Aids is gestabiliseerd

De sterfwens van een buddy

Sinds de aidsepidemie in de jaren negentig is gestabiliseerd en de buddyprojecten professioneler zijn geworden, kost het meer moeite om buddy’s te vinden. Dat komt onder meer doordat aids-patiënten minder snel doodgaan. En daar ging het veel buddy’s juist om.

Een duister steegje in de Amsterdamse Pijp. Walther roffelt op een ondoorzichtig raam. Duwt dan een deur open en ontwijkt een muffe lap stof. Na een smalle donkere gang en weer een lap staan we in een woonkamer waar een bedompte lucht hangt. Ineens springt Ritchie tevoorschijn. Met zijn broodmagere lijf vliegt hij de decent geklede Walther om de hals.

‘Ik heb niet alleen gestofzuigd maar ook wel zeven of acht van zúlke grote vuilniszakken buiten gezet vanmorgen’, roept Ritchie enthousiast. 'Ik ga het huis anders indelen. Die bank heb ik weer binnen gehaald en die kast daar heb ik helemaal leeggehaald. De dekenkist met de tv erop zet ik dan weer in die hoek. Alles draait een kwartslag. Lijkt me wel mooi, hè? Maar zullen we eerst wat gaan eten? Wat zullen we eten? Nasi of macaroni?’

Op de bevlekte vloerbedekking staan twee doorgezakte banken en morsig bruine tafeltjes met overvolle asbakken, wat pillen, wat pennen en een aantal aardappelschilmesjes. De schuifdeuren naar de slaapkamer staan open. Op een matras aldaar liggen injectienaalden. Boven het bed een grote poster: 'Ik spuit veilig, of ik spuit niet.’

In juli 1996 gaf minister Borst van Volksgezondheid een nieuwe generatie aids-remmers vrij, wat de zogenaamde combinatietherapie mogelijk maakte. Het effect was wonderbaarlijk, aidspatiënten zelf repten van Lourdes-ervaringen. Snel doodgaan was er niet meer bij. Opvallend is dat sindsdien het aantal mensen dat zich aanmeldt als buddy drastisch is teruggelopen. In 1995 was de buddyzorg nog ongekend populair. Er waren ruim negenhonderd buddy’s actief, terwijl het aantal aidspatiënten rond de vierduizend lag. Inmiddels is het aantal vrijwilligers met ruim een derde gedaald, terwijl Nederland nog altijd zo’n vijfduizend aidspatiënten telt, waaronder ruim vijfhonderd intraveneuze drugsverslaafden. Zoals Ritchie. Door de invoering van de combinatietherapie staat niet langer 'stervensbegeleiding’ centraal, maar 'levensbegeleiding’ van de cliënt. Veel buddy’s, die zich juist aangetrokken voelden tot begeleiding van het sterfproces van aidspatiënten, haakten teleurgesteld af.

Al drie jaar is Walther Hesselink zijn maatje. Ritchies voorgaande buddy vertrok om het begrafeniswezen in te gaan. Dat had met het uitblijven van zijn dood te maken, denkt Ritchie. De spanning van het stervensbegeleidingsproces heeft plaatsgemaakt voor een praktisch toezien op een in te nemen hoeveelheid pillen, in een bepaalde volgorde en aansluitend op een speciaal dieetprogramma. Ritchie staat ingeschreven bij De Regenboog, een interkerkelijke stichting die het contact tussen aidspatiënten en buddy’s tot stand brengt. Sinds de invoering van de combinatietherapie, merken ze bij De Regenboog, is het vinden van buddy’s een taaie klus. 'Buddy’s moest vroeger altijd geleerd worden hoe het contact verbroken kon worden als de patiënt overleed’, vertelt Michelle Delleman van De Regenboog. 'Nu gaat het er juist om dat je een patiënt langdurig kunt ondersteunen. Het gaat nu veel meer om praktische ondersteuning, niet zozeer om het laatste lichtpuntje in iemands leven te zijn.’

Ritchie trekt zijn leren jack aan en haalt een boodschappentas tevoorschijn. Elke dinsdagavond doen ze boodschappen en koken ze samen eten. Walther laat zijn mobiele telefoon in zijn binnenzak glijden. Schouder aan schouder wandelen ze naar de supermarkt. 'Hé Walth’, roept Ritchie bij de kassa. 'Speculaas is maar één gulden vijftig.’



In haar boek Vriendschap voor een vreemde: Vijftien jaar buddyzorg aan mensen met hiv en aids laat journaliste Hansje Galesloot vier gedesillusioneerde ex-buddy’s aan het woord. Ene Mireille vertelt: 'Toen ik stopte, leverde dat commentaar op van mijn maatje. Zo in de geest van: ‘Ik ga je zeker niet gauw genoeg dood.’ En in zekere zin is dat een beetje zo, ik ging immers uit van een stukje stervensbegeleiding.’ En ene Gerard: 'Uiteindelijk wil je wel dat ze doodgaan. Daar ben je buddy voor geworden. Daar had je je voor opgegeven.’



Terug van de supermarkt verdwijnt Ritchie in de keuken. Hij vult zijn spuit en zoekt een ader. Hij komt de kamer in en speelt nerveus met een broodmes. Tranen staan in zijn ogen. 'Er is iets met geld’, zegt hij. Elke dinsdag krijgt hij via de hulpverlening een bepaald bedrag als zakgeld, de rest blijft in bewaring. Dit keer was hij om drie uur gekomen en kreeg hij te horen dat het pand om half drie gesloten was. 'Ze zeiden dat ik dan de volgende betaaldag maar moest komen. Nou, en toen werd ik een beetje boos en heb ik ze verbaal flink een veeg uit de pan gegeven.’

Walther: 'Je hebt ze verrot staan schelden.’

Ritchie: 'Ik heb gezegd dat het een stelletje asociale, onbeschofte, imbeciele, gore kankerlijers waren en ik heb dat bureau met al die paperassen leeggeveegd. Nou heb ik helemaal niets meer, ben ik helemaal naar de gallemiezen.’

Walther: 'Waarom denk je dat ze nee zeiden?’

Ritchie: 'Weet ik veel, ze willen een grens trekken, denk ik, ook naar anderen toe. Maar ik heb ze gezegd dat ik al zestien jaar seropositief ben en toen zeiden ze niets. De dokter zou het onverantwoordelijk vinden, ik voel me toch al lichamelijk beroerd. Ben hartstikke afgevallen de laatste tijd en er komt niets meer bij. Anderhalf jaar geleden woog ik tien kilo zwaarder, weet je. Nu ben ik nog net over de vijftig kilo, meer niet.’

Ritchie legt het mes op tafel en loopt naar Walther terwijl hij zijn mouw opstroopt. 'Moet je kijken Walth, is toch niet normaal?’ Zijn armen en benen zitten vol rode strepen en in samenspraak met Walther besluit Ritchie morgen maar even naar het ziekenhuis te gaan. De uitslag lijkt op een allergische reactie. Ritchie houdt bij hoog en laag vol dat de rondlopende kat in elk geval niet de oorzaak kan zijn.



In de begintijd van de buddyzorg, vanaf midden jaren tachtig, was aids een ziekte die voornamelijk voorkwam onder homomannen. 'De solidariteit onder homo’s, in combinatie met de geheimzinnigheid rond aids en het duistere verband tussen seks en dood, leidde tot een piek in het buddy-aanbod’, zegt Hans Roozenburg, voorzitter van het Landelijk Overlegorgaan Buddyzorg (lob). 'Op een gegeven moment hadden we zelfs lange wachtlijsten met mensen die graag buddy wilden worden. Want wat was er nou boeiender dan te leren over de essentie van het leven zonder dat je zelf doodging?’

Rond 1984 en 1985 was er een hoogtepunt in het aantal besmettingen, daarna liepen de ziektegevallen sterk terug. Eind jaren tachtig kwamen er betere behandelmogelijkheden en medicijnen als de aidsremmer azt. In de jaren negentig was er een stabilisatie van de epidemie. De buddyprojecten werden professioneler en kwamen open te staan voor anderen dan jonge homomannen alleen. Niet zelden werd geforceerd getracht het homokarakter van de buddygroep te handhaven, door bijvoorbeeld homoporno te draaien tijdens trainingen. Als vrouwen daar niet tegenkonden waren ze niet geschikt als buddy. Dat waren achterhoedegevechten. Het buddyschap beperkt zich allang niet meer tot de hiv-patiënt, weet ook Roozenburg. 'Patiënten met spierziekten of kanker willen nu ook buddy’s uit eenzaamheid of ter ondersteuning, terwijl een buddy in eerste instantie bedoeld was voor hiv-patiënten en daar ook voor opgeleid was.’



Walther heeft geen morbide fascinaties. In het dagelijks leven is hij marketing- en communicatiefunctionaris aan de Hogeschool van Amsterdam. 'Ik vond aids een angstaanjagende ziekte’, zegt hij. 'Bovendien heb ik tijdens mijn studie als vrijwilliger gewerkt voor de introductie van de eerstejaars studenten. Dat was midden op de wallen. Ik kwam er in aanraking met junks en die zelfkant van de maatschappij trok me. Ik dacht: dat is wat ik wil, goed voor zo iemand kunnen zorgen. In 1996 ben ik mee gaan draaien met de buddytraining van De Regenboog, waarin je via rollenspelen en informatieavonden veel te weten komt over verslavingsproblematiek en aids. Vervolgens kreeg ik Ritchie als cliënt.’

De kunst is de poot stijf te houden. 'Soms geef ik geen 15 cent bij de kassa, als hij geld te kort komt. Moet-ie een pak melk terugzetten. Dan ben ik even een klootzak, maar het werkt wel.’

De andere kunst is niet in de junkensores meegesleept te worden. 'Laatst moest Ritchie even naar het Weesperplein om drugs te scoren in het metrostation terwijl ik boven bleef wachten. Zag ik plotseling twee grote negers uit het station rennen en Ritchie erachter aan! Hadden ze hem getild voor een tientje. Een andere keer zat hij met 'vrienden’ thuis en waren ze elkaar angst aan het inboezemen door met sokken, gevuld met spullen, keihard op tafel te meppen. Dan blijf ik vaak maar rustig zitten.’

Toch is het bevredigend. 'De angstige momenten zijn zeldzaam, terwijl je wel bezig bent met het echte leven en niet met het gelul op kantoor. Ik ben het enige contact voor hem uit de normale wereld: ik zit niet in de drugswereld, niet in de aidswereld en niet in de hulpverleningswereld. Met mij kan-ie bijvoorbeeld praten over mooie auto’s. Laatst zagen we een prachtwagen en dan is hij helemaal lyrisch. Als ik dan vraag: ‘Kopen Ritchie?’, dan kan hij daar best om lachen.’



Om kwart over acht ’s avonds heeft Ritchie met grote eetlust twee borden macaroni naar binnen gewerkt. Zoals vaker na het eten ziet hij het weer helemaal zitten. 'Morgen zien we wel weer, hè Walth? Ik heb al zoveel meegemaakt en als ik dan écht in nood zat of zo, dan gebeurde er altijd wel wat. Het lijkt bijna wel of ik een soort engeltje op mijn schouder heb zitten.’