De stem van de zwijgende mens

Internet heeft gezorgd voor een sterke toename in de mogelijkheden om je stem te laten horen. Data of ‘tweets’ kunnen ons echter maar in een beperkte mate vertellen wat zeventien miljoen mensen vinden of denken. Dit blijkt niet uit het beeld van het publieke mediadebat waar bepaalde stemmen nauwelijks worden gehoord.

Medium schermafbeelding 2013 07 05 om 12.56.33

Journalisten Bill Kovach en Tom Rosenstiel noemen, naar aanleiding van hun Project of Excellence in Journalism uit 1997, negen leidende principes voor de journalistiek. Eén daarvan luidt: ’It must provide a forum for public criticism and compromise.’ Nieuwsmedia dragen volgens hen de verantwoordelijkheid voor de publieke discussie. Journalisten functioneren daarbij onvermijdelijk als de ‘framers’ van het debat die het publiek voorzien van feiten. Zij moeten daarbij streven naar het zichtbaar maken van de verschillende visies en belangen in de maatschappij en deze in de juiste context plaatsen.

Door de opkomst van het internet - in 2012 beschikte 94 procent van de Nederlandse bevolking over een internetverbinding - zouden journalisten over meer mogelijkheden beschikken om verschillende visies en belangen in de maatschappij zichtbaar te maken. Burgers kunnen bijvoorbeeld via internetpetities of Twitter eenvoudig een probleem onder een groot publiek aankaarten. Daarnaast biedt het internet voor wetenschappers een goede mogelijkheid om onderzoek te doen naar specifieke doelgroepen of zelfs de gehele Nederlandse bevolking. Dit alles gebeurt onder het toeziend oog van verschillende media. Hoe goed benadert het beeld dat nieuwsmedia op basis van de Big Data op internet presenteren aan hun publiek wat 'Nederland’ vindt of denkt?

Diverse wetenschappers uitten begin april in NRC Handelsblad forse kritiek op het opinieonderzoek van Maurice de Hond. Zij hekelden met name het gebrek aan transparantie in de wijze waarop het onderzoek gebeurt. Volgens de Leidse politicoloog Tom Louwerse bestaat er onduidelijkheid over de representativiteit van de opiniepeilingen: wie doen er mee aan de peiling en heeft De Hond daar vat op? Iedereen kan zich via internet aanmelden voor het kiezerspanel Peil.nl van De Hond. Deelnemers moeten daarbij enkele persoonlijkheidskenmerken opgeven zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en de partij waarop ze bij de afgelopen verkiezingen hebben gestemd. Uit dit panel trekt De Hond vervolgens een steekproef die representatief voor de Nederlandse bevolking moet zijn. In een toelichting op het artikel schreef Tom Louwerse: 'Probleem met deze aanpak is dat je niet weet hoe representatief deze groep is voor de hele populatie. Het zogenaamde “herwegen op populatiekarakteristieken” helpt, maar werkt alleen voor kenmerken waarvan we precies weten hoe de populatie eruitziet.’ Zo kan een onderzoeker besluiten om, indien zijn panel voor veertig procent bestaat uit vrouwen, deze groep een zwaardere stem te geven in de analyse. Het panel zou anders geen goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking vormen. Deze methode van het 'herwegen op populatiekarakteristieken’ werkt echter niet zomaar voor politieke voorkeur: wetenschappers weten bijvoorbeeld niet precies hoe een groep VVD-stemmers is samengesteld. Bij zijn analyse legt De Hond dit echter naast zich neer.

Afgezien van de gebruikte meetmethode gaat De Hond ook in zijn analyses voorbij aan een heikel punt. Wekelijks verschijnen op Peil.nl de resultaten van het onderzoek Nieuw Haags Peil, over hoe Nederland zou stemmen indien er op dat moment Tweede-Kamerverkiezingen zouden zijn. Opvallend genoeg vermelden de resultaten elke verschuiving van één zetel, maar hoeveel mensen er überhaupt zouden komen opdagen bij een verkiezing (en hoeveel er thuisblijven) blijft achterwege - hoewel De Hond wél iedere week deze gegevens verzamelt van zijn respondenten. In zijn 34 peilingen sinds de laatste Tweede-Kamerverkiezingen staat alleen in de resultaten van 21 april een percentage genoemd voor de mensen die niet stemmen/niet weten waarop te stemmen. Het zou hier gaan om 35 procent. Ter vergelijking: bij de verkiezingen van vorig jaar besloten ongeveer drie miljoen Nederlanders (24 procent van de kiesgerechtigden) thuis te blijven. De peiling van De Hond stelt dus dat het aantal niet-stemmers in een half jaar tijd met bijna vijftig procent is toegenomen, terwijl de opkomstcijfers in Nederland sinds begin jaren negentig stabiel tussen de 75 en 80 procent liggen.

De niet-stemmers komen in een periode van september 2012 tot en met mei 2013 slechts één keer onder de aandacht in het opinieonderzoek van De Hond, terwijl de vragenlijst van Peil.nl iedere week wel aan respondenten de optie voorlegt om 'niet te stemmen’. Waarom blijven deze gegevens bijna altijd onvermeld als ze er wél zijn en mogelijk zelfs bijzonder relevant kunnen worden genoemd? De Hond was niet bereikbaar om hier commentaar op te geven. Tim de Beer, politiek onderzoeker bij TNS NIPO, legt uit waarom ook zijn onderzoeksbureau op dit moment minder aandacht besteedt aan het opkomstpercentage: 'De omvang van de groep niet-stemmers is buiten de verkiezingen om niet relevant en journalistiek ook niet interessant voor ons, want de peilingen gaan over de grootte van politieke partijen. Wanneer de verkiezingen naderen, besteden we meer aandacht aan hoeveel mensen overwegen om thuis te blijven, en waarom ze dat doen. We besteden in onze analyse dan ook meer aandacht aan deze groep. Bovendien doen we ook geregeld onderzoek naar de motieven van niet-stemmers.’

Overigens gaat het te ver om nu te stellen dat opiniepeilingen helemaal geen waarde zouden hebben. Louwerse: 'Een opiniepeiling bevat voor kiezers waardevolle informatie. Als je geen enkel idee hebt hoe een partij er voor staat, kun je bijvoorbeeld niet strategisch gaan stemmen.’ De waarde van peilingen ligt volgens hem in het tonen van een trend over een langere termijn. Journalisten moeten dan wel goed beseffen hoe zij met 'losse’ peilingen moeten omgaan. 'Ze vermelden nu vaak geen foutmarges en focussen in hun berichtgeving heel erg op verschuivingen van één of twee zetels. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen kopte de Volkskrant “Obama in de lift” omdat uit een peiling zou blijken dat de steun voor hem met één procent was gestegen. Daaronder stond dat de peiling een foutmarge heeft van vier procent. In dat geval klopt de kop van het artikel dus niet meer.’

Een recent voorbeeld van de werkwijze waarop Louwerse doelt, vormt de berichtgeving rondom de groei van de PVV. Op zondag 24 maart opent Nu.nl, evenals de nieuwssites van Volkskrant, Trouw, Algemeen Dagblad en de NOS, met De Honds constatering dat de PVV in zijn peiling de grootste partij van Nederland is. De globale opzet van het onderzoek wordt wel besproken, maar een opmerking over een mogelijk vertekend beeld dat de peiling geeft, ontbreekt. Tenslotte hadden opiniepeilers in het verleden grote moeite met voorspellingen over het aantal stemmers op de PVV. Zo voorspelde De Hond in 2006 vijf Tweede-Kamerzetels voor de PVV (uiteindelijk 9), 15 tot 21 in 2010 (uiteindelijk 24) en 18 in 2012 (uiteindelijk 15).

De manier waarop onder andere Nu.nl bericht over opiniepeilingen typeert een veelgebruikte mediawerkwijze in twee opzichten. Allereerst blijft de berichtgeving over de statistiek achter een kop als 'PVV grootste partij van Nederland’ vaak oppervlakkig. Ten tweede toont het goed hoe de journalistieke focus werkt: wie iets zegt, krijgt eerder de spotlights op zich gericht. Wie zwijgt, blijft in de schaduw van het debat staan.

Op zichzelf is het geen ramp als een opiniepeiling geen perfecte weergave vormt van de (veranderde) keizersvoorkeuren in Nederland. Onderzoekers proberen immers, met behulp van de statistiek, een uitspraak te doen over een groep mensen, maar zij moeten altijd rekening houden met de rol van het toeval. Wanneer diezelfde opiniepeiling echter leidend wordt in het publiek debat, in de stroom aan media-items waar de meningen van deskundigen en burgers bijeenkomen, kan de kanttekening over de niet-stemmers niet verdwijnen. Anders krijgt het publiek geen goed zicht op de verschillende visies en belangen in de maatschappij.

Ook op andere onderwerpen kun je op z'n minst een vraagteken plaatsen bij hoe dicht het beeld dat nieuwsmedia schetsen bij de werkelijkheid staat. Treffend in dit verband is Koen Haegens’ constatering (in De Groene Amsterdammer van 10 april) dat in Nederland helemaal niet gesproken kan worden van een generatiekloof. Media zouden het eerder gebruiken als een bruikbaar frame, als een zwart-wit-tegenstelling. Arbeidseconoom Ronald Dekker stelt in datzelfde artikel: 'Het intellectuele debat over de arbeidsmarkt wordt gevoerd door een kleine subgroep. Een elite. Maar die is niet maatgevend voor wat er op de arbeidsmarkt als geheel gebeurt.’

Een elite die een discussie voert en waardoor een beeld naar voren komt dat niet maatgevend mag worden genoemd voor wat er werkelijk gebeurt - dit kan ook in het achterhoofd worden gehouden bij journalistieke berichtgeving over 'trending topics’ op Twitter. Sebastiaan van der Lubben, docent internetjournalistiek aan de Universiteit Leiden, vindt dat er op dit moment geen goede balans is in de journalistieke berichtgeving tussen onderwerpen waarmee twitteraars en niet-twitteraars zich bezighouden. 'Ik denk dat we veel te veel aandacht aan de Twitter-realiteit geven. Ik vermoed dat we daardoor onderwerpen missen. Ook missen we mensen zonder Twitter of uit niet-westerse gebieden en talen.’

Sinds 2010 doet het consultancybureau NewCom Research & Consultancy jaarlijks onderzoek naar het gebruik van sociale media in ons land. Uit het onderzoek van 2013 bleek dat 3,3 miljoen Nederlanders een Twitter-account hebben; 1,6 miljoen mensen maken daadwerkelijk dagelijks gebruik van het medium. Van der Lubben vermoedt dat vooral hoogopgeleide, politiek geïnteresseerden op Twitter zitten. 'De actieve burgerij, zou je kunnen zeggen, maar dat is vooral gebaseerd op eigen ervaring.’ Volgens Van der Lubben gaan representativiteit en Twitter daarom slecht samen. 'Representativiteit is er al niet als we alleen maar meningen vragen aan mensen die online zijn; je mist te veel mensen die niet online zijn. Is dat erg? Dat hangt af van hetgeen je met de uitslag gaat doen.’

Er is nog een ander argument waarom Twitter absoluut niet de stemming in een land kan weergeven: het algoritme dat bepaalt welke onderwerpen verschijnen in de lijst van 'trending topics’, is geheim. Van der Lubben: 'Twitter selecteert zelf dus ook. Er bestaat geen objectieve maatstaf voor een trend, behalve de algoritmen van Twitter zelf. Er is daarmee dus sprake van een bias.’ Het totaal aantal mensen dat over een onderwerp twittert, weegt bijvoorbeeld zwaarder mee dan het totale aantal berichten. Bovendien kijkt Twitter of een onderwerp nieuw is: als het eerder al een trending topic was, kan het dat alleen opnieuw worden als nieuwe mensen erover gaan twitteren.

Daarmee rijst de vraag in hoeverre journalisten hun aandacht voor Twitter kunnen verantwoorden; in hoeverre is een 'trending topic’ maatgevend voor wat zeventien miljoen Nederlanders bezighoudt? Als op zondagmiddag #HerTwe (Heracles Almelo - FC Twente) 'trending’ is op Twitter gaat er doorgaans niet extra media-aandacht naar deze voetbalwedstrijd. Om welke redenen valt een kop als 'Nederland in de ban van de bultrug. #JohannesRIP tot #wateenland’ - zoals NRC.nl op 16 december schreef - dan wel te rechtvaardigen? Mensen met een mening over de aangespoelde bultrug kunnen die via Twitter kwijt, maar mensen die het niets interesseert, beschikken helemaal niet over zo'n stemmogelijkheid. Zij zwijgen en blijven daardoor onhoorbaar.

Twitteraars en opiniepeilers krijgen dankzij verschillende media een podium. De vraag rijst of zij maatgevend zijn voor wat er in Nederland als geheel speelt. Daarvoor is het ook van belang om stil te staan bij de mensen met een minder hoorbare stem in een publiek mediadebat, van wie op internet minder data in de vorm van tweets of opinieonderzoek voor het oprapen ligt. Wat is hun verhaal en voor hoeveel mensen geldt het belang in dit verhaal? Alleen zo kunnen media functioneren als een forum van publieke discussie waar diverse belangen in de maatschappij gehoord worden.