70 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

De stamkroeg van de mensenrechtenbeweging

Op 10 december 1948 namen de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan. Sindsdien richtten de grote organisaties zich vooral op burgerlijke en politieke rechten. Waarom negeerden zij het vraagstuk van economische gerechtigheid zo lang?

© Mohamed Abdiwahab / AFP / ANP

Buiten is het donker, maar op het Amsterdamse hoofdkantoor van Amnesty International brandt op deze winterse zondagavond volop licht. In de grote kantine zitten nog zeker zo’n honderd mensen aan lange tafels kaarten en brieven te schrijven, terwijl anderen geanimeerd in gesprek zijn. Op het buffet staat een ruime keuze aan versnaperingen. Mensen kunnen zelfs een pilsje of wijntje nemen. In het gebouw hangt een sfeer van saamhorigheid en feel good, terwijl een discjockey opwekkende nummers draait en op het podium een gedicht wordt voorgedragen. Maar de redenen voor deze schrijfmarathon van Amnesty International zijn ernstig.

Op de ramen en muren hangen grote posters met de gezichten van de tien personen voor wie op honderden plekken in Nederland en elders in de wereld geschreven wordt. Het gaat om activisten die slachtoffer zijn van discriminatie, vervolging, geweld en bedreigingen. Velen zitten onder mensonterende omstandigheden vast in gevangenissen. Zoals Tadjadine Mahamat Babouri die gearresteerd was nadat hij op sociale media video’s had geplaatst waarin hij het economische beleid van de Tsjadische regering bekritiseerde. Hij is in gevangenschap gemarteld. De Chinese Ni Yulan is zo zwaar toegetakeld door de politie dat ze in een rolstoel zit. Als transgender werd Sakris Kupila geconfronteerd met vernederende regelgeving in Finland en bedreigd toen hij campagne voerde voor gelijke rechten. Of neem milieuactivist Clovis Razafimalala die bij zijn strijd voor het behoud van het regenwoud van Madagaskar werd vervolgd, geïntimideerd en bedreigd. De handgeschreven kaarten met woorden van troost, steunbetuigingen en tekeningen zijn voor hen bestemd. De dringende verzoeken om vrijlating en gerechtigheid gaan naar de verantwoordelijke autoriteiten.

De schrijfmarathon, inmiddels omgedoopt tot Write for Rights, vindt jaarlijks plaats rond 10 december, de internationale Dag van de Mensenrechten. Zeventig jaar geleden werd op die dag in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties die in Palais de Chaillot te Parijs bijeen was. Na de verwoestende Tweede Wereldoorlog hadden de zojuist opgerichte VN behoefte aan een roadmap om de rechten van elk individu te garanderen. Begin 1947 was het conceptcomité onder leiding van Eleanor Roosevelt, voorzitter van de VN-Mensenrechtencommissie en weduwe van de Amerikaanse president, bijeengekomen. Wat volgde was een complex proces van overleg, debat, onderhandelen, formuleren, schrijven, schrappen en herschrijven.

Er gingen vragenlijsten naar denkers uit de hele wereld met het verzoek hun visie te geven. ‘Niet alleen westerse landen, ook nogal wat Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen, zoals China en India, namen aan de discussies deel. Maar je moet je ook realiseren dat grote delen van de wereld niet betrokken waren omdat hele landen nog gekoloniseerd waren’, zegt William Schabas, hoogleraar internationaal strafrecht en mensenrechten aan de Universiteit Leiden en Middlesex University in een telefoongesprek vanuit Londen. Ook vakbonden en religieuze organisaties lieten hun mening horen. En de vrouwenbeweging, die met Eleanor Roosevelt een boegbeeld had. ‘We kunnen hun vingerafdruk duidelijk in het document zien’, zegt Schabas.

Maar liefst 86 maal zouden de VN-lidstaten gedurende twee maanden vergaderen voordat de tekst door 48 landen (acht onthoudingen: Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië en zes sovjetlanden) in 1948 werd aangenomen. Het minachten van rechten heeft geleid tot ‘barbaarse handelingen’, aldus de preambule, die vervolgens stelt dat ‘de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens’. In dertig artikelen volgen de rechten, vrijheden en plichten waaraan eenieder is gehouden.

‘Het is een gids en een inspiratiebron. Ik lees het als een belofte van vrijheid, gelijkheid en waardigheid’, zegt Eduard Nazarski, directeur van Amnesty International Nederland, in het rustige café van een hotel in Den Haag, als hij net het eerste artikel uit zijn hoofd heeft geciteerd: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.’

‘Het document is opmerkelijk fris geschreven en heel leesbaar. Zonder de zware ouderwetse formuleringen die je in andere verklaringen wel ziet’, aldus Schabas. Ook Barbara Oomen, hoogleraar sociologie van de mensenrechten aan de Universiteit Utrecht, is gecharmeerd van de tekst: mooi, bondig, helder. ‘Naast de bijbel is de Universele Verklaring het meest vertaalde document ter wereld. Het is de stamkroeg van de mensenrechtenbeweging. Iedereen komt er altijd weer bij terug’, zegt ze. Maar, voegt ze er meteen aan toe, juridisch stelt het niks voor. ‘Het is een serie ideeën die zeer waardevol zijn, maar het is geen verdrag. Juridisch is het niet afdwingbaar. Het is een aanzoek, maar nog geen huwelijk.’ Schabas vindt die visie te beperkt. ‘Typisch iets voor juristen om met zo’n technisch antwoord te komen, dat niets zegt over de impact van het document. Nog altijd wil geen staat beschuldigd worden van het schenden van de Universele Verklaring, die in tientallen mensenrechtenverdragen doorwerkt.’

In die naoorlogse periode, waarin de lijst met idealen werd geformuleerd, bestond de internationale gezichtsbepalende mensenrechtenbeweging zoals we die nu kennen nog niet. Ook al kunnen de anti-slavernijbeweging, het Rode Kruis, de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, de vrouwenbeweging en vakbonden als wegbereiders worden gezien en was de International Federation for Human Rights (fidh) al in 1922 opgericht. Maar de beweging die gedurende de Koude Oorlog zou uitgroeien tot de waakhond van de mensenrechten – door actie te voeren, te lobbyen, onderzoek te doen en regeringen ter verantwoording te roepen – is nog vrij jong.

Het was 1961 toen de Britse advocaat Peter Benenson boos in de pen klom nadat hij had vernomen dat twee Portugese studenten gevangen waren gezet omdat ze op de vrijheid hadden getoost. In een vlammend betoog in The Observer riep hij mensen op de studenten brieven te schrijven en tegen onrecht in actie te komen. Op 10 december staken leden van de groep ‘Appeal for Amnesty’ op Trafalgar Square in Londen een immense kaars aan. Het jaar daarop kreeg de organisatie een nieuwe naam: Amnesty International. In 1963 werd na druk van het Vaticaan, de VS én de nieuwe mensenrechtenorganisatie de Oekraïense aartsbisschop Josyf Slipyj in Siberië vrijgelaten. Vele acties voor mensen die wegens hun overtuiging worden vervolgd zouden volgen.

De westerse mensenrechtenbeweging is niet alleen geboren in een periode van grote spanningen tussen het kapitalistische Westen en het communistisch-socialistische Oostblok, maar werd er ook door gevormd. ‘Zeker had de Koude Oorlog een effect. Het activisme en de campagnes werden deels gestuurd door het Helsinki-proces, dat zou leiden tot de opening van Oost-Europa en uiteindelijk de val van de Muur’, zegt Schabas. Hij verwijst naar de dialoog die in 1975 in de Finse hoofdstad culmineerde in de Helsinki-Akkoorden, waarbij 35 landen overeenkwamen te zullen samenwerken op tal van terreinen, zoals veiligheid en mensenrechten.

Door de slotverklaring kregen mensenrechtenorganisaties een strategisch instrument in handen om regeringen ter verantwoording te roepen en grove schendingen zoals het gevangen zetten en martelen van politieke dissidenten in het Oostblok aan de kaak te stellen. De Amerikaan Robert L. Bernstein richtte in 1978 de organisatie Helsinki Watch op om te monitoren of het Oostblok zich wel aan de afspraken hield. Snel volgden nieuwe afdelingen – Americas Watch, Asia Watch, Africa Watch en Middle East Watch – die in 1988 werden samengevoegd tot Human Rights Watch (hrw).

Het accent van de grote westerse mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en hrw kwam op burgerlijke en politieke rechten te liggen. Hoog in het vaandel staan de vrijheid van gedachte, meningsuiting en vergadering, het verbod op onrechtmatige detentie en marteling en het recht op een eerlijk proces. ‘Die vrijheden en rechten vielen samen met de eisen van de dissidenten in het Oostblok’, zegt Eduard Nazarski, die zelf in de jaren tachtig in Polen dissidenten bezocht die nachtenlang wodka dronken en gepassioneerd over vrijheid discussieerden. Het is ook het type mensenrechten dat de Verenigde Staten als ‘moreel standpunt’ in hun buitenlandse politiek konden gebruiken. ‘Het paste goed bij de geopolitieke agenda’, zegt de Amnesty-directeur.

‘Jarenlang zijn mensenrechten een Nederlands exportproduct geweest’, stelt Barbara Oomen. ‘Het ging nooit over onszelf, want wij hadden het op die terreinen best goed voor elkaar. Met de ratificatie van mensenrechtenverdragen konden we eveneens het goede voorbeeld geven aan landen die als “achterlijk” werden beschouwd. Ook al werden hier nog lange tijd katholieke vrouwen ontslagen zodra ze trouwden.’

Op de vraag welke successen de mensenrechtenbeweging heeft geboekt, zijn de geïnterviewde deskundigen opmerkelijk eensgezind. Het heeft zin om campagne te voeren voor gedetineerden, zoals tijdens schrijfacties. ‘Amnesty vond neutraliteit wel altijd belangrijk en voerde dan actie voor één persoon uit het Oostblok, één uit het Westen en één uit de Derde Wereld’, zegt Nazarski. Het maakt nog altijd indruk op regeringen als er een lawine van brieven en kaarten komt. In de loop der jaren zijn duizenden gevangenen vrijgelaten, zoals dit jaar de Tsjadische activist Tadjadine Mahamat Babouri.

‘Organisaties dwingen nu de toegankelijkheid van gebouwen af, ook al valt het me op dat niemand zich echt sterk maakt voor inclusief onderwijs’

Succesvol en ook meetbaar is de campagne tegen de doodstraf, een schending van het recht op leven die overigens niet als verbod in de Universele Verklaring was opgenomen omdat het te controversieel was. ‘Ook in Europa was de doodstraf voor velen toen nog acceptabel’, zegt William Schabas, die persoonlijk betrokken was bij de campagnes. ‘Terwijl er ook in Nederland lang over werd gediscussieerd, was een groot deel van de Amnesty-aanhang in de VS regelrecht vóór de doodstraf’, zegt Nazarski. Maar gestaag nam het aantal landen af dat mensen tot de galg, onthoofding, elektrische stoel of een dodelijke injectie veroordeelde. Waren er in 1977 slechts zestien landen die de doodstraf hadden geschrapt, nu hebben 142 landen de doodstraf wettelijk of in de praktijk afgeschaft. Maleisië staat op het punt zich bij dit gezelschap te voegen. ‘Dat zal een grote impact op Azië hebben’, aldus Schabas. Ook al zijn er tevens twee landen, Turkije en de Filipijnen, die de doodstraf juist weer willen invoeren. Maar dan schenden ze een internationaal verdrag waar ze niet uit kunnen stappen. Schabas: ‘Die regeringen weten maar al te goed dat ze dan outlaws zullen zijn. Je ziet dat zelfs Trump terughoudend is bij het schenden van verdragen.’

Ook het lobbyen voor mensenrechtenverdragen prijkt op de lijst met successen. Zo hebben campagnes bijgedragen aan de totstandkoming van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (1984) en het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning (2010). Ook met de strijd voor gelijke rechten voor vrouwen, lgbt’s, etnische groepen en mensen met een handicap is vooruitgang geboekt. ‘Ook al ben ik me pijnlijk bewust van de ontwikkelingen in Brazilië, waar net een president is gekozen die niets op heeft met deze rechten. Bovendien is er in veel landen nog lang geen gelijke betaling voor mannen en vrouwen, zoals verwoord in artikel 23 van de Universele Verklaring’, zegt Schabas, die ook de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika noemt. ‘Een van mijn favoriete rechten, dat fundamenteel is en bijna universeel geaccepteerd, is het recht op onderwijs’, zegt hij. ‘Er is volgens mij geen land waar men niet vindt dat alle jonge kinderen naar school moeten. Ook als het gaat om heel arme Afrikaanse landen. Het is een fantastische ontwikkeling voor de mensheid als je het vergelijkt met honderd jaar geleden.’

Als landen verdragen ondertekenen kan dat de rechten verbeteren van vrouwen, kinderen en mensen met een beperking, zegt Oomen. ‘Maar zulke verdragen maken pas echt het verschil als het maatschappelijk middenveld erbij betrokken is die deze rechten desnoods met de gang naar de rechter afdwingt. Ook daar is de mensenrechtenbeweging erg belangrijk voor.’ Ze wijst op het gehandicaptenverdrag, dat door de Nederlandse regering met weerzin pas in 2016 werd geratificeerd. ‘Organisaties dwingen nu de toegankelijkheid van gebouwen af, ook al valt het me op dat niemand zich echt sterk maakt voor inclusief onderwijs.’

Camp X-Ray, Guantánamo Bay, Cuba, 11 januari 2002 © Shane Mccoy / Mai/Mai / The LIFE Images Collection / Getty Image

Ook in de strijd tegen straffeloosheid heeft de beweging zich laten gelden. In de jaren negentig namen mensenrechtenorganisaties samen met de like-minded groep van zo’n zestig landen het voortouw bij de lobby voor de oprichting van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, icc) dat als taak kreeg daders van internationale misdrijven te vervolgen. Het gold als een enorme overwinning toen 120 landen in 1998 akkoord gingen met het Rome Statute dat de basis legde voor het hof, dat vier jaar later in Den Haag van start ging. Toen Nazarski een bezoek bracht aan Kenia, op het moment dat zes Kenianen door het icc werden vervolgd, kreeg hij het advies: ‘Je moet niet zeggen dat je uit Nederland komt, want dat zegt mensen niks. Maar uit Den Haag.’ Nazarski sprak ongeletterde mensen die van het strafhof wisten ‘en er hoop uit putten dat gerechtigheid afdwingbaar is’. (Overigens zijn alle Keniaanse zaken bij het strafhof mislukt. In het algemeen is het resultaat van het icc verder teleurstellend: tot nu toe zijn slechts drie oorlogsmisdadigers veroordeeld.)

Het is niet genoeg, stelt Samuel Moyn in zijn dit jaar verschenen boek Not Enough: Human Rights in an Unequal World. Moyn is professor geschiedenis en rechten aan Yale University (en was ten tijde van president Bill Clinton stagiair bij de Nationale Veiligheidsraad). Het waren Occupy Wall Street en het werk van de Franse econoom Thomas Piketty die hem inspireerden tot het onderzoek naar de relatie tussen de mensenrechtenbeweging en economische gerechtigheid. Het thema vormt momenteel een van de grote debatten binnen de sector. ‘De grote internationale organisaties hebben zich vooral gericht op burgerlijke en politieke rechten, maar hebben de tweede helft van de universele verklaring van de rechten van de mens over sociaal-economische rechten lange tijd grotendeels genegeerd. De beweging heeft zich nauwelijks ingespannen voor het recht op een toereikende levensstandaard die mensen in staat stelt zich een behoorlijk huis, gezondheidszorg en voedsel te kunnen veroorloven’, zegt Moyn tijdens een Skype-interview. Zijn woorden vormen een echo van de kritiek die groepen in ontwikkelingslanden al decennia uiten over de strategische keuzes van de westerse mensenrechtenbeweging.

In zijn boek beschrijft Moyn dat er in het verleden in het Westen wel degelijk groepen waren die voor economische rechten voor burgers opkwamen – vanaf de Franse Revolutie tot de opbouw van de verzorgingsstaat – maar dat de mensenrechtenbeweging bewust voor een andere koers koos. In de loop der jaren kregen de groepen die voor herverdeling streden het steeds moeilijker, analyseert Moyn. ‘De vakbonden werden als te controversieel gezien. Mensen raakten vermoeid. Een hele generatie socialisten stopte te geloven in wat ze konden bereiken. De mensenrechtenbeweging werd voor velen een toevluchtsoord. Het was nobel en gemakkelijker om je te richten op politieke rechten, die voor alle burgers in alle landen hetzelfde zijn.’ Mensen die zich voor verandering wilden inzetten schudden hun ideologische veren af. ‘Het was prima om een goede liberal te zijn, maar je moest geen leftist zijn’, stelt de Yale-professor.

Tijdens een debat dat de Open Society Foundations (osf, opgericht door George Soros) dit jaar op 11 juli organiseerden, ging Moyn over deze controverse in discussie met Aryeh Neier, oprichter en voormalig directeur van Human Rights Watch en president emeritus van osf. Neier somde op waarom de mensenrechtenbeweging zich niet met het vraagstuk van economische gelijkheid moet inlaten. Om te beginnen zou het de beweging ‘totaal ineffectief maken’ omdat het thema te maken heeft met ‘belastingbeleid’, betoogde hij. Niet alleen hebben mensenrechtenorganisaties geen fiscale expertise in huis, ook is de achterban ‘waarschijnlijk behoorlijk verdeeld’ over dit vraagstuk. Bovendien dient een concept ook ‘integriteit’ te hebben, waarmee hij bedoelde dat er niets is wat hoger dan zo’n recht kan zijn. Het verbod op marteling of slavernij is absoluut, maar is dat ook zo voor economische gerechtigheid?

Bij zijn derde argument verwees Neier naar zijn begintijd als directeur van Human Rights Watch toen de oorlogen in El Salvador en Guatemala woedden. Hij toonde zich nog altijd trots op de destijds innovatieve aanpak van hrw om het oorlogsrecht in stelling te brengen bij het aan de kaak stellen van misdrijven. ‘We hebben de levens van vele duizenden mensen gered.’ De acties werden hrw niet in dank afgenomen door de Guatemalteekse en Salvadoraanse regeringen, en ‘vooral’ niet door de regering van president Reagan, die deed ‘alles om ons in diskrediet te brengen’. hrw-stafmedewerkers werden uitgemaakt voor ‘communisten’ die de guerrillabewegingen in die oorlogslanden ondersteunden. Vervolgens kwam Neier bij zijn punt: ‘Als we de ideologie hadden omarmd van de guerrillabewegingen die voor economische gelijkheid streden, zou de regering-Reagan zijn geslaagd. Ze zouden Human Rights Watch hebben weggevaagd. De organisatie zou het niet hebben overleefd.’

Juist doordat hrw ‘geen politieke posities innam’, zoals een ‘socialistische beweging’ wel zou hebben gedaan door voor economische gelijkheid te strijden, kon de organisatie zich teweerstellen tegen de Amerikaanse regering, aldus Neier. In het politieke klimaat zou het zelfmoord zijn geweest om op te komen voor economische gerechtigheid.

‘Terwijl de neoliberalen de vakbonden hebben verwoest stonden ze het de mensenrechtenbeweging toe om te overleven’, zegt Moyn, ‘want hun agenda’s sluiten prima op elkaar aan. De opvatting van neoliberalen dat mensen als vrije wezens moeten kunnen handelen gaat prima samen met het idee van individuele politieke en burgerlijke rechten en vrijheden.’ In de decennia dat de rijken alleen maar rijker werden, de verschillen groeiden en de verzorgingsstaat werd afgebouwd, zou de steeds prestigieuzere mensenrechtenbeweging floreren, maar tegelijk de ‘gevangene’ worden van het ‘huidige tijdperk van ongelijkheid’, stelt Moyn.

De prominentste mensenrechtenorganisaties zitten in het Westen, met hoofdkantoren in Londen of New York. ‘Ze streven ernaar om global te zijn. Maar de stem van het Zuiden klinkt niet echt door. Ze staan te dicht bij westerse regeringen en donoren van wie ze voor fondsen afhankelijk zijn’, zegt Samuel Moyn. De staf van deze groepen behoort inmiddels zelf tot een elite. ‘Het zijn veelal professionals zoals juristen die een universitaire studie achter de rug hebben. Er werken steeds minder gewone mensen bij mensenrechtengroepen, terwijl organisaties die opkomen voor mensenrechten het meeste effect hebben als ze worden gedragen door de grassroots in plaats van dat het een project is van elitaire moraliteit.’

De huidige hrw-directeur Ken Roth is zelf een ‘1-procenter’ met een jaarsalaris van ruim vijfhonderdduizend dollar. Nazarski’s salaris is met een ton een stuk bescheidener. Hoewel inkomen op zich niets zegt, vindt Moyn. Zelf heeft hij een zwak voor ‘filantrokapitalist’ Soros, die in een blurb achter op zijn boek Not Enough stelt dat de mensenrechtenbeweging niet kan ‘overleven’ of ‘bloeien’ als ze de groeiende ongelijkheid niet aan de kaak stelt. ‘Soms doen rijke mensen echt goede dingen om anderen te helpen’, zegt Moyn.

De Yale-professor vindt het de hoogste tijd om economische gerechtigheid op te nemen in de mensenrechtenagenda, ook al is hij de eerste om te erkennen dat het geen gemakkelijk vraagstuk met eenvoudige oplossingen is. Goede huisvesting ziet er in Zambia bijvoorbeeld mogelijk anders uit dan in Nederland. Maar het gaat om het rechtvaardigheidsprincipe waarbij de rijken gedwongen moeten worden om hun welvaart te delen. Het is geen optie om met liefdadigheid aan te komen, want dat brengt geen fundamentele verandering. ‘We zullen de rijken moeten dwingen om belastingen te betalen’, meent Moyn.

‘Of economische ongelijkheid per se een mensenrechten­schending is, vraag ik me af. Enige differentiatie in de samenleving moet toch kunnen’

William Schabas is het in principe met zijn Yale-collega eens. Toen hij zitting had in de Waarheidscommissie voor Sierra Leone en samen met collega’s gesprekken had met slachtoffers van marteling en moord viel hem op dat zij vooral onderwijs voor hun kinderen en medische hulp wilden. ‘We leven in een wereld van grote ongelijkheid tussen de superrijken en de rest. Ik ben voor meer gelijkheid. Er is genoeg geld om iedereen goede behuizing, onderwijs, medische zorg en voedsel te bieden.’ Met een goed belastingregime en opsporen van gelden die zijn weggesluisd naar belastingparadijzen moet het mogelijk zijn te komen tot herverdeling en economische gerechtigheid. ‘We hebben de Koude-Oorlogsretoriek achter ons gelaten. De mensenrechtenbeweging zal zich hiervoor moeten inspannen.’

Samuel Moyn zelf denkt dat de mensenrechtenbeweging niet geschikt is als ‘egalitaire actor’. ‘Ze hebben er niet de organisatie voor, niet de moraal en niet de normen op papier om een egalitaire agenda te bevorderen. Een egalitaire beweging ziet er heel anders uit.’

‘Het is een lastige’, reageert Eduard Nazarski op het betoog. ‘Je raakt in een totaal politieke discussie verzeild en verliest je onpartijdigheid.’ Ook vraagt hij zich af wat Amnesty International op dat vlak te bieden heeft. ‘Je hebt nu als mensenrechtenorganisatie een grote herkenbaarheid, die je moet behouden.’ Hij vervolgt: ‘Vanuit rechtvaardigheid zou je alles wel willen doen. Maar als je je agenda gaat uitbreiden moet je dat behoedzaam doen, want het gaat ook om geloofwaardigheid en reputatie.’

Hij verwijst naar het besluit van Amnesty Nederland een aantal jaar geleden om onderzoek te doen naar etnisch profileren door de politie. Een vraagstuk waarmee de organisatie ook een diverser publiek zou kunnen aanspreken dan de traditionele aanhang. Toen ze in 2013 een rapport publiceerden, reageerden etnische groepen met: ‘Hè hè, Amnesty wordt eindelijk wakker.’ Maar de politie was woedend. ‘De voorzitter van de centrale ondernemingsraad van de politie zei dat ik zestigduizend dienders voor racist uitmaakte.’ Nazarski wil maar zeggen: voor je een nieuw thema oppakt moet je weten waar je aan begint. ‘Je moet goed nadenken wat je doel is, wat wij mensen kunnen bieden en hoe je verandering wilt bereiken. Je moet een goede strategie ontwikkelen; je kunt niet zomaar als nieuwkomer op zo’n terrein komen aanhollen en toeslaan.’

Tegelijk herinnert hij zich nog goed hoe collega’s hem tijdens zijn eerste reis naar Zuid-Afrika voorhielden: ‘Jij met je burgerlijke en politieke rechten, terwijl hier een derde van de bevolking met honger opstaat en naar bed gaat.’ Ook zag hij de extreme armoede in krottenwijken in Kenia en de schokkende situatie bij de olievelden in Nigeria waar de oliewalmen hem de adem benamen, waar alles zwart en dood was en toen hij een handje aarde nam de olie eruit sijpelde toen hij het samenkneep. ‘En hier woonden mensen.’

Inmiddels heeft de mensenrechtenbeweging de koers enigszins verlegd. Human Rights Watch richt zich bijvoorbeeld ook op milieu, business en gezondheidszorg. Na heftige discussies in 2001, toen alle afdelingen van Amnesty International in de Senegalese hoofdstad Dakar bijeen waren, werd besloten om sociaal-economische en culturele rechten te omarmen. ‘Als kinderen geen toegang tot onderwijs hebben en mensen zwaar onder de armoedegrens leven, moet je je uitspreken’, zegt Nazarski. ‘Maar of economische ongelijkheid per se een mensenrechtenschending is, dat vraag ik me af. Enige differentiatie in de samenleving moet toch wel kunnen.’

Iran, Teheran, 1978. Demonstratie tegen de sjah © A. Abbas / Magnum / HH

Het nieuwe millennium was nog geen twee jaar oud of daar kwam de grote klap. Op 11 september 2001 sloeg terreurbeweging al-Qaeda toe. De VS werden getroffen door aanslagen, waarbij bijna drieduizend mensen omkwamen. De Amerikaanse regering lanceerde daarop de war on terror, viel Afghanistan binnen, zou op grove wijze mensenrechten schenden en vele slachtoffers maken. ‘De angst voor terrorisme is alles bepalend geworden’, aldus Eduard Nazarski. Nadat de Amerikaanse regering toestemming had gegeven zouden de cia en legereenheden een martelprogramma opstellen waarbij terreurverdachten werden geslagen, gewaterboard, in stressposities geplaatst, slaap en voedsel onthouden en seksueel vernederd. Op Guantánamo Bay werden vele honderden mensen zonder vorm van proces onder erbarmelijke omstandigheden vastgezet en gefolterd. ‘Het is niet alleen een smet, maar het ondergraaft de geloofwaardigheid van de VS volkomen. Het betekent bovendien dat er geen wereldmacht meer is die de mensenrechten emblematisch verder kan brengen’, zegt Nazarski.

Het Amerikaanse geweld tijdens de war on terror is volgens de Amnesty-directeur niet de enige, maar wel een belangrijke factor die maakt dat mensenrechten in de knel zitten. Regimes zouden de Arabische lentes in hun landen keihard neerslaan. Miljoenen mensen werden in Syrië en Jemen het slachtoffer van gruwelijke oorlogen. Verder van de westerse radar barstte in de Centraal Afrikaanse Republiek een burgeroorlog los waarbij het G-woord viel: genocide. In de Democratische Republiek Congo en Venezuela heerst een abominabele mensenrechtensituatie. Het gaat bergafwaarts met China, Rusland, Turkije, de Filipijnen en Myanmar. Dichter bij huis staan in Polen en Hongarije de media, het rechtssysteem, de advocatuur, de academische wereld en ngo’s onder druk. ‘De rechtsstaat is in veel landen daverend in het geding’, vat Nazarski samen. De oppositie wordt monddood gemaakt.

Wekenlang berichtten de internationale media over de brute moord op de Saoedische journalist Jamal Ahmad Khashoggi, die geldt als een aanslag op de vrije pers en de mensenrechtenbeweging. ‘In Nederland zijn wij wel een rechtsstaat, maar over Saoedi-Arabië tref ik bij onze regering het diepste stilzwijgen aan’, zegt Nazarski. Hij denkt ook aan het internationaal wapenhandelverdrag dat moet voorkomen dat wapens geleverd aan partijen in conflicten tot grove mensenrechtenschendingen leiden, dat na twintig jaar lobbyen in 2013 tot stand kwam. ‘Je viert het als het verdrag is aangenomen, maar ervaart een terugslag als het niet wordt nageleefd.’ Ondanks de hel in Jemen en de schok over de moord op Khashoggi, die het ware gezicht van het Saoedische regime laten zien, blijven de VS en het Verenigd Koninkrijk wapens aan powerhouse Riyad leveren.

Nog eenmaal terug naar de economische rechten. Nooit eerder in de geschiedenis zijn de verschillen tussen arm en rijk zo groot geweest, betogen Samuel Moyn en William Schabas. Zij wijzen erop dat die grote economische ongelijkheid mede heeft geleid tot de opkomst van het populisme. ‘Populisten zoeken altijd anderen die ze als zondebokken de schuld kunnen geven voor de achtergestelde positie van hun groep en zoals altijd zijn dat de buitenstaanders’, aldus Moyn. Het vraagstuk van economische gerechtigheid raakt via de opkomst van het populisme aan het recht op bewegingsvrijheid en asiel, dat mensen bescherming moet bieden tegen geweld, vervolging en armoede en waarvoor de mensenrechtenbeweging in de bres springt.

Dit voorjaar werd Nazarski in een column in de Volkskrant aangevallen omdat hij zich meer zou bekommeren om asielzoekers dan om Nederlanders. ‘Veel mensen zijn mordicus tegen meer buitenlanders. Tegelijk ontmoet ik veel mensen die zich wel willen bekommeren om vluchtelingen, maar ook terughoudend zijn om zich uit te spreken vanwege het geschreeuw waarvoor zij beducht zijn. Het is tekenend dat er tijdens de vluchtelingencrisis in 2015 meer vrijwilligers dan vluchtelingen waren. Het is dus niet zo dat de hele bevolking asielzoekers afwijst’, zegt hij.

Hij heeft vooral moeite met de politiek die vrijwel niets doet om landen in de regio te helpen die wel miljoenen vluchtelingen hebben opgevangen, of om vluchtelingen die dringend elders gevestigd moeten worden op te nemen. Woedend was Nazarski toen hij deze ochtend vernam dat asielzoekers liefst 43 weken moeten wachten op een eerste gesprek met de ind, terwijl dat een week moet zijn. ‘Het zijn niet de burgers maar de politici die niets van asielzoekers willen weten.’

Eduard Nazarski vraagt het zich wel eens af: ‘Misschien moeten we beter ons best doen en hebben we als Amnesty niet genoeg gedaan om onze waarden over te brengen. Veel politici zeggen: u bent te ongeduldig. Natuurlijk ben ik bij al die onrechtvaardigheid ongeduldig, ook al weet ik dat we niet alles in één keer kunnen veranderen. Het is voor ons balanceren tussen actie, ambitie en realiteitszin.’

Samuel Moyn stelt dat campagnes waarbij mensenrechtengroepen naar nationale en regionale rechtbanken stappen om rechten af te dwingen zinvol zijn en tot resultaat leiden. ‘Maar de mensenrechtenbeweging is beperkt in de mogelijkheden de wereldpolitiek te veranderen.’ De strategie van naming and shaming heeft geen effect bij autoritaire regimes. Wit-Rusland en Saoedi-Arabië zijn er immuun voor: ‘Als de mensenrechtenbeweging een oppositionelere beweging was, had men meer voor elkaar gekregen.’

Samenvattend zegt William Schabas: ‘Ik ben geen pessimist. Ik ben altijd hoopvol. Mensenrechten worden op de proef gesteld, hier in Europa en de VS. Vandaag hebben we instituten als de VN, de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die opgezet zijn om ons te beschermen tegen crises als in de jaren dertig. Als ze staande blijven, zullen we oké zijn. De vijanden van mensenrechten weten dat echter ook. Willen ze in hun eigen verschrikkelijke plannen slagen, dan zullen ze deze instituten moeten verwoesten.’ Bij het afwegen van positieve en negatieve ontwikkelingen verwijst Barbara Oomen naar de ‘drieslag’ van de Franse Revolutie. ‘We hebben, zeker in het Westen, meer vrijheid gekregen. Maar als je kijkt naar gelijkheid, dan hebben we maar mondjesmaat vooruitgang geboekt. De grootste uitdaging ligt echter bij broederschap. Als het gaat om het idee dat we als wereld samen verantwoordelijk zijn voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens valt er nog veel werk te verrichten.’