De stank van weimar

In het jaar van de ‘vijftigste mei’ jubileert ook de Kapp-putsch. Niet dat er iets te vieren is, want de machtsgreep van de Pruisische Junkers in maart 1920 was een groteske mislukking. Maar sommige putschisten hadden later meer succes.
Van de auteur verschijnt in mei bij uitgeverij Bzztoh Galgemaal voor Pruisen: De mestvaalt van de geschiedenis.
DRIEKWART EEUW geleden, in de roerige eerste jaren van de Weimarrepubliek, vormde de week van 13 tot 17 maart 1920 een omslagpunt voor de ontwikkeling van Duitsland. Conservatieve politici en militairen deden toen een greep naar de macht, om deze na enkele dagen toch weer uit handen te moeten geven. Deze staatsgreep, die de geschiedenis inging als de Kapp-Luttwitz putsch, vormde de eerste confrontatie tussen de Weimarrepubliek en het conservatieve, veelal door Pruisen gedomineerde volksdeel. Een confrontatie die plaatsvond tegen de achtergrond van een dreigende proletarische revolutie en de dwangbepalingen van het Verdrag van Versailles.

In het najaar van 1918 was het stervende Duitse keizerrijk het toneel van rellen, stakingen en muiterijen. Wat begon met een muiterij in Kiel, resulteerde in de eerste week van november in de oprichting van arbeiders- en soldatenraden in vrijwel het gehele land. Op 9 november riep Scheidemann, leider van de sociaal-democraten, vanuit een raam van het Rijksdaggebouw de republiek uit. Twee uur later riep ook Karl Liebknecht van de Spartakusbund - voorloper van de Duitse communistische partij - de republiek uit, maar dan een socialistische naar Russisch voorbeeld. In het hoofdkwartier van het Duitse leger te Spa deelde generaal Groener - opvolger van de oorlogszuchtige Ludendorff - de keizer mee dat zijn troepen hem niet langer in nieuwe avonturen zouden volgen. Om het vertrouwen in de monarchie te herstellen kon Wilhelm II nog overwegen om eervol aan het front te sneuvelen, maar die suggestie wees de keizer van de hand.
Gelukkig diende zich al gauw een andere oplossing aan in de persoon van de Nederlandse grootofficier Van Heutsz, die de keizer in opdracht van koningin Wilhelmina en haar gemaal prins Hendrik von Mecklenburg asiel kwam aanbieden op Nederlands grondgebied.
HET WAS DEZELFDE generaal Groener die een voorlopige sociaal-democratische regering in het zadel hield door deze de onvoorwaardelijke steun van het leger toe te zeggen. Een dergelijke regering leek ook Groener de enige mogelijkheid om complete chaos en staatsterreur te voorkomen. Een verdere legitimatie verkreeg de regering in december tijdens een massaal congres van arbeiders- en soldatenraden, dat werd gehouden in Circus Busch in Berlijn. Weinig gelukkig waren de militairen echter met de voorstellen tot ontslag van maarschalk Von Hindenburg, de opheffing van de traditionele kadettenscholen en de vervanging van het oude militaire apparaat door een volksleger met gekozen officieren.
De onvrede onder militairen kwam diezelfde maand tot uitdrukking in een bijeenkomst van officieren in het Berlijnse Concertgebouw. Een van de sprekers daar was de opvolger van de beruchte ‘Rode Baron’ Von Richthofen: luchtmachtkapitein Hermann Goering. Hij hekelde de oneervolle behandeling van oorlogsveteranen en zwoer wraak op degenen die het zegevierende Duitse leger een dolkstoot in de rug hadden gegeven. 'De dag zal komen dat we hen uit Duitsland zullen verjagen. Bereid u voor op die dag, wapen uzelf voor die dag… en werk eraan!’ Zelf verkoos Goering een tijdelijk verblijf in het buitenland, als piloot in de Zweedse burgerluchtvaart.
Een maand later, januari 1919, werd de Duitse Arbeiderspartij opgericht, de voorloper van de NSDAP. Als vijfde lid schreef zich ene Adolf Hitler in.
Het jaar 1919 werd vooral gekenmerkt door een bloedige onderdrukking van arbeidersopstanden. Aangezien de betrouwbaarheid van veel onderdelen van de Reichswehr in twijfel werd getrokken, maakte de regering bij voorkeur gebruik van de zogenaamde Freikorpsen, bestaande uit oorlogsveteranen, aangevuld met vrijwilligers. De machtsstrijd begon al op 6 januari met het uitbreken van de Spartakus-opstand. Op die dag stroomden tweehonderdduizend arbeiders, gehoor gevend aan een oproep van de communistische partij en bewapend met vlaggen en geweren, de straten van Berlijn in. In korte tijd werd een groot aantal gebouwen in het centrum van Berlijn bezet en geplunderd, waaronder de redactieburelen van de sociaal-democratische krant Vorwarts. Minister van Defensie Gustav Noske ontvluchtte de stad, om daar pas na enkele dagen terug te keren met de nodige troepen om de opstand neer te slaan. Die troepenmacht werd onder andere gevormd door het vrijkorps van generaal Maercker, de IJzeren Divisie (mariniers) van kapitein Ehrhardt en luitenant Wilhelm Canaris en de korpsen van majoor Stephani en kapitein Waldemar von Pabst, die beide voor een belangrijk deel waren opgebouwd uit voormalige Pruisische garderegimenten.
Op 15 januari werden de belangrijkste leden van het 'revolutionaire comite’ opgepakt, waaronder Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht en Wilhelm Pieck. Diezelfde dag nog werden Luxemburg en Liebknecht 'op de vlucht neergeschoten’ door eenheden van het gardekorps van Von Pabst. Pieck overleefde zijn arrestatie en zou na 1945 de eerste president worden van de DDR.
SOORTGELIJKE OPSTANDEN deden zich het gehele verdere jaar voor in alle delen van het land. In april werd in Beieren de macht overgenomen door communisten van de harde lijn die daarbij de dictatuur van het proletariaat afkondigden. Maar ook aan deze machtsgreep werd een einde gemaakt door troepen van Noske, in samenwerking met het Beierse vrijkorps van Baron Von Epp.
In mei werden de geallieerde eisen bekend voor het af te sluiten vredesverdrag. Deze bleken met name voor de militairen onaanvaardbaar. Het verdrag omvatte onder andere een aanzienlijk verlies van grondgebied, de afschaffing van de generale staf, de krijgsacademie en de kadettenscholen, de inkrimping van het Duitse leger tot een derde van de huidige omvang en een verbod op vliegtuigen, pantserwagens, zware schepen en aanvalswapens.
Terwijl in juni de geallieerden per ultimatum de onvoorwaardelijke ondertekening van het verdrag eisten, beraamde een aantal generaals - onder wie Von Below en Von Luttwitz - plannen voor een hernieuwde confrontatie met de geallieerden. Daarbij zou het westen van Duitsland als buffer worden beschouwd om het oostelijke - vooral Pruisische - deel te kunnen behouden. Tegelijkertijd trachtte generaal Maercker minister van Defensie Noske te overtuigen van de noodzaak van een militaire dictatuur. En andermaal was het generaal Groener die de waanzin van een hernieuwde confrontatie inzag en de regering steunde bij het aanvaarden van de voorwaarden van het verdrag.
Daarmee was het onmiddellijke gevaar van een militaire staatsgreep verdwenen, maar niet de algehele onvrede die onder de oppervlakte voortwoekerde. In een terugblik op deze periode schreef Stefan Zweig in zijn boek De wereld van gisteren: 'Wie deze apocalyptische maanden, deze jaren, zelf vertwijfeld en verbitterd heeft meegemaakt die voelde: hier moest een terugslag komen, een gruwelijke reactie. En glimlachend wachtten op de achtergrond dezelfde lieden die het Duitse volk in deze chaos hadden gedreven, het horloge in de hand: “Hoe erger het met het land gesteld is, hoe beter voor ons.” Ze wisten dat hun uur zou komen. Om Ludendorff nog meer dan om de toen nog machteloze Hitler kristalliseerde zich al heel openlijk de contrarevolutie. De officieren die men de epauletten had afgetrokken, organiseerden zich in geheime verbanden; die kleinburgers die men van hun spaargeld had beroofd, verenigden zich ongemerkt en waren ongezien bereid elk parool te gehoorzamen, als het maar orde beloofde.’
HET VERDRAG VAN Versailles, dat per 1 januari 1920 van kracht zou worden, werd eind juni door de Duitsers ondertekend. Nog geen week later zegde de voorzitter van de Duits-Nationale Volkspartij - de opvolger van de Conservatieve Partij en een bolwerk van de Pruisische Junkers - de regering de wacht aan: 'Alleen een parlementaire regering kon in staat zijn om akkoord te gaan met een dergelijke vrede, die ons niet alleen van ons leven als staat berooft, maar bovendien van onze nationale trots. Wij streven daarom naar een herstel van de monarchie onder de scepter van de Hohenzollerns.’
De reactie organiseerde zich in de Nationale Vereniging onder leiding van onder andere de generaals Von Luttwitz en Von Ludendorff, kolonel Bauer, luitenant Canaris en de immer actieve Wolfgang Kapp. Deze hogere Pruisische bestuursambtenaar had tijdens de oorlog al aan de wieg gestaan van de Vaderlandpartij, die onder aanvoering van grootadmiraal Von Tirpitz had gepleit voor voortzetting van de strijd tot de uiteindelijke overwinning een feit zou zijn. De Nationale Vereniging werd al dan niet heimelijk gesteund door onder andere de Duits-Nationale Volkspartij en de Bond der Landheren - een in Berlijn zeer invloedrijke belangenvereniging van Pruisische grootgrondbezitters.
Het waren dan ook vooral de Junkers die zich het meest in hun bestaan bedreigd voelden door de ontwikkelingen in de Weimarrepubliek. In de persoon van de keizer was ook de koning van Pruisen gevlucht, Versailles had door instelling van de 'Poolse Corridor’ Oost-Pruisen afgesneden van de rest van Duitsland en het nieuwe stelsel van evenredige vertegenwoordiging had in de staat Pruisen de sociaal-democraten aan de macht gebracht. Weliswaar werd de meerderheid van de ambtelijke en militaire top in Weimar nog altijd gevormd door Pruisen, maar deze machtspositie brokkelde met de dag verder af.
De tweede helft van het jaar 1919 gebruikten de samenzweerders om in alle openheid medestanders te zoeken voor hun zaak. Dat geschiedde via lezingen, dagbladartikelen en -advertenties en zelfs via ansichtkaarten. Kolonel Bauer bracht in Nederland een bezoek aan de keizer, die vooralsnog weinig geinteresseerd leek, en kapitein Von Pabst onderhield de contacten met geestverwanten in Beieren, zoals baron Von Epp en Reichswehr-kapitein Ernst Rohm.
HOEWEL KAPP DE TIJD nog lang niet rijp achtte, werden begin maart 1920 de ontwikkelingen in gang gezet toen de regering in het kader van het Verdrag van Versailles het voornemen bekend maakte om enkele vrijkorpsen rond Berlijn - waaronder de Brigade van kapitein Ehrhardt - te ontbinden. Generaal Von Luttwitz weigerde hieraan mee te werken, waarop Noske besloot om Von Luttwitz van zijn bevel te ontheffen en de arrestatie te gelasten van Kapp, Von Pabst en Bauer. De ontwikkelingen leken echter niet meer te keren, want de Brigade van kapitein Ehrhardt was op bevel van Von Luttwitz begonnen met de mars op Berlijn. In de hoofdstad vond een crisisberaad plaats van regering en militair opperbevel, waarbij chef-staf Von Seeckt de opvattingen van de militairen vertolkte: 'Militairen schieten niet op militairen. Is het soms de bedoeling, meneer de minister, dat voor de Brandenburger Poort slag geleverd wordt door soldaten die zij aan zij hebben gevochten tegen een gemeenschappelijke vijand? Wanneer Reichswehr op Reichswehr schiet, is dat het einde van het officierskorps.’
De militairen lieten de politici weinig keus en in de vroege ochtend van 13 maart vertrok een kolonne wagens met alle kabinetsleden in de richting van Dresden. Nog geen uur later, rond zes uur, bereikten de troepen van Ehrhardt de Brandenburger Poort, waar ze werden opgewacht door de generaals Von Luttwitz en Von Ludendorff en een wat overdonderde Wolfgang Kapp.
Terwijl de brigade de stad binnentrok, zongen de soldaten: 'Hakenkruis op stalen helm/ zwart-wit-rode band/ de Brigade Ehrhardt/ worden wij genoemd.’ Jarenlang zou dit lied door Duitsland schallen. Alleen zou dan de derde regel luiden: 'Sturmabteilung Hitler.’
In de dagen die volgden, bleek al gauw dat men ten onrechte was uitgegaan van een massale steun van de bevolking. Integendeel, de arbeiders gaven massaal gehoor aan de oproep van de regering in ballingschap - inmiddels van Dresden naar Stuttgart gereisd - tot een algemene staking. Ook de bijval vanuit het militaire apparaat stelde zeer teleur. Afgezien van de commandanten van de vrijkorpsen werd de regering Kapp-Luttwitz gesteund door Pruisische ijzervreters als Von Lettow-Vorbeck, Von Estorff en Von Schmettow. Openlijk steun weigerde echter de commandant van de zuidelijke legergroep, waardoor tenminste de helft van de Reichswehr ontbrak. Alleen in Beieren wisten de conservatieven de macht te grijpen en een regering in het zadel te helpen van volledig rechtse signatuur.
Het momentum van de putsch ging in enkele dagen verloren. Kapp besloot het einde niet in Duitsland af te wachten en vluchtte op 17 maart per vliegtuig naar Zweden. Stakingen gingen over in gewapend treffen tussen arbeiders en soldaten, waarna ook de muiterijen om zich heen grepen. Bezorgd over deze ontwikkeling dwongen hogere officieren generaal Von Luttwitz tot terugtreden, en daarmee kwam de zo haastig begonnen putsch even plotseling weer aan zijn einde.
De regering keerde terug naar Berlijn, maar durfde vanwege de omstandigheden de samenzweerders niet al te hard te vallen: overal in het land waren opstanden uitgebroken die slechts met hulp van de militairen zouden kunnen worden bedwongen. En hoewel twaalf generaals met verlof werden gestuurd, werden tegen geen van hen juridische stappen ondernomen. Von Luttwitz en Von Pabst vertrokken voor enkele jaren naar het buitenland, Bauer en later ook Ehrhardt doken onder in Beieren. Maar aangezien een vos zijn streken niet verliest, legden deze heren zich daar bepaald niet toe op het verbouwen van spruitjes.
OVER HET BEGIN VAN de jaren twintig schreef Stefan Zweig: 'Er doken zoveel allang weer vergeten namen van agitatoren en putschisten op in het omgewoelde Duitsland van toen, om even snel weer te verdwijnen. Die van kapitein Ehrhardt met zijn Baltische troepen, die van Wolfgang Kapp, die van de veemmoordenaars, van de Beierse communisten, de separatisten in het Rijnland, de aanvoerders van de vrijkorpsen. Honderden van zulke belletjes dreven door elkaar in de algemene gisting, en als ze uit elkaar spatten lieten ze een even vieze stank achter, die duidelijk het onzichtbare rottingsproces in de nog open wonden van Duitsland verried.’
De Kapp-Luttwitz-putsch was de eerste naoorlogse poging om de oude orde te herstellen, en deze mislukte evenzeer als de daarop volgende pogingen: de verschillende plannen voor een militaire machtsovername, het monsterverbond met de nazi’s en de reeks aanslagen op de Fuhrer van het Derde Rijk, culminerend in de bom van Von Stauffenberg en de bloedige nasleep daarvan, bij wijze van boetedoening voor het besmette Pruisische blazoen.
Maar voor het zover was, zocht elk van de putschisten zijn eigen weg. Ehrhardt nam in Munchen de schuilnaam Eichmann (!) aan en richtte de organisatie Consul op, die spoedig verantwoordelijk zou worden gehouden voor een aantal politieke moorden. Bovendien leende Ehrhardt zijn officieren uit voor het opleiden en trainen van de pas opgerichte Sturmabteilung (SA) van Ernst Rohm. Eenheden van Consul werden enige tijd van wapens en geld voorzien door luitenant Canaris, tot deze werd benoemd tot commandant van de kruiser Berlin. Daarop kwam hij in contact met adelborst Reinhard Heydrich, het latere hoofd van Hitlers Sicherheitsdienst. Als admiraal en hoofd van de Abwehr (inlichtingendienst) keerde Canaris zich later tegen de nazi’s, om na de mislukte aanslag van Von Stauffenberg door de strop aan zijn einde te komen.
Von Ludendorff, Rohm en Goering verschenen weer op het toneel in 1923, bij de mislukte Bierhal-Putsch van Hitler. Goering zou het nog brengen tot rijkscommissaris van Pruisen, zoals voormalig vrijkorpscommandant baron Von Epp deze functie in Beieren toegewezen kreeg. Met Rohm liep het al eerder verkeerd af; hij werd vermoord in 1934, tijdens de Nacht van de Lange Messen, toen Hitler de ambities van de SA tot een abrupt einde bracht.