De sterke man van amerika

Als peuter werd zij door een Serviër van de nazi’s weggehouden. Voor haar vader was Servië het tweede land. Ze herinnert zich de Servische slaapliedjes. En vorige week kreeg ze de felicitaties… met ‘haar’ overwinning op Joegoslavië. Madeleine Albright, (buitenlandminister van Amerika
MADELEINE ALBRIGHT straalde toen ze vorige week gefeliciteerd werd door haar Duitse collega Joschka Fischer. ‘Ze noemden het “Madeleines oorlog”(’, zei Fischer, ‘dus is het nu “Madeleines overwinning”.’ Albright antwoordde bescheiden dat het ‘ieders overwinning’ was, maar de trots stond op haar gezicht te lezen. De ‘Servische capitulatie’, zoals ze het akkoord over Kosovo omschrijft, is het absolute hoogtepunt van haar carrière.
Onlangs verschenen twee biografieën over haar. Boeken over politieke leiders proberen doorgaans een licht te werpen op de rol die ze hebben gespeeld in de grote politieke gebeurtenissen en behandelen het persoonlijke verhaal in zoverre het daarop invloed had. De nieuwe biografieën over de eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken van de VS doen het net omgekeerd: zij gebruiken de grote politieke gebeurtenissen om haar persoonlijkheid te ontrafelen en schrijven bitter weinig over Albrights rol in de buitenlandse politiek van de regering-Clinton. Dat is des te verwonderlijker omdat beide schrijvers journalisten zijn die zich vooral met buitenlandse politiek hebben beziggehouden.
Michael Dobbs, auteur van Madeleine Albright: A Twentieth-Century Odyssey, was van 1988 tot 1993 correspondent van de Washington Post in Moskou en volgde daarna het State Department voor dezelfde krant. ‘Madeleines verhaal kan gelezen worden als een gepersonaliseerde versie van de 20ste eeuw’, schrijft hij, ‘het is een tragisch maar uiteindelijk triomfantelijk verhaal over de strijd van een vrouw die de ervaring van miljoenen Amerikaanse immigranten reflecteert.’
Ann Blackman die eveneens correspondent in Moskou was en het State Department coverde voor het weekblad Time, schetst in Seasons of Her Life: A Biography of Madeleine Korbel Albright een vrijwel identiek portret, alleen nog persoonlijker: ‘Albrights grootste aantrekkingskracht is dat ze net als wij is, alleen rijker. Ze heeft dagen dat haar haar slecht zit, vlekken op haar jurk, ladders in haar kousen… Amerikanen zien haar als iemand die kwetsbaar is, een vrouw die door haar man werd verworpen, een alleenstaande, werkende moeder die stand hield en haar kinderen een goede opvoeding gaf.’
Die benadering lijkt verantwoord in het licht van een vaak geciteerde uitspraak van een van haar medewerkers: ‘Madeleine Albright wordt, meer dan wie dan ook in deze regering, gedreven door haar eigen biografie.’ Zelf heeft ze steevast de politieke dimensie van haar persoonlijk leven in de verf gezet. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat mijn levensverhaal ook het verhaal is van het kwaad van het totalitarisme en de woeligheid van het 20ste eeuws Europa’, zei ze in 1997. Herhaaldelijk verwees ze naar haar eigen ervaringen - vooral haar status van vluchtelinge voor zowel Hitler als Stalin - om haar politiek toe te lichten, in het bijzonder als het over de Balkan ging.
ALBRIGHT WERD geboren in 1937 in Praag. Maria Jana Korbelova, zoals ze toen nog heette, was het eerste kind van Josef Korbel en Mandula Spiegel. Haar ouders waren volbloed joods en dus in levensgevaar toen Hitler in 1939 Tsjechoslowakije inpalmde. Ironisch genoeg was het een Serviër die de Korbels hielp aan de nazi’s te ontsnappen. Vader Korbel had als Tsjechisch diplomaat in Belgrado gewerkt en beschouwde Servië als zijn tweede vaderland. Een Servische vriend bracht de Korbels van Praag naar Belgrado, van waaruit het gezin via Cairo naar Londen reisde. Daar bleven de Korbels tot het einde van de oorlog, terwijl veel van hun familieleden omkwamen in de concentratiekampen.
Na de oorlog werd Korbel opnieuw als diplomaat naar Belgrado gezonden waar hij met zijn gezin woonde tot 1948. Albright zegt dat ze zich uit die periode nog Servische slaapliedjes herinnert. In februari 1948 grepen de stalinisten de macht in Praag. Korbel bleef aanvankelijk voor het nieuwe regime werken. Als beloning voor zijn loyaliteit werd hij naar de VN in New York gezonden, waar hij, tot niemands verbazing, politiek asiel vroeg en kreeg.
Het gezin kwam in Denver terecht, waar Josef Korbel professor werd in internationale relaties en Europese geschiedenis. Voor zijn inmiddels elfjarige dochter ging een wereld open. Zelfs haar naam werd anders. Marie Jana Korbelova, bijgenaamd Madlenka, werd Madeleine Korbel. Zo woelig als haar kinderjaren in Europa waren, zo rustig waren haar tienerjaren in de schilderachtige Rocky Mountains.
Zij, haar broer en haar zus werden opgevoed als rooms-katholieken. Haar ouders waren zo getraumatiseerd door hun oorlogservaring dat ze hun jood-zijn geheim hielden. Ook voor Madeleine, althans dat beweerde ze later. Toen Michael Dobbs na haar benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in de Washington Post haar joodse afkomst onthulde, zei ze dat het nieuws een complete verrassing voor haar was. Geen blijde verrassing: toen ze hoorde dat het artikel op komst was, belde Albright naar Katharine Graham, de uitgeefster van de Washington Post, en vroeg haar het tegen te houden. Graham antwoordde diplomatisch dat het daarvoor te laat was. Albright bleef zo boos op Dobbs dat ze een persconferentie afgelastte omdat hij er aanwezig zou zijn.
Was zijn onthulling voor haar een echte verrassing? Tsjechische en Servische kranten hadden al eerder over haar jood-zijn geschreven. Blackman interviewde tientallen vrienden van de Korbels in Londen en Praag en vond er niet een die geloofde dat het mogelijk was dat Madeleine niets wist over haar joodse afkomst. Ofwel was ze buitengewoon naïef, ofwel ging ze de waarheid uit de weg, zo concludeert Blackman en ze vindt geen van beide mogelijkheden geruststellend. Albright zei dat ze haar vader nooit gevraagd had hoe haar familieden omkwamen. Toch had ze een intense interesse in de oorlogsperiode. Aan de universiteit schreef ze haar thesis over Oost-Europa tijdens de oorlog. Het woord ‘jood’ komt er niet in voor.
Die thesis schreef ze toen ze politieke wetenschappen studeerde aan de dure privé-universiteit Wellesly College. Kort daarna huwde ze Joseph Albright, erfgenaam van een schatrijke familie die twee krantenketens bezat. Ze kregen drie dochters en terwijl Madeleine die opvoedde, vond ze de tijd om te promoveren aan de Columbia Universiteit onder professor Zbigniew Brzezinski. Intussen bouwde ze een netwerk van relaties op in de Democratische partij en toen Brzezinski president Carters Nationale Veligheidsadviseur werd, nam hij haar in dienst als verbindingspersoon tussen de Nationale Veiligheidsraad en het Congres. Ze ging zo in haar politieke werk op dat het haar volkomen verraste toen haar echtgenoot haar in 1982 verkondigde dat hun huwelijk dood was en dat hij wilde scheiden om met een jongere vrouw te trouwen.
MADELEINE BLEEF niet bij de pakken neerzitten. Ze kreeg een royale alimentatie en een benoeming als professor in Internationale Zaken aan de Georgetown Universiteit in Washington. Haar politieke carrière accelereerde. In 1984 werd ze adviseur voor buitenlandse politiek van de Democratische kandidate voor vice-president Geraldine Ferraro. Vier jaar later speelde ze dezelfde rol voor de Democratische presidentskandidaat Dukakis. In die periode was ze regelmatig op tv te zien als woordvoerster van de Democraten in buitenland0 se kwesties. Ze was een stem voor gematigdheid die inging tegen het soms hysterische klimaat van de Reagan-jaren.
Pas toen de Koude Oorlog afliep begon Albright een meer agressieve interventiepolitiek te bepleiten. Tijdens de mislukte campagne van Dukakis had ze Clinton leren kennen. Toen die in 1992 de verkiezingen won, benoemde hij Albright tot VN-ambassadeur. In de Clinton-regering werd de duif van weleer al snel een havik. Ze pleitte voor een actieve Amerikaanse interventiepolitiek in conflicten over de hele wereld en in de Balkan in het bijzonder, zoveel mogelijk in samenwerking met andere landen. ‘Agressief multilateralisme’, zo omschreef ze vaak haar visie op Amerika’s rol in de wereld na de Koude Oorlog.
Ze keeg echter zelden haar zin. Andere regeringsleden en vooral het Pentagon vonden dat Washington zijn militaire macht slechts mocht gebruiken als er fundamentele nationale belangen op het spel stonden. Anders dan de romantische dichters van zijn tijd zucht en jammert en lijdt Poesjkin niet met zijn personages mee. Anders dan de romantische dichters van zijn tijd zucht en jammert en lijdt Poesjkin niet met zijn personages mee. Colin Powell, de toenmalige stafchef van de strijdkrachten, die steevast gekant was tegen kleinschalige militaire interventies, schrijft in zijn memoires dat Albright tijdens een discussie over Bosnië uitvloog: ‘Wat hebben we aan die voortreffelijke strijdkrachten waar jij altijd over praat, als we ze niet kunnen gebruiken?’ ‘Ik kreeg bijna een aneurysma’, schrijft Powell.
Terwijl haar tegenstanders in de regering haar verweten dat ze een politiek van roekeloosheid bepleitte, vond Albright dat zij zich lieten verlammen door het ‘Vietnam-syndroom’. ‘De meesten van mijn generatie zijn geobsedeerd door Vietnam, maar mijn obsessie is München’, zo zei ze in een aantal interviews. (De conferentie van München in 1938 gaf Hitler het recht om Sudetenland, een Duitstalig gebied in Tsjechoslowakije, te bezetten.) ‘Ik zag wat er gebeurde toen men een dictator toeliet een stuk van een land over te nemen’, aldus Albright, ‘en ik zag het tegenovergestelde toen Amerika zich in de strijd mengde.’
Maar volgens haar critici heeft haar obsessie als gevolg dat ze parallellen ziet met München waar die er niet zijn, en zo complexe situaties gevaarlijk simplistisch voorstelt. Dat verklaart misschien waarom ze zich er in 1993 sterk voor maakte om de VN-interventie in Somalië toe te spitsen op een vendetta tegen de ‘oorlogsheer’ Farah Aidid. Onder haar impuls werd het uitschakelen van Aidid het hoofddoel van de Amerikaanse militairen in Somalië. Maar toen de Amerikanen in een valstrik liepen en achttien Rangers om het leven kwamen, koos Clinton eieren voor zijn geld. Het Somalische avontuur was afgelopen. Hoewel de Amerikanen op eigen houtje hadden gehandeld en het debacle in Mogadisho dus hun eigen schuld was, keerden de media zich tegen de VN. Clinton draaide mee en stelde dat de VN te ver gingen met hun vredesoperaties en dat ze moesten leren om ‘neen’ te zeggen. En hij tekende een presidentieel besluit - Directive 25 - dat bepaalde dat Washington zijn veto zou gebruiken tegen VN-vredesmissies die geen direct voordeel hadden voor de VS.
Madeleine is echter bovenal loyaal, daar zijn Blackman en Dobbs het over eens. Ze ging dus dwarsliggen tegen nieuwe VN-interventies met dezelfde verbetenheid waarmee ze die had verdedigd. Zo belette ze de versterking van het contingent blauwhelmen in Rwanda en hielp zo de condities creëren voor de gruwelijke slachtingen.
Na de congresverkiezingen van ‘94 die de Republikeinen wonnen, bleef er van Albrights agressief multilateralisme niets meer over. Met het oog op de presidentsverkiezingen van 1996 wilde Clinton geen enkel risico nemen. Albrights voornaamste wapenfeit in haar resterende tijd bij de VN was het beletten van de herverkiezing van VN-secretaris generaal Boutros Ghali. Volgens Blackman was ze daar persoonlijk verantwoordelijk voor. Ian Williams, de 2 VN-correspondent van het weekblad The Nation, schreef dat ze 'als Salome danste met Boutros Ghali’s hoofd voor Jesse Helms, de voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken, in ruil voor diens belofte dat haar benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken moeiteloos geconfirmeerd zou worden.’ Die benoeming kwam in januari ‘97. Verscheidene senatoren klaagden echter dat haar kwalificaties mager waren en dat Clinton haar enkel benoemd had omdat ze een vrouw was en hij de steun van vrouwen nodig had om zijn schandalen te overleven.
Dat ook de ambtenaren van het State Department haar een middelmatige keuze 3 vonden, bleek uit het feit dat ze haar de bijnaam 'Madeleine Halfbright’ gaven. De Britse ambassadeur John Weston schreef in een rapport aan Londen: ‘Ze heeft de irriterende tendens om een onbuigzame positie in te nemen en dan van anderen te verwachten dat ze haar zullen redden van de implicaties… haar reacties tegenover onvoorziene ontwikkelingen zijn soms opvliegend, grenzend aan het paniekerige.’
ALS MINISTER LEGDE Albright zich vooral toe op de expansie van de Navo en op de Balkan. Al in 1993 schreef ze in een memo aan Clinton dat het succes van zijn buitenlandse politiek gemeten zou worden 4 aan de Balkan. Op haar advies verwierp de president toen het Vance-Owenplan dat de verdeling van Bosnië voorstelde. Het zou de Servische agressie belonen, zei Albright die weer aan München dacht. Twee jaar en tienduizenden doden later werd het Dayton-akkoord ondertekend dat Bosnië verdeelde en de Serviërs meer gaf dan wat ze in het Vance-Owenplan kregen. Intussen had Albright nog de safe havens-politiek van de VN gepromoot, die massa’s ongewapende burgers onder de ‘bescherming’ plaatste van minuscule contingenten blauwhelmen, met de bekende gevolgen.
Het zou onjuist zijn om alle blaam daarvoor af te schuiven op Albright, die toen 5 nog geen minister was. Het lijkt eveneens een overdrijving om de Navo-campagne in Kosovo ‘Albrights oorlog’ te noemen, al draagt ze wel een grote verantwoordelijkheid voor de mislukking van het overleg in Rambouillet, die de bombardementen in gang zette. Maar de Navo-actie wordt door velen wel aangezien als een overwinning voor haar interventionistische lijn binnen de Amerikaanse regering. ‘Zij duwde en duwde en duwde’, zei Clinton over de totstandkoming van de Navo-strategie tegen Servië, ‘dat maakte een groot verschil.’
Uit verklaringen in de eerste dagen van het offensief bleek wel dat ze verwacht had dat Milosevic veel sneller door de knieën 6 zou gaan. Maar vandaag, in de roes van de overwinning, lijkt die vergissing een detail. Belangrijker, ook voor Albrights reputatie, is de vraag welke de gevolgen op langere termijn zijn van de Navo-actie.
Politieke denkers, zoals ex-minister van Buitenlandse Zaken Eagleburger, vrezen dat Kosovo een precedent schept dat het principe van de onschendbaarheid van de nationale soevereiniteit op losse schroeven zet en zo een doos van Pandora opent. Als de Navo zich het recht voorbehoudt om een land aan te vallen wegens schendingen van de mensenrechten, kunnen anderen dat ook doen. Toen haar gevraagd werd of dat niet het licht op groen zette voor toekomstige oorlogen zei Albright dat Kosovo een unieke situatie was en niet als een precedent mocht beschouwd worden. Maar daarmee is het probleem niet van de baan.
De regering-Clinton wordt vaak verweten dat ze op buitenlands vlak geen strategie op lange termijn heeft. Ook Blackman zegt, ondanks haar bewondering voor Albright, dat ze ‘nooit een strategisch denker is geweest. Ze kan geen zes zetten vooruitzien. Ze ziet slechts de volgende zet.’ Irak is een goed voorbeeld. Toen Irak weigerde om zich aan volledige wapeninspecties te onderwerpen, werd het mede op Albrights advies gebombardeerd. Nu is Irak uit het nieuws. Er zijn geen wapeninspecties meer; Saddam Hoessein kan zijn arsenaal ongestoord kan aanvullen. Niemand, ook Albright niet, lijkt zich daar veel zorgen over te maken. De sancties tegen Irak blijven intussen van kracht, al hebben die behalve het afremmen van de daling van de olieprijs, geen resultaat gehad. ‘Een half miljoen Iraakse kinderen zijn gestorven door onze sancties. Was het dat waard?’ vroeg CBS-journaliste Leslie Stahl aan de minister. ‘Het was het waard’, antwoordde Albright.