De stad smeult

‘Ik moet niet zo bang zijn’, schrijft Marja Pruis op 15 maart 1980. Twee weken later trekt ze haar zwartsatijnen jasje aan en gaat ze de straat op.

Het was het jaar dat de Ramones in Paradiso optraden. Ik kan het terugvinden in mijn agenda: maandag 11 februari. Vlak voordat ze begonnen met spelen, gingen de lichten in de zaal uit, klonken er zware drums en werd een vlag op het podium gehesen. Een zwarte vlag. Het meisje dat naast me stond, lang, mager met kort haar en een bril - ik herkende haar van Felix Meritis als een tamelijk onaantastbaar wezen dat zowel in kunst deed als achter de bar stond - begon verontwaardigd te sissen. Dat dit puur fascisme was. Fascisme? Ik had het kippenvel op m'n armen staan. Het zware vertoon miste z'n effect niet, maar hé, dit waren de Ramones. Als je niet de humor inzag van hun muziek, ja, wat deed je hier dan eigenlijk?

De volgende middag ging ik naar twee films in De Melkweg: Verkrachting en Rape Culture. Discussie na. Helaas heb ik er niks over opgeschreven en kan ik me er ook niet veel van herinneren, behalve de harde bankjes, de volle zaal met vrouwen, de felrealistische zwart-witbeelden. En het algehele idee: je hoefde als meisje niet van seks te houden. Je mocht je vriend jarenlang in de hoek parkeren. Eind van de week was ik opnieuw in Paradiso, nu voor de Gang of Four. Hartstochtelijke band uit Leeds, met hakketakkende gitaren en woedende teksten die tegelijkertijd een beetje ironisch marxistisch waren. Een beetje ironisch marxistisch ja.

Ik was twintig en bevond me in Paradiso. Alles gebeurde nu. ’s Avonds voor het slapen gaan las ik Friedrich Engels, De oorsprong van het gezin, De tweede sekse van Simone de Beauvoir, Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden. Ik had m'n kamer in alle tinten blauw geschilderd en m'n tafel beplakt met tijgerpapier. Ik studeerde Nederlands, en durfde niet te zeggen dat mijn lievelingsschrijver Louis Couperus was. Ik had een vriend maar verlangde naar een ander.

Niet dat ik toen de teksten echt tot me door liet dringen - het was toch meer de machtige megalomanie van het geluid en de intenties in het algemeen - maar iets van het nummer Damaged Goods van de Gang of Four zal ik wel hebben mee geneuried.

Sometimes I’m thinking that I love you

But I know it’s only lust

The sins of the flesh

Are simply sins of lust

Het beetje ironisch marxistische school tussen de regels.

In m'n agenda schreef ik een stukje over uit een column van Tamar/Renate Rubinstein, waarin ze ene Kuyer citeert: ‘Jaloezie is de vrees dat de geliefde partner, man, vrouw of kind, zich met een ander tegen je keert.’ Waarop Tamar vervolgt: 'Ik heb me vaak afgevraagd wat jaloezie “eigenlijk” is en het ook aan bevriende psychiaters gevraagd, maar dit is de beste verklaring die ik ooit kreeg. Vandaar dus dat het nog tot daaraantoe is wat het beminde wezen achter je rug met een ander doet, maar dat de gedachte dat die twee samen over je praten, behoorlijk vreselijk is.’

Ik verkeerde in gewetensnood.

Op 19 februari ging ik naar Not a Pretty Picture, alweer een film over verkrachting. We hadden het toen niet over pornoficatie, maar over seksueel geweld. Niet over de huizenmarkt, maar over woningnood. Niet over verraad.

De dag erna: geen kollege (sic), 11.00 u. Babet.

Babette! Ze woonde aan de Transvaalkade, en had haar lippen omlijnd met een zwart potlood ver voor dat lelijk was. Ze droeg legerbroeken en overalls van parachutestof, had gebrillanteerde krullen, roze oogleden; ze was bespottelijk, ik zie haar nog staan in het instituut, onder aan de wenteltrap, met die hooghartige blik, dat ongeduldige bijten op haar onderlip, en ik hoor Jan, de homo uit mijn werkgroep, nog zeggen dat hij dat een leuk type vond en het monster van de mimetische begeerte sloeg acuut en meedogenloos toe. In de volgende werkgroep liet ik de vonk van herkenning overslaan met mijn versie van bespottelijkheid: een blauwe satijnen broek met gouden sterren, een oversized paars shirt en een zelfgebreide trui van zachtblauwe mohair. Vergeet de rode laarsjes niet.

Ze belde me op, de volgende dag al. 'Ik heb oorbellen voor ons gekocht.’ Het zonlicht viel door de glas-in-loodramen mijn kamer in, zette al het blauw in een schimmige gloed. Ik was net in een clandestiene omhelzing verwikkeld.

Lange pegels van fluorescerend roze perspex. Ik heb de mijne nog steeds, maar Babette heb ik al dertig jaar niet meer gezien.

Op 1 maart zie ik in de bioscoop La Luna, het moeder-zoondrama van Bertolucci, en daarna ben ik in de Vondelstraat, het hele weekend. Er worden barricades opgeworpen, de stad smeult en is in afwachting, ik zie Oek de Jong rondstappen, de snackbar op de Constantijn Huygensstraat draait een omzet voor jaren. Op maandagochtend heb ik een werkgroep over het symbolisme, terwijl het pand op de Vondelstraat wordt ontruimd. Docente Marita Mathijsen maakt een grap over ons gebrek aan animo, Babette fluistert in mijn oor. Wat ze precies fluisterde, dat was altijd maar de vraag met haar. Met kapitale letters staat in mijn agenda: 19.00 uur DEMONSTRATIE.

Ach, die demonstraties. Traangas, Leidschebosje, motoragenten. Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. 'Ik moet niet zo bang zijn’, schreef ik, 15 maart. 'Ik voel me zo verschrikkelijk schuldig en gemeen.’

Er was ook nog een vrouwenoverleg die maand. Over androgynie.

M'n opa leefde nog, want op 30 maart kwam hij thuis. Ik moet heel erg nadenken: welke opa.

En voel het ondertussen langzaam maar zeker aankomen. In m'n agenda schreef ik regels die ik hier niet durf te reproduceren. Eén zin dan: 'Wanneer kan ik écht eerlijk iets zeggen tegen degene voor wie het bestemd is.’

Ik sla even wat dingen over. Natuurlijk had ik overigens een leren jack. Ik weet nog dat ik aarzelde, op die ochtend van de 30ste april. Ik was wakker geworden van het geluid van de politiehelikopter boven de stad. Dat ze ons nu al wilden provoceren. Dan konden ze het krijgen ook. Maar dat leren jack, ik kon me er amper in bewegen. In plaats daarvan pakte ik mijn zwartsatijnen jasje, aangeschaft op het Waterlooplein. Het was heel zacht. De vulling van witte watten was naar beneden gezakt, met als gevolg dat de uiteinden van de mouwen heel dik waren, net als de tailleband. Wat maakte het uit, het was zwart, het glom, ik glom. Ik was verliefd, morgen zou ik hem weer zien. Ik trok mijn paarse oversized shirt aan, mijn dikke zwarte wollen maillot, de lange roze kniekousen. Vergeet de gele satijnen gympen niet. Ik ging samen met mijn vriend de deur uit om de autoriteiten een lesje te leren. Het hele traject deden we: hoek Kinkerstraat/Bilderdijkstraat, daarna Waterlooplein, Blauwbrug, Rokin. De tramhokjes, de stoeptegels.

Op 30 april 1980 noteer ik mijn verlies: 'Ik kan niks anders meer doen dan denken aan hem.’

_

  • * *_

Marja Pruis is schrijfster en literatuurredacteur van De Groene Amsterdammer