Britse verkiezingen

De stemming in de Midlands ‘Ik probeer niet te stemmen’

Wie 12 december de Britse verkiezingen wint, wordt vooral bepaald in de kleinere left behind towns waar het nog alle kanten op kan. Zoals in het voormalige staalstadje Corby in de Engelse Midlands.

Plekken als Corby zijn politiek thuisloos geworden; hier worden de aankomende verkiezingen beslist © Christopher Furlong / Getty Images

De Britse verkiezingen van 12 december zijn wellicht de belangrijkste in een generatie, maar in het stadje Corby in de East Midlands van Engeland is daar nog weinig van te merken. Het is donderdagmiddag en het is druk in de pub. Kroegen als de Candle en de Phoenix zijn overblijfsels van de staalindustrie die hier ooit overheerste. De namen verwijzen naar het enorme vuur, van heinde en verre te zien, dat dag en nacht de gassen verbrandde die vrijkwamen bij de staalproductie.

Het vuur verdween, maar de kroegen zijn er nog. In het weekend vertonen ze rugby en voetbal, doordeweeks paardenrennen. Veel mannen (het zijn bijna alleen maar mannen) lopen rond met een wedstrookje in de ene hand en een biertje in de andere. Politiek? Ja, ze willen best praten over de politiek. Een van de vaste gasten verklaart dat hij Boris Johnson dood zou maken als hij de kans kreeg. Stemt u nog? vraag ik. ‘Ik probeer het niet te doen.’

Corby staat te boek als een bellwether seat. Het kiesdistrict bestaat sinds 1981. In al die tijd heeft niemand ooit de landelijke verkiezingen gewonnen zonder Corby te winnen. Inwoners identificeren Corby zonder twijfel als een linkse plek, maar de meerderheid stemde bij de meest recente verkiezingen toch Conservatief. Die verschuiving is exemplarisch voor de postindustriële steden en dorpen van Engeland en Wales. Deze plekken passen niet bij de grootstedelijke remain-partij van Jeremy Corbyn, maar ook niet bij de vrije-marktaanhangers van de Conservatieve Partij. Plekken als Corby, de zogenoemde left behind towns, zijn politiek thuisloos geworden. De Conservatieven hopen op een historische overwinning in deze gebieden. De Labourpartij vreest de wraak van het achterland. Hier, in deze dorpen en kleinere steden, worden de aankomende verkiezingen beslist.

Corby is gebouwd op staal. In 1932, tijdens de Grote Depressie, begon het staalbedrijf Stewarts & Lloyds aan de bouw van een fabriek. Plotsklaps werd het dorpje een industrieel centrum. Elders in Groot-Brittannië werden staalwerkers juist ontslagen en zij begaven zich massaal naar Corby. Inwoners vertellen graag over hun vaders en grootvaders die naar Corby zijn gelopen, soms helemaal vanuit Schotland (zo’n 550 kilometer). Ze sliepen in de berm en liepen hun voeten stuk. In latere jaren kwamen ze met de trein, maar ze bleven komen. De wereldwijde vraag naar staal maakte van Corby een levendig industriestadje, met een wildgroei aan kroegen en clubs en een sterke vakbond.

‘De vader van mijn moeder is te voet gekomen, op zoek naar werk’, zegt Lorraine Dziarkowska. ‘Een generatie later kwam mijn vader vanuit Polen om dezelfde reden hierheen. Zo is Corby altijd geweest: een mengelmoes van hardwerkende mensen.’

In 1979 verdween de staalindustrie even plotseling als ze gekomen was. De regering van Margaret Thatcher besloot tot een harde sanering. British Steel, waar de helft van alle arbeiders in de gemeente in dienst was, sloot zijn deuren in Corby. Stakingen, demonstraties en een mars naar Londen mochten niet baten. Ook inwoners die in 1979 nog niet geboren waren spreken levendig over het grote verlies, in dit plaatsje waar alles terugverwijst naar staal. De fabriek is inmiddels al ruim een generatie verdwenen. Maar de structuren die om de staalproductie heen zijn gebouwd, zoals de kroegen, de omgangsvormen en de trouw aan de Labourpartij, doen er veel langer over om te verdwijnen. De academica Sherry Lee Linkon noemt dat ‘the half-life of deindustrialisation’.

Sommigen vreesden dat Corby een spookstadje zou worden, maar er is veel leven op straat. Op een koude woensdagochtend fiets ik door het centrum, langs de modeketens en de Poolse winkeltjes. Corby is tegenwoordig een stadje van bijna zeventigduizend inwoners, ongeveer even groot als Assen of Bergen op Zoom. Het is bingo-ochtend in het buurthuis. Vorige week hebben de bingospelers bezoek gehad van Beth Miller, de Labour-kandidaat voor het kiesdistrict.

‘Beth is fantastisch’, zegt Patsy Smyth. ‘Een echte lokale kandidaat, die geeft om lokale mensen. Ik heb nog in de klas gezeten met haar oom.’ Maar ze weet nog niet wat ze gaat stemmen. ‘Ik heb geen enkel probleem met de partij, maar wel met die man.’ Die. Man. Ze spuugt de woorden uit. Haar zwager kijkt me vermoeid aan en schudt zijn hoofd. ‘Dat is allemaal framing van de media. Het is karaktermoord op Jeremy Corbyn.’ Maar Patsy laat zich niet zomaar overreden. ‘Ik heb mijn hele leven Labour gestemd, maar ik weet gewoon niet wat hij met ons land zou doen.’

Afgelopen juli beklom Boris Johnson het podium in Manchester voor een van zijn eerste en belangrijkste toespraken als prime minister. ‘We gaan luisteren naar de plekken die zijn achtergelaten. Voor sommigen zal het als een verrassing komen, maar niet iedereen wil wonen in een van onze fantastische steden.’ Gelach in de zaal. ‘Te veel plaatsen – kleine steden en kustgemeenten – hebben niet het gevoel dat ze meeprofiteren van de groei die we elders in de economie zien.’ Ter plekke beloofde Johnson miljoenen aan subsidies. ‘Onze stadjes hebben een trots en mooi verleden, maar een nog mooiere toekomst.’

Experts verwachten dat de Conservatieven zetels zullen verliezen in het zuiden van Engeland en in Schotland, waar Johnsons harde Brexit-standpunt kiezers afschrikt. The Guardian schat in dat Johnson elders dertig zetels zal moeten veroveren als hij een absolute meerderheid wil behalen in het parlement, extra zetels die zijn voorganger Theresa May verloor. Waar moeten die dertig zetels vandaan komen? De strategen van de Conservatieve Partij hebben hun oog laten vallen op kleine steden en grote dorpen in het noorden en het midden van Engeland. Kiesdistricten als Corby, die al eerder blauw kleurden, lieten de partij zien dat het wel degelijk mogelijk is om economisch linkse kiezers over te halen. Waar de partij meer liberale kiezers kwijtraakt, hoopt ze genoeg linkse Brexit-stemmers mee te krijgen om de verliezen te compenseren.

In Corby stemde in 2016 meer dan 66 procent voor leave. Bij de Europese verkiezingen eerder dit jaar kreeg de Brexit Partij van Nigel Farage bijna evenveel stemmen als Labour, de Conservatieven en de Liberaal-Democraten bij elkaar. Sean O’Connell is een van de linkse Brexit-stemmers waar de Conservatieven op hopen te kunnen rekenen. ‘Ik kan er gewoon niet bij dat we nog steeds in de EU zitten’, zegt hij. Hij stemde leave tegen bemoeienis vanuit Brussel en tegen vrij verkeer van personen. ‘Tijdens de crisis kwam ik erachter hoe ontzettend veel Polen er naar deze regio zijn gekomen.’ O’Connell had een goede baan als granietbewerker in de bouw. Maar na 2008 raakte de bouw in het slop. Hij kwam terecht in uitzendwerk, via een van de vele uitzendbureaus die vanuit Corby opereren. ‘Die Poolse jongens, die werken voor helemaal niets. Het uitzendbureau huurde ons in voor een hongerloon en dan nog moest ik elke dag opbellen om te bedelen om werk.’

Op O’Connells verzoek zitten we in een greasy spoon, een traditioneel café waar de hele dag vette Engelse kost wordt geserveerd. Hij bekijkt de menukaart. Tussen zijn middelvinger en ringvinger loopt een lang, vervaagd litteken. Labour hoopt mensen als O’Connell te bereiken met een radicaal partijprogramma dat belooft nul-urencontracten af te schaffen, het minimumloon te verhogen en de spoorwegen te nationaliseren. Maar O’Connell wil er niks van horen.

‘Corby is altijd een mengelmoes van hardwerkende mensen geweest’

Je zou verwachten dat hij enthousiast zou zijn over Labours voorstel om slechte werkgevers aan te pakken, zeg ik. Waarom met de vinger wijzen naar Poolse immigranten als je ook het hele systeem van uitzendwerk direct kunt aanpakken? O’Connell schudt zijn hoofd. ‘En voor Corbyn stemmen? Die landverrader?’ Het feit dat Jeremy Corbyn in de jaren tachtig en negentig banden onderhield met Ierse separatisten is voor hem – en voor vele anderen – simpelweg onacceptabel. Maar ook zonder Corbyn zou O’Connell niet snel meer op de partij stemmen. Corbyns beloftes zijn leuk en aardig, maar hij gelooft simpelweg niet dat er iets van terechtkomt. ‘Labour is dertien jaar aan de macht geweest. Als ze ooit iets aan de nul-urencontracten wilden doen, hadden ze dat wel gedaan.’

Via het uitzendbureau kwam O’Connell uiteindelijk terecht bij een houtbewerkingsbedrijf. Het was zwaar, gevaarlijk en slecht betaald werk. De onderkant van de arbeidsmarkt. ‘We droegen tuinhandschoenen. Dat was wat we hadden gekregen ter bescherming, tuinhandschoenen.’ Veiligheidsprotocollen waren er amper en de zaagmachine was verouderd. Terwijl O’Connell de zaag in een nieuwe stronk zette, verschoof het onderstel. Zijn mouw raakte verstrikt in het machinewerk en trok zijn hand de tanden van de zaag in. De zaag sneed zijn hand in tweeën. Met een arm gewikkeld in toiletpapier reed hij naar het ziekenhuis, terwijl een collega voor hem schakelde. ‘Het uitzendbureau en de fabriek ontkenden alle schuld. Ik hoorde later van collega’s dat ze me binnen twee uur hadden vervangen.’

© Christopher Furlong / Getty Images

In een café in de oude dorpsstraat staat een aantal instrumenten, een versterker en een microfoon opgesteld. Een ‘For the Many, Not the Few’-bordje leunt tegen het drumstel. Vanavond organiseert een groep twintigers uit Corby een muziekavond die tevens fungeert als campagnebijeenkomst voor Labour. De band speelt eigen werk, waaronder publieksfavorieten als ‘Tories oprotten’ en ‘In de rij voor de voedselbank’.

Tussen de nummers door praat ik met Labour-kandidaat Beth Miller, die een korte speech komt geven. Het is moeilijk om de uitslag te voorspellen, zegt ze, omdat zoveel mensen nog in dubio zijn. Ze heeft wel een voordeel ten opzichte van haar Conservatieve rivaal: een klein leger jonge, enthousiaste vrijwilligers die de deuren langsgaan om de twijfelaars over te halen. De meeste zetelprojecties op basis van peilingen hebben een ingebouwde aanname dat jonge mensen weinig stemmen. Als jongeren wel massaal naar de stembus gaan, zou de verkiezingsuitslag verrassend kunnen uitpakken. Een van de muzikanten pakt haar akoestische gitaar en leunt naar de microfoon. ‘Het volgende nummer heet “Partijprogramma”.’

Het gemeentebestuur probeert al jaren om jonge, hoogopgeleide mensen aan Corby te binden, vooralsnog met beperkt succes. Wel heeft de gemeente effectief het imago van Corby weten te veranderen. In 2017 won het stadje de Great Town Award van de Academy of Urbanism. De Daily Mail, The Economist en de bbc maakten reportages over de plek die als een feniks uit de as was herrezen. ‘How the Town of Corby Dusted Off the Ashes of Post-Industrial Decay’, kopte The Guardian. Een aantal jaren op rij was Corby de snelst groeiende gemeente buiten Londen.

De herrijzenis begon met een decennium van neoliberale schoktherapie. Thatcher besloot een voorbeeld te maken van het ingestorte staalstadje. Corby werd de allereerste enterprise zone. Nieuwe bedrijven die zich in Corby vestigden kregen vrijstelling van huur en van bepaalde belastingen; de gemeente ontsloeg een kwart van het gemeentepersoneel en stelde een ceo aan; wetten en regels die de groei inperkten werden genegeerd of geschrapt.

Internationale experts die naar Corby kwamen jubelden over de innovatieve aanpak. Terry Buss, hoogleraar aan de Carnegie Mellon Universiteit, noemde Corby het beste voorbeeld van regeneratie in heel Europa, dankzij de ‘ondernemende houding’ van de gemeente. Buss bezocht Corby in de jaren negentig en in zijn beschrijving van de Corby-aanpak vertelt hij over een Amerikaanse fabriekseigenaar die overwoog om zijn bedrijf naar Corby te verhuizen. De fabriekseigenaar had alleen één voorwaarde: hij wilde dan wel graag de burgemeestersauto hebben, een klassieke Jaguar die in het bezit was van de stad. ‘In andere steden zou zo’n plan worden gezien als belachelijk of illegaal, ongeacht het aantal banen dat zou worden gecreëerd’, schrijft Buss. ‘De ceo van Corby twijfelde geen moment en droeg de sleutels onmiddellijk over.’

Plaatsen als Corby zijn verwikkeld in een constante wedloop met elkaar. Ze vechten om overheidssubsidies en private investeringen. Lokale ambtenaren merkten dat Corby vaak achter het net viste, omdat het maar een kleine gemeente was. En dus moest Corby groeien. In 2003 stelde de gemeente expliciet het doel om te groeien naar honderdduizend inwoners. Zo kon ze overheidsinvesteringen en bedrijven aantrekken en ‘het sociaal-economische profiel van de stad in balans brengen’.

In een reclamecampagne uit 2010, vertoond in de Londense metro, werd Corby aan de man gebracht als ‘North Londonshire’, ondanks het feit dat de stad 142 kilometer van Londen vandaan ligt. Gemeenteraadslid Mark Pengelly moet grinniken als hij denkt aan de reclame. ‘Maar eerlijk is eerlijk, de groei was nodig om beter voor de oorspronkelijke bewoners te kunnen zorgen.’ Er werden luxe huizen gebouwd, een fonkelnieuw stadhuis en een groot zwembad.

Volgens een rapport van de denktank Institute for Public Policy Research komt ongeveer de helft van de nieuwe bewoners uit Oost-Europa. Banen zijn er genoeg: de bedrijven die sinds de jaren tachtig naar Corby zijn gekomen hebben een onverzadigbare behoefte aan goedkope arbeid. Volgens de jubelartikelen heeft Corby het lot in eigen handen genomen. Maar veel bewoners ervaren het tegenovergestelde. Ze zien slecht betaald werk, een terugtredende overheid en architectonische prestigeprojecten die steevast hun budget overschrijden.

Na de verkiezingen van 2017 boog Will Jennings zich over zijn dataset, zoekend naar patronen in het stemgedrag in verschillende gebieden. Jennings is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Southampton en mede-oprichter van het Centre for Towns. Hij vroeg zich af of de verkiezingen een Brexit realignment hadden getoond. Waren leave-stemmende kiesdistricten overgestapt van Labour, een partij die werd gedomineerd door remain-stemmers, naar de Conservatieven, waar de brexiteers de boventoon voerden?

Corby werd verkocht als ‘North Londonshire’, al ligt het 142 kilometer van Londen vandaan

Zijn analyse liet zien dat er tussen 2015 en 2017 inderdaad een verschuiving was geweest. Maar de data toonden ook een ander, veel opvallender patroon. De verschuiving van Labour naar Conservatief had grotendeels plaatsgevonden vóór 2016. Met andere woorden: de kiesdistricten die later leave zouden stemmen waren al eerder van kant gewisseld. De verschuiving was geen reactie op de Brexit, nee, de Brexit was juist onderdeel van een groter proces waarin stad en provincie tegenover elkaar kwamen te staan.

Telefonisch licht Jennings zijn bevindingen toe. ‘De metropool en de provincie zijn politiek gezien van elkaar weggedreven’, zegt hij. De afgelopen decennia hebben steden economische activiteit naar zich toe getrokken. Grote steden werden bastions van jonge mensen, nieuwe economieën en liberale opvattingen. Commentatoren als David Goodhart signaleren een politieke kloof tussen de ‘anywheres’, die gedijen bij mobiliteit en autonomie, en de ‘somewheres’, die juist hechten aan plaats en traditie. Anderen noemen het een tweedeling tussen haves en have nots.

Zulke tegenstellingen zijn te simplistisch, zegt Jennings. ‘Die verdeling tussen somewheres en anywheres miskent de diepe banden die stedelingen hebben met hun woonplaats en met elkaar.’ Bovendien bevat de kosmopolitische coalitie veel stemmers die dagelijks armoede, bestaansonzekerheid en racisme ervaren. Desalniettemin is de politieke kloof reëel. ‘We moeten erkennen dat het economische model dat steden opwerpt als aanjagers van welvaart onvoorziene bijwerkingen heeft gehad.’

De grootste pleitbezorger van het economische belang van steden is Edward Glaeser, een stadseconoom aan Harvard, die in 2011 zijn boek Triumph of the City publiceerde. De nieuwe economie draait om ideeën, en ideeën gedijen bij een hoge dichtheid van mensen, organisaties en middelen. Om te winnen in een geglobaliseerde economie gokken politici op steden. Glaeser raadt regeringen aan om steden geen strobreed in de weg te leggen. Steden moeten groeien om de agglomeratievoordelen te vergroten: zo hard mogelijk de hoogte in.

De politiek, van links tot rechts, nam zijn raad ter harte. Opeenvolgende regeringen investeerden in ‘kennisclusters’, creëerden ‘metro mayors’ en voerden expliciete industriepolitiek ten faveure van economische kernen die de rest van het land met zich mee konden trekken. Dat komt niet alleen stedelingen ten goede, rapporteerde de City Growth Commission, maar ook grote groepen forenzen en toeleveranciers tot ver in het achterland. Als de stad wint, wint iedereen.

Maar soms is de economische macht van een nabije stad juist een vloek voor de omliggende gemeenten: als alle leraren, kunstenaars en dokters vertrekken naar de metropool, blijft er weinig over voor de rest. Bedrijven zoeken hoogopgeleide werknemers en vestigen zich in diezelfde steden. Maar wat blijft er dan over voor de rest?

‘Steden en dorpen ontstaan niet door een of andere geschiedkundige toevalligheid’, zegt Jennings. ‘Ze ontstaan rondom bedrijfstakken. En die bedrijfstakken, of het nou gaat om de mijnbouw, om de zware industrie of om de visserij, zijn grotendeels verdwenen. Dus hoe herbouw je een plaats zonder de industrie die haar kern vormde?’

Grote delen van Engeland, en vooral de Midlands, worden nu gedomineerd door transport en distributie. Bedrijven als Amazon en Sports Direct bouwen hun distributiecentra vaak direct boven op oude mijnen. Ze maken gebruik van de transportnetwerken, huisvesting en arbeidskrachten die vroeger de industrie dienden. In veel opzichten zijn dit betere banen dan de oude industrieën – of in ieder geval gezondere, veiligere werkomgevingen. Mensen in Corby zijn niet vergeten dat de staalindustrie gevaarlijk, vies en vervuilend was. Toch worden de oude fabrieken gemist. ‘We maken niks meer’, zegt Robert Smith, die nog in de staalfabriek heeft gewerkt. ‘Dit hele verdomde land is nu een distributiecentrum.’

De gemeenteraad van Corby heeft zich ondertussen in een nieuwe ronde investeringen gestort. Met leningen van de Public Works Loan Board heeft het bestuur drie nieuwe loodsen gebouwd, die het wil verhuren als distributiecentra. De grootste in de regio. Dat brengt nieuwe banen, zegt de gemeente, en zo slecht zijn de lonen nou ook weer niet. Gemeenteraadslid Mark Pengelly is links, en groot fan van Jeremy Corbyn, maar ook pragmatisch. ‘Die loodsen zijn enorm’, zegt hij. ‘Dat is een belangrijke bron van inkomsten voor Corby. Zodat we het vuilnis kunnen blijven ophalen en dat soort dingen.’

Twee van de drie loodsen zijn al verhuurd, de laatste wacht nog op een grote investeerder. In de wandelgangen van het stadhuis wordt voorzichtig gesproken over een mogelijke huurder die hopelijk het laatste distributiecentrum zal innemen. Een bedrijf dat heel, heel grote loodsen nodig heeft. Fluister het zachtjes: ‘Amazon’.

De meest recente peiling van het Centre for Towns geeft aan dat Labour afstevent op een historisch verlies in kleinere gemeenten. De denktank splitste een ‘mega-peiling’ met 11.590 respondenten uit naar het type kiesdistrict: grote steden, kleine steden, dorpen. De Labourpartij wint nog altijd in grote steden, maar verliest in de rest. De Conservatieven hebben een onverwachte voorsprong van vijf procentpunten in zowel postindustriële stadjes als university towns. In de postindustriële gebieden verliest Labour kiezers aan de Brexit Partij, in de universiteitssteden aan de Liberaal-Democraten. Het enige goede nieuws voor Labour is dat veel mensen nog altijd niet weten op wie ze gaan stemmen. In 2017 wist Corbyn in de laatste weken van de campagne veel van dat soort kiezers voor zich te winnen.

Sean O’Connell denkt dat Corby bij deze verkiezingen voor Labour kiest, ook al gaat hij zelf Conservatief stemmen. Hij haalt zijn schouders op. ‘Uiteindelijk zijn er geen goede keuzes. Ik zou nog liever op mijn kat stemmen.’

De naam Sean O’Connell is gefingeerd. Zijn echte naam is bekend bij deredactie. Dit artikel is gebaseerd op archiefonderzoek en 25 interviews met inwoners van Corby, voor een promotietraject aan de London School of Economics