Jozef, Maria, het kindeke

De stalscène nader verklaard

Met een paradijselijk tafereel – de stal, Jozef, Maria, het kindeke Jezus in de kribbe en de onvermijdelijke schoon ouders in de gedaante van de os en de ezel – laten we onze jaartelling beginnen. Maar dit is tevens de laatste keer dat we Jozef, Maria, Jezus en God – de laatste weliswaar niet lijfelijk aanwezig, maar we weten dat Hij er is, want Hij is de grote regisseur van deze scène – zo vredig met elkaar verenigd weten. Het is tussen deze vier nooit meer goed gekomen, hoe vreemd dat ook mag klinken.

God had juist aan Maria en Jozef zo’n bijzonder aanbod gedaan. Hij had Maria uitverkoren om Zijn zoon, die de mensen van hun zonden zou verlossen, ter wereld te brengen, waarbij haar maagdelijkheid intact zou worden gelaten. Jozef zou daartoe van seksueel contact met zijn vrouw af moeten zien. Een duidelijke vaderrol was verder ook voor hem niet weggelegd.

In het plaatje in de stal lijkt Jozef nog wel een belangrijke plaats in te nemen, maar in het kerkelijk leven nadien komt hij nauwelijks meer voor en in ons denken over Kerstmis speelt hij geen rol van betekenis. Maar het is juist de afwezigheid van Jozef die in psychologisch opzicht van het grootste belang is. Daardoor is de zoon Jezus de enige bezitter van de schoot van Maria geworden, want ook God heeft haar maagdelijkheid niet geschonden en daarmee deze triomf onbedoeld aan de zoon gelaten.

Maria, de enige vrouw in het verhaal, lijkt een begerenswaardige rol te hebben. Zij is uitverkoren door God om Zijn zoon ter wereld te brengen. Hiervoor moet zij echter een hoge prijs betalen, ze mag alleen nog maar moeder van het Kind zijn. Van het verdere leven moet zij afzien en na iets meer dan dertig jaar krijgt zij haar zoon dood terug. Maria lijkt zo, net als Jozef, alleen maar slechter geworden te zijn van haar contact met God. Aanvankelijk komt zij in het kerkelijke leven ook niet voor, maar na een paar honderd jaar blijkt zij zich toch, naast God, een belangrijke plaats verworven te hebben door middel van de Mariaverering.

De kerken staan vol met haar afbeeldingen, altijd keurig met kind aan de borst of op schoot, Jezus in de rol van de trotse bezitter en beschermer van haar geslachtsorganen. Maria heeft de kerst dus wel overleefd, maar als vrouw is zij teruggebracht tot borst en baarmoeder.

En Jezus? Hij eindigt zijn leven weliswaar ongemakkelijk hangend aan het kruis, maar Hij hangt nu overal, in kerken, scholen, huis- of slaapkamers en de religie is naar Hem genoemd. De Zoon is waarlijk opgestaan en heeft God de Vader naar de achtergrond gedrongen, want Hij predikt liefde en verlossing in tegenstelling tot de onderwerping die de Vader verlangt en de hel en verdoemenis waar Hij mee dreigt.

Zo bezien heeft er, vergeleken met dat vredige kerstplaatje, een slachting plaats gevonden. Jozef, ontmand en van het toneel verdwenen. Maria weliswaar opgenomen in de godengalerij, maar als vrouw gereduceerd tot moeder en troosteres. Jezus gepromoveerd tot god, maar gedoemd ten eeuwige dagen aan het kruis te blijven hangen. En God van almachtige alleenheerser gedegradeerd tot een onzichtbare god.

Toch zat dat al in die kerstscène waarin het draait om dat kind: om het maken van dat kind, en om de vader en de moeder die daarvoor nodig zijn zonder dat Jozef met de bevruchting iets van doen heeft gehad. God zou zichzelf hebben kunnen laten afbeelden met Maria, maar dat zou Zijn volk nooit geaccepteerd hebben. God is wel almachtig, maar toch altijd binnen door de gelovigen bepaalde grenzen. Het zijn die grenzen die de problemen aanduiden waar Zijn volgelingen mee worstelen.

Op grond van wat we van God weten, kunnen we zeggen dat Hij een kind wil dat Hij aan zijn volk zal schenken om het van zijn zonden te verlossen. Hij heeft echter geen godin aan Zijn zijde. Hij moet dus Zijn toevlucht nemen tot een gewone vrouw uit Zijn volk, met wie Hij in tegenstelling tot de Griekse goden geen seksueel contact mag hebben.

Hij had natuurlijk net zo goed Jozef en Maria hun natuurlijke gang kunnen laten gaan en later de vrucht Zijn Heilige Geest kunnen in blazen. Maar beide partijen, God en Zijn volk, gunden elkaar dat niet. God, zonder gade, door Zijn volk eenzaam gemaakt en kennelijk jaloers op het vermogen van de mens de liefde te bedrijven en leven voort te brengen, kan wegens Zijn jaloezie niets anders doen dan Jozef ontmannen en Maria haar seksualiteit ontnemen.

De gelovigen kunnen op hun beurt niets anders doen dan wraak nemen. Zij verlossen God wel uit Zijn eenzaamheid: Hij krijgt gezelschap van Maria en Jezus. Zo houden God en Zijn gelovigen elkaar nog steeds in een ijzeren wurggreep.

Het is treurig dat er eigenlijk alleen in de eerste eeuwen na het overlijden van Jezus beweging in de godengalerij heeft gezeten en dat het daar nu al eeuwen doodstil is. Maar Jezus verdient het zeker dat wij Zijn geboortedag vieren. Hij heeft ons van de alleenheerschappij van een woestijngod verlost.