Winkelen in Vinex-land

De stap van barbecue naar braderie moet klein zijn

Niets is zo lastig als het ontwerpen van een winkelcentrum in een nieuwbouwwijk. Ook winkelcentra kennen hun modes. En na zes uur liggen ze er verlaten bij. Geen stedenbouwkundige die daar wat aan kan doen.

Amper dertig jaar na de opening is het winkelcentrum City Plaza van Nieuwegein volledig op de schop gegaan. Je kunt je niet indenken dat zoiets met de Kalverstraat in Amsterdam of zelfs de Lijnbaan in Rotterdam zou kunnen gebeuren. Nieuwegein, ‘gesticht’ in 1971, was toentertijd aangewezen als groeikern voor Utrecht, zoals Purmerend en Heerhugowaard dat voor Amsterdam waren, en Zoetermeer voor Den Haag. Zoals de groeikernen ook groei­stuipen kennen is het begrijpelijk dat ze om de drie decennia grote schoonmaak houden: Zoetermeer knapte zijn stadshart al een paar jaar geleden op. Nieuwegein is er in 2009 mee begonnen.

City Plaza, ontworpen door architect Jan Hoogstad (die vooral bekend is geworden door het ministerie van vrom in Den Haag), was een kind van zijn tijd. Hoogstad bedacht een overdekte passage met lichtblauw als hoofdkleur, in feite een langgerekte straat onderbroken door pleintjes met verhoogde terrassen. Aan de zijkant een uit de kluiten gewassen parkeerveld, want winkelen in een groeikern moet mobilitair gezien comfortabel zijn. Het nieuwe stads­centrum is getekend door Pi de Bruyn, die ervaring heeft opgedaan met de Arena Boulevard in Amsterdam. Het is een Umwertung aller Werte. Binnen is buiten geworden, de binnenstraat is opengegooid en heeft nu als tegenwicht op het parkeerterrein een verdiept amfitheater. Een elegant shopping center noemt de ontwikkelaar Multi Vastgoed dat – de elegantie wordt vermoedelijk gekenmerkt door de gevarieerde hoogbouw in het stadskwartier dat gevuld is met appartementen in een hogere prijsklasse.

Ja, ook winkelcentra kennen hun modes. Overdekt is uit, een mall al helemaal, een ‘gezellige’ winkelstraat met pleinen is in. De koepels kunnen vervangen worden door megaparasols met terrasverwarming. Luifels mogen ook. Als we maar het gevoel hebben buiten te zijn, ook al stortregent het. De ouderwetse winkelstraat appelleert aan de behoefte aan nostalgie, met name in groeikernen/slaapsteden/Vinexwijken waar de historie immers ver te zoeken is. Passages met lichtkoepels zijn vooral grootstedelijke binnenruimtes, terwijl de Vinex-bewoner de buitenlucht prefereert. Daar heeft hij juist zijn woonplek op uitgekozen. De stap van barbecue naar braderie moet klein zijn.

Goed beschouwd bestaan winkelstraten nog maar ruim een eeuw, net zo lang als de eerste warenhuizen. En voetgangersgebieden zijn nog veel jonger – in de Kalverstraat in Amsterdam reden eind jaren zestig nog auto’s. Sinds shopping een vorm van tijdverdrijf is geworden en de auto een stedelijke lastpak is de afgesloten openbare ruimte, gereserveerd voor de consument, een feit. Rem Koolhaas heeft er tien jaar geleden een heus boekwerk aan gewijd, overigens met name gericht op de grootschalige malls in Azië. Die zijn inderdaad onvergelijkbaar met de Europese, laat staan de Nederlandse. Een metropool als Jakarta kent maar liefst 69 enorme overdekte winkelpaleizen, waar airconditioning de bezoeker ter wille is. Daarbij vergeleken zou je de Nederlandse voorziening kneuterig en kleinschalig kunnen noemen. Misschien houden we gewoon niet zo van uitgeven, als je de klachten van economen tegenwoordig hoort als verklaring voor de kwakkelende staat van de staat.

Die kneuterigheid geldt zeker voor de winkelcentra in de Vinexwijken, hoe omvangrijk die ook zijn. Een wandeling van een half uur, dan ben je er wel doorheen, gesteld dat je geen winkels binnenloopt. Niets is zo lastig als het ontwerpen van een winkelcentrum in een nieuwbouwwijk, bekende een vooraanstaande Amsterdamse stedenbouwkundige tegenover mij toen we op IJburg fietsten. Daar staat inderdaad een ongelukkig complex aan de IJburglaan met vaalgele steen en sterk contrasterende witte kozijnen en gevelplaten. Een complex ook dat vecht tegen de winden die over het IJmeer aanwaaien.

Waarom is deze opgave zo moeilijk? Waarschijnlijk houden de meeste stedenbouwkundigen niet van winkelen, vermoedde hij, en anders wonen ze in de oude stad of buiten de stad en moeten dan geforceerd iets bedenken voor ‘de gemiddelde Nederlander’, die meer wil dan louter boodschappen doen. Op een oude, beproefde straat zoals de Kalverstraat kun je terugvallen, dat is een gegeven. Een nieuwe ontmoetingsplek creëren is het moeilijkste wat er is omdat er geen aanknopingspunten zijn en er desondanks behoefte is aan de ontmoeting. Alleen, in de Vinexwijk houdt die ontmoeting na 18.00 uur op, terwijl die aan weerszijden van de Kalverstraat tot diep in de nacht doorgaat. En dan is er nog het probleem van de logistiek (de bevoorrading), maar daarover zo meer.

Vroeger, ja vroeger, toen bestond er een stedenbouwkundige hiërarchie, ook in nieuwbouwwijken. Je bouwde een kerk, je knoopte er een buurtcentrum aan vast, je liet een markt organiseren. Wat is het huidige patroon? Kerken zijn verdwenen of zo anoniem dat ze niet opvallen, en de markt is ingewisseld voor een braderie om de zoveel tijd.

Nu de Vinex-wijken zo goed als gereed zijn, is het interessant te kijken hoe de tegenwoordige kerk, het winkelcentrum, eruitziet. Gij zult shoppen, is per slot van rekening het gebod, anders zou de verveling toeslaan. De Saen in Saendelft (Zaanstreek), Nieuwveen in Vathorst (Amersfoort) en Vleuterweide in Leidsche Rijn (Utrecht) hebben met elkaar gemeen dat de stedenbouwkundigen er alles aan gedaan hebben om een afwisselend centrum te maken, straat, plein, poortje, waterkant, besloten, ruim, alle trucs uit de planologische toverdoos. De overdekte passage is rücksichtslos afgeschaft. De consument moet kunnen dwalen langs puien met uitgestalde waar, moet liefst verdwalen – en dat kan niet in een langgerekte straat met identieke gevels. Flexibiliteit is nu het kernbegrip. Je moet met tussenwanden en kavelbreedtes kunnen schuiven.

De Citadel in Almere gaat het verst in de poging een shoppingdoolhof te zijn. Er zijn op advies van oma (Rem Koolhaas) niveauverschillen aangebracht, met hellingbanen, trappen en verdiepte pleinen, en de architectuur neigt naar kakofonie. Maar het belangrijkste is de notie dat een goed stadshart niet bestaat bij de gratie van winkels alleen. Een bioscoop, bibliotheek of horeca zijn de broodnodige aanvulling op het 10-18-uur-vermaak. Almere’s Citadel heeft niet voor niets tal van prijzen gewonnen, omdat er letterlijk vergezicht is geschapen in een eindeloos polderlandschap. La Promesse – what’s in a name – in Lelystad is net als City Plaza en Citadel een poging tot reparatie van het jaren-tachtigstadshart, maar is minder extreem: gewoon een paar gezellige straten maken zodat je langs de bekende ketens kunt sloffen. Voor exclusiviteit en verrassing moet je overal zijn behalve in de Vinexwijk of groeikern.

Een andere sleutel tot succes is ‘het wonen boven winkels’. In de Citadel is een boventuin te bereiken waar gewone eengezinshuizen gerangschikt staan rondom een bemoste vlakte. Hier vinden we een onverwachte bovenwereld die zich afscheidt van het geroezemoes beneden op straat.

Vleuterweide in Leidsche Rijn werd in 2011 bekroond met de nrw-prijs als het meest aansprekende winkelcentrum, De Saen in Saendelft was in hetzelfde jaar kandidaat. nrw is de overkoepelende organisatie van retail, overheid en vastgoed – je kunt de prijs zien als een thermometer van de stand van zaken. Uit het juryrapport dat Vleuterweide als winnaar aanwees: ‘Een bijzondere mix van ondernemerschap (lokaal en filiaal) ondersteunt het unieke ruimtelijke karakter van winkelcentrum Vleuterweide. Hierdoor is dit centrum niet alleen een prima koopplek, maar ook een attractieve verblijfsplek die kan uitgroeien tot het natuurlijke hart van de wijk!’

Ontwerper van Vleuterweide is de Luxemburgse architect Rob Krier, die zijn nostalgisch stadsidioom in een decennium tijd overal in het Nederlandse stadslandschap heeft gedropt: Brandevoort (Helmond), Velserbroek (bij Heemskerk), een toren in Den Haag, de Meander in Amsterdam: als je als voorbijganger denkt: hé, dat komt me bekend voor, dan is het van de hand van Krier geweest. Krier put dan ook uit oude, om niet te zeggen beproefde, opvattingen over de essentie van een stad. Town Spaces, zijn boek, geldt zo’n beetje als bijbel voor fantasieloze wethouders.

Eerlijk is eerlijk, dat pakt bij Vleuterweide nog niet zo slecht uit, ook al heb je soms het gevoel dat je beurtelings verdwaald bent in Lübeck en in Trento. De Europese stad blinkt volgens Krier uit in een mengeling van compact en weids, van monumentaliteit en intiem. Klassiek aandoende architectuur omringt dus de openbare ruimte terwijl de plas waaraan de grand cafés liggen, zorg draagt voor een eindeloos voor je uitstaren. Dat kan van pas komen als je je huis maar niet verkocht krijgt.

Het slimme van Vleuterweide is dat – net als in Almere – winkels gecombineerd worden met een bibliotheek maar ook met een scholengemeenschap en kunstcentrum. Een toren met glazen bollen is het alternatief voor de vroegere kerktoren. Uit Italië heeft Krier de galerijen geplukt, uit Noord-Duitsland de stoere gevels met hun versierde metselverbanden. Maar het belangrijkste is dat de Leidscherijners kunnen dwalen en verdwalen, alsof ze dat eeuwen zo hebben gedaan.

Ja, de tijd van een modernistische passage is voorbij – die wordt momenteel in Den Haag gerealiseerd als verlengstuk van de laat-negentiende-eeuwse passage. En ja, makkelijk is het niet een eigentijds winkelcentrum te ontwerpen, want in Vleuterweide lukt het niet goed een aansluiting te vinden tussen shoppen en wonen. Je zult maar door een soort kattenluikje de weg moeten vinden van de straat naar Niveau 1. Bevoorrading van de supermarkten conflicteert met rustig woongenot – in feite is een winkel­centrum een noodzakelijk kwaad.

Ten slotte is er het algemene probleem voor elk Vinex-stadshart: geen kok zal er een restaurant willen beginnen, het aantal cafés dat het avontuur aandurft, is gering. Na zessen trekt de bewoner zich terug in zijn gezinshuis. Shoppen is een dagkarwei. En dan liggen het Stadskwartier van Nieuwegein, de Citadel van Almere, De Saen in Saendelft en Vleuterweide in Leidsche Rijn er verlaten bij. Geen stedenbouwkundige die dat probleem kan oplossen, hoe nostalgisch ze dat centrum ook vormgeven.

Bij al dat pessimisme hoort een optimistisch slot: over dertig jaar kan het er allemaal anders uitzien, zie Nieuwegein, Zoetermeer en ook Heerhugowaard.