oplevert, vormen de grondtoon in reportages die de komende weken in De Groene Amsterdammer zullen verschijnen. Grondspeculatie en dagelijkse verkeers­verlamming in Jakarta, erbarmelijke hygiëne en overbevolking in Nairobi, corruptie en geweld in Bogotá – het zijn in het oog springende aspecten van het leven in die megapolen. Maar niet iedereen is van die problemen onder de indruk. ­Optimisten zien de huidige problemen van nieuwe ­megasteden als een lastige fase in hun ontwikkeling. En de armoede in steden en sloppen, daarmee valt het bij nadere inspectie wel mee.

Een van die optimisten is Edward Glaeser, hoogleraar economie aan Harvard. Vorig jaar verscheen zijn boek Triumph of the City: How Our Greatest Invention Makes Us Richer, Smarter, Greener, Healthier, and Happier. De ‘uitvinding’ uit de titel is de stad zelf: een prachtige innovatie die al eeuwen de ideeën en middelen genereert die mensen en landen vooruit helpen. En de stad doet dat nog steeds – ook de veel­geplaagde, snelgroeiende steden in arme landen. Dat zijn absoluut geen zwarte gaten die onnozele mensen de misère in zuigen, schrijft hij. Integendeel: ‘In de arme delen van de wereld groeien steden enorm omdat stedelijke dichtheid het duidelijkste pad biedt van armoede naar welvaart.’

Allereerst de armoede en misère in de nieuwe megasteden: die vallen volgens Glaeser mee. Een stad als Kinshasa staat in het Westen bijvoorbeeld bekend als regelrechte hellepoel: er is veel geweld, veel ziekte, hoge kindersterfte, er zijn nauwelijks diensten of wegen en veel ondervoeding en honger. Een heel mager plaatje als je dat legt naast de statistieken voor Amstelveen. Als westerlingen er rondkijken, kunnen ze soms nauwelijks bevatten wat ze zien. Maar de juiste maatstaf om de misère van Kinshasa aan af te meten, benadrukt Glaeser, is de situatie in het Congolese binnenland. En dan blijkt Kinshasa het op elk punt beter te doen: op het platteland is nog meer armoede, meer kindersterfte, enzovoort.

Lagos is zo’n andere stad met een heel slechte reputatie, maar extreme armoede komt er relatief half zo veel voor als op het Nigeriaanse platteland. Driekwart van de inwoners van Lagos heeft toegang tot schoon drinkwater: veel te weinig, maar de norm elders in Nigeria is vaak onder de dertig procent. In de ‘ramp’ Calcutta kampen tien maal zo weinig mensen met acute voedseltekorten als in de omliggende Indiase deelstaat West-Bengalen. Rio, met zijn uit­gestrekte favelas, kent relatief veel minder mensen onder het armoedeniveau dan het Braziliaanse noordoosten. Ook de ‘gebrekkige diensten’ in sloppenwijken moeten worden afgemeten aan andere arme delen van het land, stelt Glaeser. En dan blijken mensen in Rio’s beruchte Cidade de Deus of Mumbai’s Dharavi beter af dan mensen in het binnenland. Armen die van het platteland komen gaan in de stad vaak van helemaal niets naar iets: één arts op dertigduizend mensen of één propvolle, om de haverklap uitvallende trein is nog altijd beter dan nul. Armen verbeteren dus vaak hun leef­situatie door naar sloppenwijken te gaan.

Glaeser maakt daarom keer op keer het punt dat megasteden in ontwikkelende landen niet zo veel armen hebben omdat ze mensen arm maken, maar omdat ze armen aantrekken. Die honderden miljoenen armen zijn niet allemaal dom, maar zien juist correct in dat een verhuizing naar de stad hun een grotere kans biedt om hun lot te verbeteren. In steden liggen de lonen hoger, zijn er meer verschillende soorten banen en zijn er verschillende markten waar iemand zich op kan begeven. In alle steden die hij onderzocht, is de armoede hoger onder nieuwkomers dan onder de blijvers. Steden maken mensen daarom rijker, concludeert hij. ‘De toestroom van

minder bedeelde mensen naar steden, van Rio tot Rotterdam, illustreert daarom de kracht van de stad, niet haar zwakte’, stelt Glaeser.

Voor Glaeser zijn de nieuwe megasteden met hun miljoenen armen niet een probleem, maar een oplossing voor onderontwikkeling en misère in de wereld. De groei van die steden proberen tegen te houden door immigranten te gaan weren, is volgens Glaeser zowel onethisch als contraproductief. Haal al die armen juist naar de stad, en ze tillen zichzelf en hun land omhoog. ‘Er is een vrijwel perfect verband tussen urbanisatie en welvaart’, schrijft hij. ‘Bij elke tien procent toename in urbanisatiegraad groeit het gemiddeld inkomen in een land met dertig procent.’ In hooggeürbaniseerde landen ligt het gemiddelde inkomen vier maal hoger dan in laaggeürbaniseerde. Met die nieuwe welvaart in zo’n geürbaniseerd land kunnen vervolgens ook de stedelijke problemen worden aangepakt die megasteden nu plagen. Ziekten, armoede, opstopping en corruptie zijn geen Derde-Wereldaandoeningen, maar problemen waar Parijs, New York, Londen en andere westerse steden nog maar kort geleden ook mee kampten. ‘De reuzensprongen die door Europese en Amerikaanse steden zijn gemaakt, zullen waarschijnlijk worden herhaald in de ontwikkelende steden van de 21ste eeuw’, schrijft Glaeser.

Het is een prachtverhaal. Voor Parag Khanna is het echter veel te veel luchtfietserij. ‘Er staat niets nieuws in dat hele boek’, zegt hij bruut over Triumph of the City. ‘Glaeser sluit aan op een lange traditie van optimisme over steden: steden als generator van politieke inspraak, als centra van innovatie en ideeën, als generator van kansen. Daar kun je eindeloos abstract over blijven filosoferen, maar megasteden in arme landen hebben praktische oplossingen nodig voor problemen van een schaal die de wereld niet eerder heeft meegemaakt. Het idee dat megasteden als vanzelf vooruitgang genereren is heel mooi, maar ik zie er niets van terug. Ik ken het Calcutta van tien jaar terug en dat van nu. Het is daar echt niet leefbaarder dan tien jaar geleden. Er moeten in nieuwe megasteden keuzes worden gemaakt en stadsplanning in gang worden gezet die het leven en de kansen van honderden miljoenen mensen gaan beïnvloeden in de toekomst.’

Die keuzes gaan niet alleen de mensen aan die er wonen, maar de hele planeet. Nu nog genereert Amerika’s groenste metropool tien maal zo veel uitstoot van schadelijke gassen als de gemiddelde Chinese. Als Chinese en Indiase steden gaan moderniseren naar Amerikaans patroon – uitgestrekt en ingericht op zo veel mogelijk autokilometers – dan gaat de schadelijke uitstoot in de wereld met 140 procent omhoog. Maar ook wat leefbaarheid betreft moeten ontwikkelende landen niet naar de Verenigde Staten kijken. ‘De nieuwe megasteden hebben niets te leren van Amerika’, zegt Khanna. ‘Het zijn ook geen nieuwe steden, maar oude. Net zoals de steden van Europa, die soms millennia ervaring hebben met zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Lagos kan niets leren van Los Angeles en niets van smart cities zoals die verrijzen in de Arabische woestijn. Europese steden zijn veel veelzijdiger en hebben een veel grotere veerkracht dan steden in Amerika.’

‘De belangrijkste les die nieuwe mega­steden van Europa kunnen leren, is hoe belangrijk het is om je stad in te richten op voetgangers en op bereikbaarheid’, vindt Khanna. ‘Maar ook in praktische oplossingen heeft Europa de wereld veel te leren: over vervoer, schoon water, gezondheidszorg, landwinning en ga zo maar door. De wil bij stadsbestuurders in ontwikkelende landen om te leren en te anticiperen is vaak heel groot. Amsterdam en Rotterdam verdienen lof: ze organiseren veel conferenties en ideeënuitwisseling. Dát is wat ontwikkelende landen nodig hebben, geen roze plaatje over dat het met hun steden wel goed komt.’

Ook Saskia Sassen verwacht veel van dergelijke uitwisselingen. ‘Steden zijn oneindig veel beter dan nationale overheden in samenwerken en informatie uitwisselen’, schrijft ze. ‘Op internationale conferenties, zoals die in Rio in juni, zie je hoe de stedentop fantastisch werkt en hoe landen altijd weer ten prooi vallen aan nationale belangen. En zulke samenwerking is ook nodig, want de leefbaarheid en het milieu in mega­steden kan niet worden gered door een beetje recyclen hier en daar.’

Het recente verleden heeft ook een hoopvolle les in petto over de mogelijkheid om de problemen van megasteden aan te pakken en de levens van hun inwoners te verbeteren. Van de stadsbewoners in ontwikkelende landen woonde in 1990 bijna de helft in sloppenwijken, in 2005 was dat 37 procent. De vraag is alleen wel of het goed is om actief te proberen het aantal sloppenwijkbewoners omlaag te krijgen – ook daar staan optimisten tegenover pessimisten. De VN-campagne ‘Steden zonder sloppenwijken’ zorgde er volgens critici niet alleen voor dat er waterputten werden geslagen en wegen aan­gelegd, maar ook dat steden door de hele wereld mensen begonnen te verdrijven uit hun sloppen om met mooie cijfers te kunnen komen over het aantal sloppenwijkbewoners binnen hun grenzen.

De tweespalt over stedelijke armoede lijkt wel in het onderwerp ingebakken. Een mooie ­illustratie daarvan is het VN-rapport Slums of the World: The Face of Urban Poverty in the New Millennium dat in 2003 verscheen. Het ­rapport legde de basis voor het apocalyptische boek Planet of Slums van Mike Davis, waarin deze Amerikaanse marxist allerlei cijfers en ­feiten uit het VN-rapport gebruikte om een ­vreselijk toekomstperspectief te schetsen. ­Volgens Davis zal de helft van de wereldbevolking rond 2050 bestaan uit mensen die samengepakt ­zitten in mensonterende leefgemeenschappen waar geweld, ziekte en armoede het dagelijks leven beheersen (tot ze in opstand komen).

De onderzoekers kwamen zelf echter tot een heel andere conclusie. Zij hadden uitgebreid onderzoek gedaan in sloppenwijken in 37 landen en schreven: ‘Steden zijn zo succesvol in het genereren van nieuwe vormen van inkomensvergaring, en het is zoveel goedkoper om diensten te verlenen in steden, dat de enige realistische strategie om armoede te bestrijden volgens sommige experts het verhuizen van zo veel mogelijk mensen naar steden is.’

Er stonden ook nogal wat feiten in het ­rapport die het bestaande beeld van sloppen­wijken onderuit haalden. Zo bleek het gemiddelde aantal televisies in de sloppenwijken van Bangkok 1,6 per huishouden. Inwoners van Rio’s favelas bleken vaker een computer of magnetron te hebben dan de middenklassen uit die stad.

Of we blij moeten zijn met de megastad of niet is dan ook vooral een academische discussie. Optimisten en pessimisten pleiten namelijk voor dezelfde soort maatregelen en planning om de megasteden van de komende eeuw leefbaar en productief te maken. Ze hebben weliswaar een andere inschatting van de kans dat Lagos of Mumbai straks een fijne plek is of niet, maar allemaal pleiten ze voor de aanleg van goed openbaar vervoer, toegankelijke gezondheidszorg, enzovoort.

Megasteden die hun problemen voor willen zijn, móeten ook wel groots in het geweer komen. Want de trek naar de stad zal nog decennia doorgaan.