De stad kan het niet schelen

Hoe de kat wacht op de zon. ’s Ochtends valt het licht eerst op de muur bij de deur, waar L.’s vouwfiets staat. De kat drentelt ernaartoe en wacht tot de lichtvlek naar de vloer glijdt, dan kan ze erin gaan liggen; en zo beweegt ze zich de rest van de dag met de zon mee door de kamer.

Ik moet naar buiten, ik heb nu al gezondigd tegen een oude columnistenwet: nooit over je kat schrijven (of over het herinrichten van je boekenkast). De straten liggen leeg in de zon, weken geleden is iemand vergeten een zondagochtend uit te zetten en daar zitten we dan, waar de knop zit weet niemand meer.

Ik loop om het centrum heen, langs het kanaal, en dan via de Koningsstraat en de Marollen weer terug naar huis. Vorige week slalomden de weinige wandelaars nog om elkaar heen, nu ben ik de enige die uitwijkt, de anderen lopen stug rechtdoor, niet op- of omkijkend, zombies zonder honger. Misschien wagen alleen degenen die niet in het virus geloven zich nog buiten.

De stad kan het niet schelen, die heeft eindelijk rust. Als kind dacht ik dat steden statische dingen waren, maar later, toen ik daadwerkelijk in een stad woonde, bleek het iets te zijn dat steeds veranderde, nooit was de stad af, altijd werd er wel iets afgebroken of verbouwd of omgeleid. Ik moest daar erg aan wennen. Nu loop ik door Brussel en is alles statisch, deze stad is eindelijk af, in medias res tot stilstand gekomen, bouwkranen staan roerloos om kantoorgebouwen in aanbouw. Traag rondrijdende politieauto’s controleren of iemand toch niet onverhoopt de knop vindt die alles weer in werking zet.

Nooit heb ik zoveel betekenis zien afketsen als de afgelopen weken

Ik probeer nergens een mening over te vormen. Dat valt niet mee maar het lucht ook op. We zijn betekenis afvurende entiteiten, alles willen we overdekken met betekenis. Betekenis voorziet de dingen van een spiegelend laagje waarin we onszelf zien. We hebben het er nooit zo druk mee gehad als nu. En nooit heb ik zoveel betekenis zien afketsen als de afgelopen weken.

We proberen met ons spervuur zelfs voorbij het einde van deze periode te komen. ‘Als dit allemaal voorbij is, dán…’ We zien ons doorgaan op dezelfde weg, alleen is die weg nu even bezet door een virus, of beter: door een virus schoongeveegd. Maar we gaan ervan uit dat die weg weer begaanbaar wordt en dat we dan verder trekken, als verbeterde versies van onszelf, en ook de weg zal zijn verbeterd, en we zullen terugkijken en weten wie faalden.

Ik heb geen idee. Ik weet alleen dat ik als dit allemaal voorbij is nooit meer een leestip wil krijgen.

Ik ben bijna thuis. Voor de Moneytransfer op het Baraplein staat een groepje mannen. Er stopt een politiewagen. Er stapt niemand uit maar blijkbaar wordt er iets gezegd, het groepje verandert zich traag in een rij met een onderlinge afstand van anderhalve meter. Ik zie het vanuit de verte. Als je over vijf jaar een film met deze scène begint weet iedereen meteen in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Maar met deze gedachte kijk ik dus ook vooruit, of liever: achteruit. Dat is dus de functie van al die vooruitblikken: het zijn kleine tijdreizen, we brengen ons in veiligheid door terug te kijken vanuit de toekomst. Terugkijken betekent dat je het hebt overleefd.

Als ik thuiskom ligt de kat nog in de zon. Mijn boekenkast bevindt zich in een andere stad. Ik sla de laptop open en vlucht het internet op. Ik ben verslaafd geraakt aan sites die gewijd zijn aan design en architectuur van de jaren zestig en zeventig, Space Age-ontwerpen, brutalistische architectuur, raketten, futuristische verkeerstorens, futuristische auto’s, futuristische plastic huizen in de vorm van ufo’s – en opeens besef ik dat we de toekomst al hebben gehad, die speelde zich af toen ik klein was, die is al voorbij.