Essay Vertrutting van Amsterdam

De stad wordt aangeharkt, maar het onkruid kruipt…

In het denken over stedelijke ontwikkeling ligt de nadruk tegenwoordig op openbare veiligheid en controle, zoals blijkt uit het 1012-beleid in Amsterdam. Zo’n beleid is begrijpelijk voor een stad die het opneemt tegen steden als Londen, New York en Berlijn. Maar de grootstedelijke allure heeft een keerzijde.

DEZE MAAND VERSCHEEN een van de meest invloedrijke boeken over de moderne stad voor het eerst in Nederlandse vertaling, Death and Life of Great American Cities van selfmade econome en critica Jane Jacobs. Jacobs schreef haar aanklacht tegen de naoorlogse stadsplanning in 1961, bijna een halve eeuw geleden dus, wat de vraag rechtvaardigt waarom er juist nu een vertaling op de markt wordt gebracht. Uitgeverij SUN Trancity beantwoordde die vraag zelf al door de publicatie te begeleiden met een bundeling van artikelen over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs, De levende stad, onder redactie van Simon Franke en Gert-Jan Hospers. Jacobs waarschuwde voor alles tegen de typisch modernistische vernieuwingsdrang van de naoorlogse Amerikaanse planologen, stedenbouwers en projectontwikkelaars, die in de geest van Le Corbusier een einde wilden maken aan de chaotische, onhygiënische, kleinschalige en onoverzichtelijke negentiende-eeuwse steden. Meer concreet bestreed zij de plannen van projectontwikkelaar en stedenbouwer Robert Moses, die grote delen van het oude New York wilde opofferen ten gunste van een grootschalig netwerk van express ways. De Bronx was al in de jaren vijftig op de schop gegaan en Moses was voornemens Greenwich Village en de buurt rond Washington Square ook aan te pakken. Jacobs’ activisme sloeg echter aan, de bevolking kwam in opstand tegen Moses’ plannen en Washington Square en Greenwich Village bleven behouden.
Jacobs’ visie op de stad laat zich simpel samenvatten: wie wil weten hoe een stad in elkaar zit en werkt, moet niet de vraag stellen welke functies een stad vervult, maar hoe een stad wordt gebruikt. Moderne planologen hanteerden een mechanistische en functionalistische visie op de stad: een stad was een machine met vier functies: wonen, werken, verkeer en recreatie. Die functies konden door de chaotische en kleinschalige negentiende-eeuwse industriesteden niet efficiënt genoeg worden vervuld, dus koos de moderne planologie nadrukkelijk voor het klinisch scheiden van die vier functies: hier woonwijken, daar bedrijventerreinen, weer elders recreatieparken en tot slot een grootschalig netwerk van snelwegen om die drie stedelijke gebieden met elkaar te verbinden. In Nederland gebeurde exact hetzelfde als in Moses’ New York; de Amsterdamse Wibautstraat bijvoorbeeld is nu al veertig jaar de allesbehalve stille getuige van deze functionalistische visie op de stad: bedoeld om de mobiliteit en doorstroming in de binnenstad te bevorderen, maakte deze semi-snelweg tegelijkertijd een einde aan alle andere stedelijke gebruikswijzen rondom de straat.
Het verschil tussen een functionalistische en een op gebruik gestoelde visie op de stad is groter en principiëler dan de termen zelf suggereren. Het functionalisme past het best in een grootschalige top-down-stadsplanning waarin aan stedelijke gebieden specifieke functies worden toegeschreven in bestemmingsplannen. In zulke plannen is het op zichzelf mogelijk verscheidene functies aan een gebied toe te kennen, maar de neiging tot functiescheiding is bijna inherent aan een dergelijke aanpak. En functiescheiding diende in de modernistische stadsontwikkeling ook een duidelijk doel: het scheiden van gevaarlijke, vuile industriële activiteiten van het wonen, of het isoleren van het snelverkeer van andere stedelijke activiteiten. Eindresultaat was echter in vele gevallen een stad die is opgebouwd uit een serie monofunctionele gebieden, waar óf alleen gewerkt, of gewoond of gerecreëerd wordt. Stedenbouwer en architect Rem Koolhaas trok hieruit de meest radicale conclusie: hij verklaarde de oude stad dood en beschreef een nieuwe, postmoderne stedelijke conditie, die van de generieke stad. De generieke stad heeft geen bijzondere identiteit of geschiedenis en lijkt nog het meest op een filmset. Als hij niet langer functioneel is, wordt hij gewoon afgebroken en vervangen door een nieuwe stad met nieuwe functies. Steden als Dubai benaderen dit ‘ideaal’ van een generieke stedelijkheid waar wonen zich vooral in hotelkamers afspeelt.
Hier tegenover staat het perspectief van het gebruik van de stad, dat vooral van het functionalisme verschilt doordat het zijn uitgangspunt kiest in de historisch gegroeide stad en van de vele manieren waarop in de geschiedenis van de stad gebruik is gemaakt. Die gebruikswijzen zijn neergeslagen in wat je het stedelijk geheugen zou kunnen noemen, een geheugen dat enerzijds bestaat uit de gebouwen, monumenten, routes, straatnamen, parken en pleinen en de gearchiveerde documenten, en anderzijds uit de concrete herinneringen van de stedelingen zelf. De vele gebruikswijzen van een stad worden juist zichtbaar vanuit een bottom-up-, etnografisch perspectief op de stad dat in de functionalistische planologie altijd nogal nadrukkelijk werd genegeerd. Wat er vooral uit naar voren komt is dat stedelijkheid niet zozeer bestaat in een bepaalde ruimtelijke organisatie van functies, maar als iets dat die functies overstijgt, iets dat je een transcendente kwaliteit of iets minder hoogdravend een impliciete functie zou kunnen noemen. Die kwaliteit van stedelijkheid wordt meestal aangeduid als ‘publieke sfeer’ of ‘openbaarheid’.
Moderne grote steden onderscheiden zich in die visie van het platteland, van dorpen of kleine steden in de mate waarin zij wonen, werken en recreatie bijeenbrengen in een open, onvoorspelbare en enigszins onoverzichtelijke, soms zelfs chaotische atmosfeer die de meest uiteenlopende confrontaties, uitwisselingen en experimenten uitlokt. In zo’n atmosfeer komen de bezigheden van bewoners, reguliere gebruikers en werkers, en van regelmatige en ook eenmalige bezoekers op vruchtbare wijze samen, en zorgen de bewoners en reguliere gebruikers er als het ware op stilzwijgende wijze voor dat al die vreemden die er ook rondlopen worden ‘gedomesticeerd’. Dat ideaaltypische beeld van het fijnmazige netwerk van alledaags gebruik van de stadsstraat of de buurt werd door Jane Jacobs ingezet tegen de grootschalige plannen van de top-down-stadsontwikkelaars.
In de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw won Jacobs’ visie geleidelijk meer en meer terrein in de stadsontwikkeling. Dat hing vooral samen met de overgang van de industriële stedelijke economie naar een diensten- en service-economie, waardoor haven- en industriegebieden hun traditionele betekenis verloren, terwijl her en der in de oude stadswijken fabrieksgebouwen, pakhuizen en magazijnen leeg kwamen te staan. In diezelfde fase bereikte de suburbanisering een hoogtepunt, en bleven duizenden woningen in de oude stad jarenlang leegstaan. De Catalaanse stedenbouwkundige Ignasi de Solà Morales introduceerde voor deze lege gebieden in de stad het begrip terrains vagues, gebieden die door de nog aanwezige bouwwerken en infrastructuur wel verwijzen naar de manieren waarop zij in het verleden zijn gebruikt, maar die nu geen functie meer hebben en daardoor een nogal ongrijpbare (vage) uitstraling hebben gekregen. Het zijn gebieden die nog wel bij de stad horen, maar in een soort permanente overgangstoestand verkeren, ergens tussen verval en vernieuwing in. De Solà Morales gaat nog een stap verder door erop te wijzen dat ook de grootschalige modernistische stadsvernieuwing zelf onbedoeld allerlei nieuwe ‘terrains vagues’ heeft gecreëerd. Zowel in de grootschalige nieuwe buitenwijken als door toedoen van de grote infrastructurele ingrepen in de oude steden ontstonden her en der allerlei ongebruikte terreinen, onder meer omdat de schaal bijna vanzelf allerlei restruimte achterliet. In de buitenwijken is dat bijvoorbeeld vaak een overdaad aan ‘groene’ ruimte die ongebruikt blijft, zoals in de Amsterdamse Bijlmer het geval was. Die ruimte was bedoeld als ‘natuur in de stad’, maar werkte door zijn onbestemdheid juist vaak nogal unheimisch.
Deze uiteenlopende terrains vagues vormden, ook omdat ze voor ontwikkelaars geen kansrijke investeringsmogelijkheden vertegenwoordigden, het beginpunt van een voorzichtige omslag in het denken over de stad. Die omslag begon bij de gebruikers, de bewoners van de stad zelf. In het voetspoor van de kraakbeweging werden diverse lege terreinen en gebouwen opnieuw in gebruik genomen door kunstenaars, woningzoekenden, eenmansondernemingen, gelukszoekers en studenten. Dat gebeurde in Europese steden als Londen en Amsterdam, en vooral in het Berlijn na de val van de Muur. In diverse negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse wijken in New York speelden zich in de jaren tachtig vergelijkbare taferelen af, zoals in Soho en de East Village. De inzet van al die activiteiten rondom de terrains vagues betrof het gebruik dat stedelingen van hun eigen stad maken. De discussies gingen over zaken als het hergebruik van oude, industriële gebouwen en terreinen, gebruik en inrichting van het publieke domein, en vooral ook over de vraag wie een bepalende stem hebben in de ontwikkeling of herinrichting van buurten, bedrijventerreinen, pleinen of openbare gebouwen. In diverse steden werden deze vaak nogal anarchistische en experimentele initiatieven uiteindelijk overgenomen door de stadsbestuurders en werden allerlei vormen van hergebruik van terrains vagues staand beleid. Ervaringen met creatieve herbestemming van gebouwen en industrieterreinen werden daarnaast ook ingezet bij de herinrichting van al te monotone en onstedelijke buitenwijken.

INTUSSEN MAKEN grote steden alweer een nieuwe transformatie door, die zich in de loop van de jaren negentig aftekende. De ineenstorting van het communisme, de introductie van internet en de groeiende mondiale macht van het flitskapitalisme en het vrijemarktdenken: het werd sinds begin jaren negentig ‘globalisering’ genoemd en zou volgens sommigen uitmonden in een nieuwe samenleving, de netwerksamenleving. Of die term de lading dekt, is de vraag, maar dat de versnelde globalisering van economie en cultuur gevolgen zou hebben voor de verstedelijking werd al snel duidelijk. De Amerikaanse sociologe Saskia Sassen introduceerde al in 1990 het begrip global cities, waarmee ze het mondiale netwerk aanduidde van grote steden en stadsregio’s die een hoofdrol spelen als financiële en informatiecentra van de nieuwe wereldeconomie. Sassen analyseerde vooral de global cities Tokio, Londen en New York, maar gaf tegelijk aan dat het netwerk veel groter is. Ook Amsterdam (als financieel en cultureel centrum van de Randstad), Parijs en Singapore bijvoorbeeld maken deel uit van het netwerk van dergelijke financiële centra. Zulke steden hebben een geheel nieuw achterland: niet hun directe geografische omgeving, maar het netwerk van andere global cities fungeert als zodanig.
Twee processen spelen een hoofdrol in de ontwikkeling van deze nieuwe wereldsteden. Allereerst zijn ze bijna allemaal migrantensteden, en dat geldt voor zowel de top als de bodem van de arbeidsmarkt. Aan de top is het een komen en gaan van flexibele, hooggeschoolde arbeidskrachten, werkzaam in de financiële sector, het advieswezen, de informatie- en reclamesector, of in de mode, de kunsten en de wetenschappen. Op de bodem gaat het om minder flexibele arbeidsmigranten die de laaggeschoolde arbeid verrichten in de industrie, de horeca, in dienstverlenende baantjes en in de informele sector. Ten tweede zijn global cities onderworpen aan een meedogenloze mondiale concurrentieslag als vestigingsplaats, als ‘hub’ of ‘toplocatie’ voor grote financiële instellingen, hoofdkantoren van multinationale ondernemingen, laboratoria en onderzoeksinstituten, en dus ook als aantrekkelijke woonplaatsen voor de internationale elite.
Dit globaliseringsproces wordt weerspiegeld in de omslag die zich vooral de laatste vijftien jaar aftekende in het denken over stedelijke ontwikkeling en stadsvernieuwing. Die omslag combineert een sterke nadruk op openbare veiligheid en controle met een actieve politiek van city marketing en city branding. Het veiligheidsbeleid is vooral gericht op het beheersen van de sociale en etnische spanningen in wat in dit land intussen ‘Vogelaarwijken’ worden genoemd, de wijken waar grote groepen laaggeschoolde migranten en autochtonen wonen en de kansen op de arbeidsmarkt gering zijn. Daarnaast moet het veiligheidsbeleid zorgen voor schone, aangename en ordelijke stadscentra, zoals momenteel blijkt uit het zogeheten 1012-beleid in Amsterdam, dat de Wallen schoon moet vegen en de rode loper van de stad, Damrak, Dam en Rokin, de allure moet geven die hoort bij een mondiale toplocatie. Een dergelijk beleid is meer dan begrijpelijk voor een stad die alle moeite moet doen om als aantrekkelijke vestigingsplaats en toeristische bestemming overeind te blijven in de mondiale concurrentieslag met steden als Londen, New York of Berlijn – en in toenemende mate ook met allerlei Aziatische en Latijns-Amerikaanse metropolen. Maar de gevaren van dit nieuwe beleid zijn al even evident. Ik wil er drie noemen.
Het begrijpelijke streven naar ‘aantrekkelijke vestigingsplaats’ tendeert al snel naar een beleid waarin de stad vooral fungeert als façade voor de toeristenindustrie, het mondiale bedrijfsleven en de hooggeschoolde ‘creatieve klasse’, en als landingsstrip voor internationale horecaketens als Starbucks, Kentucky Fried Chicken of McDonald’s. Wie de geur van mayonaise weg wil hebben op het Damrak heeft dan al gauw een probleem. Maar vooral de dreigende musealisering is hier een risico: een mooie, schone, historische binnenstad die bezoekers alles, maar bewoners niets te bieden heeft. Salzburg en Venetië gingen ons voor. De grotere nadruk op veiligheid, die in het New York van Giuliani de vorm van zero tolerance aannam, leidt in dit verband al te makkelijk tot een stedelijke tweedeling tussen ‘gevaarlijke’ migrantenwijken waar preventief fouilleren standaard wordt, en de cleane binnensteden waar toerisme en internationale flexwerkers domineren. Die tweedeling bestaat in Nederland tendentieel op het niveau van de Randstad tussen het Amsterdam van de culturele en financiële elites enerzijds en het Rotterdam van de ‘leefbaren’ anderzijds.
Daarnaast bestaat het gevaar dat de mondiale interstedelijke concurrentie leidt tot een terugval in het eenzijdige, functionalistische top-down-beleid uit de modernistische periode van de stadsontwikkeling. Die concurrentie verleidt stadsbestuurders en ontwikkelaars soms tot megalomane projecten waarin het woord ‘Manhattan’ al te gauw doorklinkt. Men beseft niet dat Manhattan niet het product is van een dergelijke grootschalige benadering, maar in zijn huidige vorm het resultaat is van meer dan honderd jaar geleidelijke ontwikkeling. Men leze Rem Koolhaas’ Delirious New York, waarin de auteur laat zien dat Manhattan kon worden wat het nu is dankzij de afwezigheid van een modernistische avant-garde van stedenbouwers als Le Corbusier of Van Eesteren. Toch wenst Rotterdam zich een Manhattan aan de Maas, dromen Amsterdamse wethouders van hun Zuidas of van een groter metronet, en die van Groningen van een tramverbinding met een nieuwe stadswijk die maar niet van de grond wil komen. Ironisch genoeg wordt daarbij het aloude functionalisme vaak verhuld door tegelijk een beroep te doen op begrippen die aan het vocabulaire van Jacobs en van de bottom-up-aanpak doen denken: menging, gelaagdheid, broedplaatsen, et cetera.

HET GROOTSTE GEVAAR is echter dat dit streven naar grootstedelijke allure juist aan die grootstedelijkheid zelf een einde maakt. Ideologisch weerspiegelt de eenzijdige nadruk op de stad als ideale vestigingsplaats voor het mondiale bedrijfsleven en aantrekkelijke toeristische attractie de nog steeds ongebroken paarse illusie van een neoliberale stedelijkheid, waarin de stad slechts bestaat uit succesvolle, hooggeschoolde, flexibele, mondiaal opererende leden van de hogere middenklasse. Een middenklasse die serieus meent dat zij achterstandswijken vooruit kan helpen door er een paar leden van hun eigen klasse te vestigen, een stadsbestuur dat de stad een beter aanzien denkt te geven door haar stadswijken ‘thematisch in te kleuren’, et cetera. Intussen is het stedelijk geheugen van Jane Jacobs weer op de achtergrond geraakt, is de experimenteerzucht op de terrains vagues van weleer omgezet in subsidiëring van enkele leden van de ‘creatieve klasse’ en zit de mondiale economie ook nog eens in het slop. Maar daar ligt misschien een nieuwe kans: grote infrastructurele projecten liggen overal stil, bedrijvenpanden staan leeg, het prachtwijkenbeleid kampt met zwaar weer. Nieuwe terrains vagues, nieuwe onbestemde stedelijke gebieden, nieuwe leegstand: het blijkt de laatste tijd ook weer tot nieuwe initiatieven te leiden, van gebruikers en bewoners zelf, maar vooral van kunstenaars, architecten en loslopende creatievelingen die zich druk maken om de continuïteit van een stedelijke cultuur die onder steeds grotere druk lijkt te staan.