HET NEDERLANDS FILM FESTIVAL

De stem van het volk

In 1928 vroeg Menno ter Braak zich af wat de verhouding is tussen film en de ‘gemeenschap’. Die kwestie blijkt nu, op het Nederlands Film Festival, opnieuw actueel. Bijvoorbeeld in nieuw werk van Westdijk en Terstall.

TWEE NIEUWE FILMS, de ene slecht, de andere goed, weerspiegelen het psychologische en culturele leven van Nederland anno nu. In de eerste film, Het echte leven van Robert Jan Westdijk, overheerst de zucht naar iets van echte waarde, iets tastbaars, vergelijkbaar met een boer die een vrouw zoekt in de gelijknamige televisieserie; in de tweede film, Vox populi van Eddy Terstall, komt de heersende politieke moraal aan bod in de vorm van een meesterlijke satire met als ijkpunt een eigen culture war, naar Amerikaans voorbeeld, namelijk een strijd tussen conservatief en progressief, tussen culturele elite en volk, waarbij de grenzen tussen deze polen volledig vloeibaar blijken.
Deze twee films, die in première gaan op het Nederlands Film Festival, laten eens te meer zie hoe levendig het klimaat is voor het maken van eigen filmproducties, ondanks het eeuwige geroep om meer geld. Waar niemand omheen kan, is dat hier véél films worden gemaakt, zeker voor een klein land en een relatief klein taalgebied. En sommige van die films zijn ook nog erg goed. Maar minder duidelijk is waarom precies de meeste van deze producties het licht zien, afgezien van het feit dat er geld voor beschikbaar is, en wat wij kijkers vervolgens met die werken doen. Uit welke maatschappelijke onderstroom vloeit een speelfilm voort en sorteert zo’n werk effecten in de samenleving?
Wie dezelfde vragen in Amerika stelt, vindt snel antwoorden. Neem de culture war, de ideologische strijd tussen ruwweg links en rechts die altijd onderhuids aanwezig is in het politieke en maatschappelijke discours over thema’s als drugs, euthanasie, abortus, seks en religie. Nergens, ook niet in de nieuwsmedia, zijn deze onderwerpen levendiger zichtbaar dan in films en televisieprogramma’s. Zo bezien komt film dicht bij datgene wat Menno ter Braak ‘gemeenschapskunst’ noemt in zijn essays over film, gebundeld onder de titel Cinema Militans (1929). Hij schrijft: ‘De film ontleent zijn waarde voor een “gemeenschap” niet aan het feit van zijn nieuwe uitdrukkingsmogelijkheid, maar aan het al dan niet in betrekking staan van de verbeelde inhoud tot een “gemeenschap”.’ Voor Ter Braak was de Russische film, bijvoorbeeld het werk van Sergei Eisenstein, ‘zuivere gemeenschapskunst’, omdat hij ‘opereert met symbolen die een gemeenschap raken (revolutie, massabeweging, collectieve emotie)’. Vervolgens stelt Ter Braak dat de Europese film het tegendeel van gemeenschapskunst is. Hier is het oog van de kunstenaar eerder cruciaal, waardoor de filmkunst ‘noodzakelijkerwijs individualistisch’ is. Als de Europese cinema al iets ‘massaals’ en ‘groots’ onderneemt, dan is dat een mislukking, waar Fritz Langs Metropolis (1927) een voorbeeld van is. Ter Braak schrijft: ‘Wij hebben geen collectieve inhouden; wat willen wij met een gemeenschapsfilm?’
Helemaal moeilijk wordt het als ‘de Hollander’ in het spel komt. Ook al wordt die wekelijks overspoeld met nieuwe producten, constateert Ter Braak, ‘de Hollander’ heeft aan de ‘oude Muzen’ meer dan genoeg. Hij heeft een onaantastbare eerbied voor klassieke, gerenommeerde kunstvormen. Voor de Hollander, voor de Europeaan, is film iets terzijde. ‘Laten zij liever om Chaplin lachen, dan dat zij hem met alle geweld als de tragische mens van deze tijd willen zien.’ Echte filmkunst, daar weten de Russen raad mee, die ‘gemeenschapstendenzen met persoonlijke middelen verwerkelijkt’.
In 2008 problematiseert een blik op het festivalprogramma in Utrecht het idee van de Europese, de Nederlandse, film als het ‘tegendeel’ van gemeenschapskunst. Want ‘de Hollander’ van nu wil juist niets liever dan de gemeenschapsfilm, ‘de Hollander’ van nu weet heel goed dat Chaplin juist dát was: de tragische mens. Want na meer dan honderd jaar is cinema net als in Amerika óók in Europa een massaproduct geworden, een uiting van collectieve emotie, een kristallisatie van tendensen in de samenleving, een reflectie van de maatschappij. Film heeft een functie, en hoe Nederlanders films gebruiken, is dezelfde vraag als waarom die films in eerste instantie worden gemaakt. Is bijvoorbeeld Mijke de Jongs nieuwste film Het zusje van Katia ‘nodig’? Zo niet, en gaat het om l’art pour l’art, wat heel goed mogelijk is, dan rijst de vraag waar dat artistieke dan in zit. En het antwoord is: nergens. Het is een saaie, deprimerende film met geen spanningsboog en geen karakterontwikkeling. Het verhaal is gesitueerd in Amsterdam-Noord, waar de dertienjarige hoofdpersoon (Betty Qizmolli) samen met haar Russische moeder (Olga Louzgina), die in de prostitutie zit, en haar oudere zus Katia (Julia Seijkens) in een troosteloze flat woont. De Jong redt haar film nog enigszins door de camera dicht bij het zusje te houden, zodat de kijker de wereld, de verhaalwerkelijkheid, vanuit haar perspectief beleeft. Dat is knap. Maar het gebrek aan zin, nut, spanning, thema, effect – dat nekt dit werk. De vraag waarom de film werd gemaakt, blijft derhalve onbeantwoord.

Zingeving in de cinema is een belangrijk thema in Ter Braaks essays. Hij zegt bijvoorbeeld dat film als ‘gemeenschapskunst’ niet door iedereen kan worden gemaakt. Wie film op deze manier wil bestempelen, beschouwt cinema als ‘gemeenschapskunst naar de vorm’, en dat is volgens Ter Braak ‘óf een illusie, óf onzin van demagogen, óf een welluidend woord voor algemeen dilettantisme’. Je vraagt je af wat Ter Braak zou hebben gedacht van de digitale revolutie, waardoor iedereen in staat is een speelfilm te maken, en van films in de camcorderstijl van Robert Jan Westdijks Zusje (1995). Na de flop Phileine zegt sorry (2003) is hij nu terug met een heuse openingsfilm in Utrecht: Het echte leven, waarin een regisseur (Ramsey Nasr) een spelletje speelt met zijn minnares (Salie Harmsen), die tevens de hoofdrol vertolkt, door haar te vragen verliefd te worden op iemand anders. Dat wordt een crewlid, ene Dirk, die min of meer per ongeluk de rol krijgt, bijna alsof het gaat om een reality-show als Boer zoekt vrouw.
Het echte leven is om diverse redenen niet geslaagd, waarvan het twijfelachtige acteerwerk nog het meest in het oog springt. Ook komt de wijze waarop Westdijk de grenzen tussen feit en fictie verkent gedateerd over. Alex van Warmerdam deed bijvoorbeeld een jaar geleden precies hetzelfde met Ober, en dát is een sublieme film geworden. En toch laat Het echte leven iets zien, namelijk de neiging naar ‘reality’, naar het afbreken van de muren van fictie, zodat er iets concreets overblijft, iets waarin kijkers zich kunnen vastbijten, iets wat hun leven weerspiegelt. En daar zit het ’m in: Westdijks film is vorm en nog eens vorm. Dat raakt weer de kern van Menno ter Braaks betoog: ‘Film heeft alleen betekenis voorzover er sprake is van inhoud; wie over film als vorm spreekt, raakt onvermijdelijk in het moeras.’
Vorm is bij Eddy Terstall een bijkomstigheid. Het is alsof deze regisseur zich in zijn jacht naar een maatschappelijke en politieke werkelijkheid niet kan veroorloven postmodernistisch te mijmeren over ‘feit’ en ‘fictie’. Dat geeft zijn werk een dringende kwaliteit, ook zijn nieuwste film, Vox populi. Het is een sublieme politieke satire, die na Simon (2004) en Sextet (2007) het sluitstuk vormt van zijn trilogie over de sociale, seksuele en politieke moraal van Nederland aan het begin van de nieuwe eeuw. Vox populi is Terstalls beste film, verreweg. De regie is intelligent en gedreven, het spel van de meeste acteurs is een openbaring. Maar bovenal proef je, op z’n Amerikaans (én op z’n Ter Braaks), aan alles de inhoud, de dringende maatschappelijke reflectie. Vox populi is het werk van een slimme, bezeten, gedreven filmmaker.
Tom Jansen speelt de rol van de Hans van Mierlo-kloon Jos Franken, leider van de linkse partij Rood-Groen, die door de relatie van zijn dochter (Tara Elders) met haar vriendje (Johnny de Mol), voor het eerst in zijn leven in contact komt met ‘het volk’. Voorzichtig, prachtig, kondigt Tara dat aan: ‘Ik heb een vriendje. Van de straat.’ De ‘straat’ als utopie, de verleiding van ‘de straat’: dat breng een Damascus-ervaring teweeg bij Jansen, die vervolgens als een steen valt voor de charme van het sportpak, de barbecue, gepermanent haar, gouden kettingen, Radio 100%nl, de tatoeage, en bovenal voor rauwe uitspraken over ‘buitenlanders’. Als herboren verwerkt Jansen deze ervaringen in zijn politieke leven, waarmee hij succes oogst. Hierin haalt hij zelfs het rechtse Hup Holland Hup rechts in. Binnen de kortste keren klinkt: ‘De islam is achterlijk.’ En voor Jansen het weet, is het beveiliging voor en achter en staat het land op z’n kop. Erg is dat overigens niet; hij heeft een schat van een assistente, mooi gespeeld door Esmarel Gasman, met wie hij graag het bed deelt.
Vox populi is satire, fictie dus, en meesterlijk is hoe Terstall de werkelijkheid toch constant laat doorschemeren. In zijn bizarre figuren vallen ze allemaal te herkennen: Geert Wilders, Mark Rutte, Mei Li Vos, Femke Halsema, Jan Marijnissen en Tineke Huizinga-Heringa. Terstall laat zien dat politiek een opportunistisch spel is, gedreven door ‘hormonen’, zoals hij eerder aangaf in een interview, waarbij de term ‘moraal’ dus nog het best ironisch valt te gebruiken. En toch, dat is Nederland, een land met een vloeibare grens tussen elite en volk, maar waarin desondanks een eigen cultuuroorlog aan het groeien is rond religie, vredesmissies, vrijheid van meningsuiting, vreemdelingenhaat en culturele identiteit. Zo is het toch een land met inhoud, om met Ter Braak te spreken, zodat in ieder geval de omstandigheden ideaal zijn voor het idee van film als ‘gemeenschapskunst’. Hij schrijft ook: ‘Men moet zich niet in een besloten cercle opsluiten (…), en men moet zich niet aan de wijde gemeenschap overgeven, tenzij de inhoud dier gemeenschap de moeite waard is.’ Dat is de crux: wat is een politicus anders dan een filmmaker, en andersom? Een ‘maker’ die luistert naar de stem van het volk en die de dromen en angsten van dat volk op een breed podium vertolkt. Films maken en politiek bedrijven – beide zijn een spannend spel, een fijn spel. En hachelijk. Iemand zegt in Vox populi: ‘Het volk is gek en gevaarlijk, daar mag je nooit naar luisteren.’ Tenzij, zei Ter Braak in 1928, dat volk het verdient te worden gehoord.

Het Nederlands Film Festival, van 24 september tot 3 oktober te Utrecht. George Sluizer zal dit jaar de Cinema Militans-lezing geven en voortborduren op Ter Braaks thema’s