Vijftigste Kinderboekenweek

De status van het kinderboek

De kinderboekenweek viert haar vijftigste verjaardag. Hoe is in de afgelopen halve eeuw het aanzien van jeugdliteratuur in Nederland veranderd?

Je bent jong en je wilt het liefst op een solexje rijden, buiten op straat rondhangen en stiekem een sigaretje roken, bij vriendjes thuis cola drinken en luisteren naar Screamin’ Jay Hawkins’ blues, bij de buren televisie kijken, of, als je helemaal alleen bent, misschien een strip lezen. Maar zeker geen «goed» boek… De jaren vijftig zijn net begonnen en ouders, overheid, jeugdorganisaties, onderwijsinstellingen en bibliotheekdiensten zijn verontrust: de jeugd verloedert; vervlakking, zedeloosheid en ontlezing dreigen.

Daarom wordt in 1951 een congres georganiseerd over kinderen en lezen, het congres Boek & Jeugd, met als uitkomst dat goede jeugdboeken als wapen moeten dienen in de strijd tegen de verloedering. In 1954 verschijnt het eerste nummer van het verantwoorde kindertijdschrift Kris Kras met oorspronkelijk werk van kunstenaars als Jean Dulieu en Tonke Dragt. En in datzelfde jaar stelt de CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) in de inleiding van het door Annie M.G. Schmidt geschreven essay Van schuitje varen tot Van Schendel: «Heeft het jeugdboek niet een zodanig essen tiële functie bij de opvoeding van het kind, dat de keuze ervan niet aan het toeval overgelaten mag worden?»

Het «goede» jeugdboek wordt gepromoot en boekverkopers en uitgevers zien nieuwe mogelijkheden. Een jaar later, in 1955, organiseert de CPNB, ooit opgericht door brancheorganisaties van boekhandelaren en uitgevers, de eerste kinderboekenweek, met een eigen kinderboekenweekgeschenk en literaire prijs «Kinderboek van het jaar» (later de Gouden Griffel). Nu, met de viering van de gouden kinderboekenweek, laten we een halve eeuw kinderboekenweken achter ons met 61 bekroningen voor 46 auteurs. Er is dit jaar een Griffel der Griffels voor het allermooiste begriffelde kinderboek van de afgelopen vijf decennia en bovendien komt er bij de opening koninklijk bezoek.

Met de eerste kinderboekenweek en bekroning voor Lawines razen van An Rutgers van der Loeff groeide de aandacht voor het kinderboek en daarmee, voorzichtig, de aandacht voor literaire kwaliteiten van kinderboeken. Toch gelden binnen de geschiedenis van de jeugdliteratuur de jaren tachtig pas als het echte begin van de literaire emancipatie van het kinderboek. Toen ontstond ruimte voor experimenten, verbeelding en fantasie. De weg lag vrij voor auteurs als Joke van Leeuwen, Wim Hofman en Toon Tellegen, die kinderboeken van het meest eigenzinnige soort schreven: nieuw, anders, met humoristisch taal gebruik en intrigerende perspectieven.

Volgens Harry Bekkering, universitair docent moderne Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in jeugdliteratuur, ontstond in de jaren tachtig voor het eerst een klimaat waarin ook voor kinderen onderscheid gemaakt werd tussen literatuur en lectuur. Helma van Lierop, de enige hoogleraar kinder- en jeugdliteratuur in Nederland, beschouwt de Gouden Griffel-bekroning van Els Pelgroms Kleine Sofie en Lange Wapper in 1985 als een soort beginpunt van deze literaire emancipatie, volgens haar een van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de jeugdliteratuur van de afgelopen vijftig jaar. Van Lierop: «Jeugdliteratuur is net als literatuur voor volwassenen een combinatie van esthetiek en ethiek, van schoon en goed. Dat betekent overigens geen ontkenning van de specifieke eigenschappen van de jeugdige lezer.»

Toch vinden een heleboel critici dat met de bekroning van Kleine Sofie en Lange Wapper, dat gaat over de doodzieke Sofie die wil weten «wat er in het leven te koop is», juist de jonge lezer werd ontkend. Volgens hen wordt in het poëtische verhaal, dat balanceert op de grens van fantasie, droom en werkelijkheid, op geen enkele manier rekening gehouden met de literaire leescapaciteiten van kinderen.

Is de Gouden Griffel-bekroning in 1985 dan een definitieve reactie en correctie op de allesoverheersende maatschappijkritische houding van de jaren zeventig, het hoogtij van de «kommer en kwel»-boeken en werkgroepen die de noodzakelijkheid van thema’s als gescheiden ouders en homoseksualiteit bepleitten? Of is de esthetische houding ten opzichte van het kinderboek een gevolg van een groeiende wetenschappelijke belangstelling?

Feit is dat wanneer in 1980 de Rijksuniversiteit Leiden de eerste leerstoel kinder- en jeugdliteratuur (destijds verbonden aan de faculteit der sociale wetenschappen) krijgt, de ideologische benadering van kinderboeken voorbij is. De jaren zeventig hebben hun vruchten afgeworpen: de thematische vernieuwing van jeugdboeken lijkt voltooid. Voortaan is de studie van jeugd literatuur voorbehouden aan de wetenschap (vanaf 1998 ondergebracht bij letterkunde) en wordt het kinderboek steeds meer beschouwd als autonoom kunstwerk.

Niet alleen binnen de wetenschap gebeurt dit. Dankzij invloedrijke, gezaghebbende literatuurcritici als Kees Fens en Karel van het Reve, vermaard om hun inzichten in de «hogere» literatuur, ontvangt Annie M.G. Schmidt in 1987 de Constantijn Huygensprijs voor haar oeuvre. In datzelfde jaar roepen eigenzinnige kinderboekrecensenten naast de Griffels, Penselen en Vlag en Wimpels die de CPNB jaarlijks al uitreikt, een extra prijs voor kwalitatief hoogstaande jeugdliteratuur in het leven: de Woutertje Pieterse Prijs. De klemtoon ligt niet langer op jeugd, maar op literatuur.

Blijft de vraag hoeveel van al die Nederlandstalige kinderboeken van na 1955 ook daadwerkelijk literair kunnen worden genoemd. Joke Linders, gepromoveerd op Annie M.G. Schmidt en biograaf, criticus en docent kinder- en jeugdliteratuur, realiseert zich dat dit maar een klein percentage is. Maar ze zegt: «Dat geldt toch zeker ook voor literatuur voor volwassenen? Er is altijd maar een kleine top. Zodra een boek gemeengoed wordt en iedereen erbij kan, verliest het iets van zijn waarde. De enige uitzondering daarop is de klassieker, die maatschappelijke veranderingen en de tand des tijds weet te doorstaan. Oude sprookjes en legenden en werk van auteurs als A.A. Milne, Lewis Carroll, Thomas Mann, Tsjechov, Dostojevski en Cervantes. Op dat niveau hebben wij niet veel te bieden. Theo Thijssen misschien en Annie M.G. Schmidt of Max Velthuijs.»

Wel zegt Linders dat een heleboel kinderboeken niet onderdoen voor veel Nederlandstalige literatuur voor volwassenen. Annie M.G. Schmidt, Paul Biegel, Imme Dros, Joke van Leeuwen, Wim Hofman, Ted van Lieshout, Tonke Dragt en Guus Kuijer laten zich volgens haar gemakkelijk meten met bijvoorbeeld Kees ’t Hart, Thomas Roosenboom of Renate Dorrestein. Kinderboeken als Schmidts Minoes, Biegels De tuinen van Dorr en Dragts De brief voor de koning getuigen van een grote speelsheid in vorm en inhoud, «groter wellicht dan je bij Maarten ’t Hart ooit zult vinden».

Ook Van Lierop kent een groot aantal auteurs die volgens haar net zo zeer literatuur schrijven als bijvoorbeeld Hermans, Reve en Mulisch. De Vlaamse Bart Moeyaert en Anne Provoost bijvoorbeeld, en Imme Dros. Bekkering vult het rijtje topschrijvers tot slot aan met Willem Wilmink en Sjoerd Kuyper. Het zijn auteurs die de laatste vijftien à twintig jaar buitengewoon productief zijn geweest. Een periode waarin ook een vaktijdschrift als Literatuur zonder leeftijd voor het eerst verschijnt, het aantal dubbeltalenten als Wim Hofman en Annemie en Margriet Heymans, die uitblinken in zowel tekts als beeld, toeneemt, en geslaagde grensoverschrijdende literatuur (auteurs die voor volwassenen én kinderen schrijven) door onder anderen Mensje van Keulen en Joke van Leeuwen wordt geschreven.

Inmiddels, vindt Linders, is het hoogtepunt van deze bloeiperiode voorbij. Nog steeds zijn er auteurs die hun grenzen verkennen, maar toch zijn tekenen van verval zichtbaar en ligt het hedendaagse jeugdliteraire landschap er verkaveld bij. «Veel van wat bloeide en groeide is gesneuveld in de strijd om het commerciële gewin», zegt Linders, «en het zijn de makkelijke, toegankelijke boeken van Carry Slee en consorten die de markt beheersen. Uitgevers en boekhandelaren moeten tenslotte ook geld verdienen. En voor bibliotheken en onderwijs loopt het geld alleen maar terug.»

De tekenen van verval zijn echter niet alleen te wijten aan geldgebrek, maar worden ook veroorzaakt door de Nederlandse mentaliteit en houding ten opzichte van het literatuuronderwijs. Binnen het onderwijs is vooral aandacht voor leesbevordering in algemene zin. Iedereen moet goed technisch en begrijpend leren lezen, want wie leest komt hogerop. Het leesplezier van de leerling is daarbij belangrijker dan de kwaliteit van de tekst. De aandacht voor literatuur verdwijnt dus naar de achtergrond.

Anderhalve hoogleraar jeugdliteratuur is niet overdreven veel en ook kent Nederland nog steeds geen goed wetenschappelijk onderzoeksinstituut voor jeugdliteratuur. Daarnaast wordt in de culturele bijlagen van kranten en weekbladen slechts mondjesmaat «het goede kinderboek» besproken. Redacties en recensenten volgen elkaar in keus en oordeel; het gaat vooral om hypes en trends. Het vernieuwende boek van de nog onbekende schrijver blijft onder belicht.

En zo hebben literaire kinderboeken ondanks de vele getalenteerde jeugdboekenauteurs die Nederland kent nog steeds een lage status in het onderwijs en het literaire circuit. Het streven van een aantal wetenschappers en critici om jeugdliteratuur als een volwaardige vorm van literatuur te beschouwen, niet te onderscheiden van literatuur voor volwassenen, blijft misschien een ideaal. Zeker nu binnen de kleine groep die zich bezighoudt met jeugdliteratuur geleidelijk aan verzet groeit tegen de dictatuur van de literaire norm. Dit verzet is voor het eerst duidelijk waarneembaar in 1990, wanneer Anne de Vries, destijds hoofd van Boek & Jeugd, zijn lezing Het verdwijnende kinderboek uitspreekt, waarin hij stelt dat in het toekennen van de Gouden Griffels te weinig rekening wordt gehouden met de literaire mogelijkheden van kinderen. Een heftige polemiek, waarvan het einde nog niet in zicht is, volgt.

Drie partijen bevechten elkaar, met in het midden voorvechters van een gelijkwaardige benadering van literatuur voor volwassenen en kinderen. Enerzijds wordt deze groep vanuit het eigen jeugdliteraire kamp bestreden door degenen die vinden dat de literaire emancipatie van het kinderboek doorslaat. Anderzijds door letterkundigen vanuit het volwassen literaire kamp, die de mening zijn toegedaan dat literatuur voor volwassenen altijd in hoger aanzien dient te staan dan jeugdliteratuur.

In Voor alle leeftijden, een artikel in de Volkskrant van mei vorig jaar, is een uitspraak van Anton Korteweg, directeur van het Haagse Letterkundig museum, illustratief voor de visie op jeugdliteratuur van enkele letterkundigen uit het volwassen literaire kamp: «Ik beschouw literatuur voor kinderen en volwassenen niet als volwaardig, alle discussie daarover ten spijt. In jeugdliteratuur komt ‹de ruimte van het volledige leven›, om met Lucebert te spreken, niet helemaal aan de orde. Dat kan ook niet; kinderen hebben minder kennis en leeservaring. Een kinderboek is, in laatste instantie, geruststellend. Ik kan me voorstellen dat het aanlokkelijk is je daardoor te laten meevoeren. Maar werkelijk literair belangwekkend is dat natuurlijk niet. Echte literatuur is verontrustend.»

Bekkering vindt dat de hele discussie of het betere kinderboek nu wel of niet tot dé literatuur gerekend moet worden wat te ver is doorgeschoten. Hij staat daarin niet alleen en signaleert dat binnen de groep die meer erkenning van het literaire jeugdboek bepleit, behalve het belang van de tekst ook dat van de inhoud en lezer momenteel steeds meer benadrukt wordt. Hij wijst in dit verband op de jurywoorden bij de uitreiking van de laatste Woutertje Pieterse Prijs aan Edward van de Vendel en Fleur van der Weel voor hun gedichtenbundel Superguppie, waaruit blijkt dat in de beoordeling duidelijk rekening is gehouden met wat er op literair gebied mogelijk is voor kinderen: «Goede kinderpoëzie is goed voor kinderen. Meer hoeft ook niet. Het is dus niet noodzakelijk ook goed voor volwassenen. Het moet van een verrassende eenvoud zijn, op de eigen situatie toepasbaar, of toepasbaar te maken, de verbeelding prikkelen en iets onbevangens, speels, eventueel wat meligs, zelfs slaps hebben». Superguppie voldoet aan deze criteria.

Daarnaast noemt Bekkering een kinderboekrecensent als Pjotr van Lenteren (Volkskrant), die «vooral de literaire vertellers onder de kinderboekenauteurs waardeert en kinderboeken op zowel tekst als inhoud beoordeelt». Is dit de nieuwe, idealistische koers van de «jeugdliteraire expeditie» die met de eerste kinderboekenweek in 1955 van start ging? Recensenten die het samengaan van taal, verhaal en kinderen waarderen? Jeugdboekenprijzen die een combinatie van inhoud, vorm en literaire vernieuwing waardig belonen? Het lijkt ook voor de volgende vijftig jaar een nastrevenswaardig doel.

Ondertussen moet niet vergeten worden dat sinds 1955 jeugdliteratuur al een heel traject heeft afgelegd. Alle aandacht voor de bekroonde boeken en hun auteurs rond de kinderboeken weken hebben kinderen aan het lezen gezet en geleid tot discussies, polemiek en professionalisering van de jeugdliteraire kritiek. Zowel inhoudelijke vernieuwing als verkenning van nieuwe literaire vormen hebben de jeugdliteratuur een andere positie gegeven binnen de Nederlandse letteren.