De steak tartare van Rubinstein

Verlaten worden voelt alsof iemand midden in het gesprek de deur dichttrekt, schreef Renate Rubinstein. Voorgoed.

Renate Rubinstein met Peter Vos en Annie M.G. Schmidt tijdens de onthulling van een borstbeeld van Simon Carmiggelt in 1988. © Rob C. Croes (cc)

‘Kloten. Man weg. Koffers gepakt, verdwenen.’ Het zijn de legendarische woorden waarmee columniste Renate Rubinstein in Vrij Nederland het relaas over haar scheiding begon, in 1973, zij het dat deze woorden nooit in het weekblad hebben gestaan. Ze schreef inderdaad in haar wekelijkse column over haar vertrokken man, want natuurlijk, ze kon nergens anders aan denken. Maar haar vrienden rieden haar het publiceren van haar eerste reactie af, die zou te ‘rauw’ zijn, ze zou eerst wat ‘afstand’ moeten krijgen. Dus wachtte ze vijf jaar met het drukken van dit stuk tot de verschijning van haar bundel, Niets te verliezen en toch bang.

De vrienden van Rubinstein hadden waarschijnlijk gelijk, maar die eerste column bleek de beste van allemaal. Hoe rauw is nou eigenlijk te rauw? Misschien is liefdesverdriet juist de steak tartare van de gevoelens, rauw opgediend met een flinke korrel zout. Mijn geliefde is na één jaar vertrokken, niet na tien zoals de hare, en we waren niet getrouwd, en toch is het vreselijk. Dat hij weg is.

Een paar weken geleden maakte hij het zonder pardon en bij heldere hemel uit. Het netwerk van vriendinnen en familieleden nam mij dankbaar weer terug, troostte mij (‘hij was toch nooit geschikt, met zijn minderwaardigheidscomplex’) en voedde mijn angst (‘hij had vast een ander, anders doen mannen zoiets niet.’) De uitleg die hij zelf gaf was weinig coherent, en wat ik ervan onthouden heb is vooral dat hij veel Augustinus aan het lezen was, die iets over aardse verlokkingen schreef. Augustinus droeg ik na een eerstejaarsvak filosofie toch al geen warm hart toe, maar dit slaat alles.

Wat er vooral vreselijk aan is, is dat ik gewend was altijd met elkaar in gesprek te zijn. Ik ben een ouwehoer en hij ook en dat betekende dat we niets onbesproken lieten, dat we onophoudelijk kletsten en roddelden en speechten en fluisterden tegen elkaar. Rubinstein schrijft dat verlaten worden voelt alsof iemand midden in het gesprek de deur dichttrekt en niet meer opendoet. Dat deed mijn geliefde soms letterlijk, als we ruzie hadden, maar dat was niet erg, want ooit moest hij weer tevoorschijn komen, al was het maar om iets te eten. Dat de deur permanent dichtgetrokken is, betekent dat ik nu vooral mezelf heb om tegen te praten, en wie wil dat nou? Belangrijker nog: wat is er nog over van mezelf?

‘Je wordt jezelf in de ogen van een ander. Als die ander niet meer kijkt, ben je jezelf kwijt.’ En zo is het precies, Renate! De eerste keer dat ik weer mijn eigen kamer inliep, nadat hij me de zijne uit had gestuurd in een andere stad, durfde ik me niet naar de roze prinsessenspiegel te keren in de hoek (een reliek uit mijn meisjeskamer). Ik was bang dat ik in de spiegel niemand zou zien, hooguit een trilling, als een luchtspiegeling boven een hete snelweg.

Hoe kut mag je het vinden om verlaten te worden? Rubinstein schrijft: ‘Er bestaat een stilzwijgende afspraak over de hiërarchie van het verdriet. Wat is erg? Concentratiekampen. Kinderangst. Een vader die voor je ogen gefusilleerd wordt. Een zoontje dat in het water valt en verdrinkt. Een echtscheiding? Is niet erg. Een weggelopen man? Dat is al bijna komisch.’

Ja, en het ís ook bijna komisch, al dat verdriet om zomaar een jongen. Genoeg gezwolgen dus, voorlopig. Nog één ding wekte mijn verbazing: je kunt duizend keer over liefdesverdriet lezen, en denken dat je daardoor gewapend bent met een gezonde dosis pessimisme, en toch zeggen al die boeken je werkelijk niets tot het je overkomt. Ik had Niets te verliezen en toch bang al in de zomer gelezen. Hoe kon ik er iets van opnemen, impermeabel als ik was toen alles nog goed zat?

Nu heb ik dus maar opnieuw Rubinstein erbij gepakt, en ik vond meer dan alleen herkenning. Rubinstein scheidde in een tijd dat iedereen dat deed. Waar een verlaten vrouw ooit het ultieme slachtoffer was, zonder een eigen leven of zelfs maar een eigen bron van inkomsten, raakte scheiden in haar tijd net in zwang. ‘Verlaten worden’ werd minder zeldzaam, en niet meer het ergste dat een vrouw kon overkomen.

Nu, bijna vijftig jaar later, is die beweging compleet. De verlaten vrouw, wat of wie is dat nog? In de jaren zeventig kon Rubinstein zichzelf misschien nog openlijk als verlatene beschouwen, maar ‘verlaten worden’ bestaat niet meer. Relaties zijn dynamischer dan dat. Je mag verdriet hebben, maar het is gênant om te geloven in zoiets ouderwets als monogamie. Rubinstein beschouwde verlaten worden als een specifieke hel, de ‘dameshel’, erger nog dan weduwe worden. Wie zou er nu nog van zichzelf durven zeggen dat zij zich in de dameshel bevindt?

Niet alleen het verlaten worden, maar het hele samenzijn is niet meer van deze tijd. Ik merk het zelf ook: er hangt een spruitjeslucht omheen. Zonder geheimzinnig te willen zijn, zei ik zelden hardop ‘mijn vriend’ of, god verhoede, ‘mijn partner’. Ik wilde mensen onbewust in de waan laten dat ik het allemaal zélf kon. Een man die een vrouw heeft, die heeft een kers op zijn taart. Een vrouw die een man heeft, wordt ineens een kers op andermans taart. Die kan het blijkbaar niet alleen.

Nee, natuurlijk geloof ik dat niet echt. En zo binair is de wereld al lang niet meer. Maar wat was ik teleurgesteld als tiener toen ik er achter kwam dat Angela Merkel een man had. Iemand met zoveel autoriteit kon alleen maar een alleenstaande vrouw zijn. Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die dit voelt. Waarom anders spreken vrouwelijke columnisten van een ‘huisgenoot’, ‘het thuisfront’, ‘bij ons thuis’, of ‘De Man’? Om maar niet ‘míjn man’ te hoeven zeggen, en zo een verdoemende, onfeministische afhankelijkheid bloot te geven. Niet om nu over dat ontmenselijkende ‘logeetje’ van Arnon Grunberg te beginnen, maar mannen doen geloof ik sinds jaar en dag liever alsof ze alleenstaand zijn.

Je kunt het niet goed doen. Kiezen tussen cynisme of spruitjeslucht, rauwheid of afstand, het is onmogelijk en schrijven over je liefdesleven maakt hoe dan ook een oordeel los bij de lezer. Als het zo ingewikkeld is om te schrijven over liefde zonder jezelf nodeloos bloot te geven, af te zwakken of anderzijds te saboteren, waarom doen we het dan? Waarom, bijvoorbeeld, schreef Rubinstein jaren later een boek over de verhouding die ze met de getrouwde Simon Carmiggelt had? Dat moet pijnlijk zijn geweest voor zijn kinderen, en zij zette zichzelf ook nog eens publiekelijk neer als homewrecker.

Waarom kon ze het niet laten?

Waarom kan ik het niet laten, of nog een paar maanden wachten tot het niet meer rauw was? Omdat liefde ondanks alles een publiek nodig heeft. Je wil samen op feestjes verschijnen als je verliefd bent, je wil de mensen vragen: zien jullie wel hoe gelukkig wij zijn? En je wil de mensen aanklampen als het weer uit is: zagen jullie hoe mooi het was? En dat het echt was, niet tussen mijn oren zat, en dat hij van mij hield?

Soms denk ik, als twee mensen op een onbewoond eiland terechtkwamen, dat ze er niet eens aan zouden beginnen met elkaar. Dat ze bij gebrek aan publiek zouden denken: laat maar.