De sterren en de schone letteren

Dit essay is de licht bewerkte versie van een lezing, gehouden in De Balie voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.
De sterrenkunde doet het goed in de literatuur. Maar de manier waarop Mulisch, De Winter en De Moor de astrologie in hun romans verwerken, heeft veel weg van koketterie. Nee, dan Edgar Allen Poe! Daar had je als sterrenkundige tenminste nog wat aan!

SINDS DE VOORMALIGE PTT zelfstandig is geworden, weten we waar een klein land trots op mag zijn: ‘Melk, Mulisch, KPN’. Eigenelijk is het opmerkelijk dat niemand vreemd opkijkt van zo'n tekst. Iedereen kent Mulisch, en wie hem niet kent, hoort hem te kennen, op z'n minst van naam. Niemand vindt het gek dat grote schrijvers worden gebruikt in een reclamecampagne van de Koninklijke PTT Nederland. Wat dat betreft had er net zo goed geadverteerd kunnen worden met 'Haring, Hermans, KPN’, of met 'Wind, Wolkers, KPN’. Literatuur is gemeengoed.
Maar in de stad zult u nooit een poster zien hangen met 'Kaas, Kapteyn, KPN’, of met 'Oosterscheldedam, Oort, KPN’. Jacobus Kapteyn en Jan Oort waren twee van de grootste Nederlandse sterrenkundigen van deze eeuw, maar Nederlanders schijnen er niet trots op te hoeven zijn. Oort was bij vakbroeders aan de andere kant van de plas beter bekend dan Mulisch bij de winnaars van de Pulitzerprijs, en toch komt niemand met het voorstel zijn naam op een KPN-affiche te zetten. Van postbaas Wim Dik durf ik het niet te zeggen, maar de account executive van het reclamebureau zou ongetwijfeld reageren met een oprecht: 'Oort? Nooit van gehoord!’
Tussen literatuur en wetenschap ligt een braakliggend niemandsland. Af en toe zien we er een wetenschapper met literaire aspiraties; soms dwaalt er een schrijver rond met een meer dan gemiddelde belangstelling voor het heelal, maar daar blijft het dan ook bij. Het is een kale woestenij tussen de indrukwekkende bouwwerken van de wetenschap enerzijds en de lommerrijke tuinen van de kunst anderzijds; het is een leegte tussen rede en gevoel, een spatie tussen beta en alfa.
Wat voor wetenschap in het algemeen geldt, lijkt voor sterrenkunde in het bijzonder op te gaan. Analfabetisme is troef, en blijkbaar maakt niemand zich daar druk om. Uit een recente enquete die in de Verenigde Staten werd gehouden onder high school-studenten bleek dat ongeveer de helft niet wist dat de aarde om de zon draait. Je begint je af te vragen hoe zo'n enquete uitpakt wanneer zij onder Tweede-Kamerleden wordt gehouden. Toen ik enkele jaren geleden op een feestje aan de praat raakte met een paar biologiestudenten, merkte ik tot mijn schrik dat twee van de drie niet wisten dat de zon een ster is en dat de sterren aan de nachtelijke hemel stuk voor stuk zonnen zijn. Het heelal lijkt voor de meeste mensen, en niet alleen voor alfa’s, een grote ver-van-m'n-bed-show.
MAAR IS HET DAT NIET OOK? Wat hebben wij in ons dagelijks leven nu te maken met planeten, sterren, pulsars, sterrenstelsels en quasars? Wie ligt er wakker van een supernova-uitbarsting? Wie bekommert zich om de Hubble-constante?
Het moge duidelijk zijn dat ik die visie niet deel. Wij maken onlosmakelijk deel uit van een evoluerend heelal, en de gebeurtenissen in de kosmos zijn nauw verweven met ons eigen bestaan. De koolstofatomen in mijn lichaam zijn miljarden jaren geleden gevormd in het hete inwendige van een rode reuzenster. Ooit zijn ze het heelal in geblazen, lange tijd hebben ze tussen de sterren rondgedoold, en op een dag kwamen ze terecht in de oerwolk waaruit het zonnestelsel zou ontstaan. Ze hebben deel uitgemaakt van de korst, de oceanen en de dampkring van de aarde, ze zijn in- en uitgeademd door Shakespeare en Newton. Nu liggen ze tijdelijk opgesloten in het stoffelijk omhulsel van mijn geest, maar over hooguit vijftig jaar keren ze terug in de kosmische kringloop.
Hetzelfde geldt voor de fosforatomen in mijn DNA, ontstaan in supernova-explosies op duizenden lichtjaren afstand. De meeste elektronen in mijn hersenen hebben de oerknal zelfs nog meegemaakt. De mens is niets anders dan een kortstondige aggregatie van kosmische bouwstenen, onderworpen aan dezelfde krachten die sterrenstelsels bijeen houden en de zon doen schijnen.
Zonder kosmische evolutie zou het heelal een saaie verzameling waterstofatomen zijn. Zonder een wonderlijke afstemming van de natuurkrachten zouden er nooit sterren en planeten zijn ontstaan, en zonder een nauwkeurige fine tuning van de natuurconstanten was de evolutie van leven onmogelijk en waren wij er niet om ons daarover te verbazen. Ons bestaan is nauw verweven met geboorte en evolutie van de kosmos. Net als stamboomvorsers, paleo-antropologen en evolutiebiologen zijn sterrenkundigen in feite op zoek naar hun eigen wortels, alleen gaan ze verder dan hun bet-overgrootvader, Australopithecus Afarensis of de eerste eencelligen.
Toegegeven, je hebt geen sterrenkundige kennis nodig om te overleven. In de economie, de politiek en het sociale verkeer kunnen we het heel goed stellen zonder weet te hebben van wat zich in het bovenmaanse afspeelt, hoewel er op de beursvloer soms sprake is van een big bang, en hoewel een politicus als Elco Brinkman in een zwart gat kan vallen. Waarom zou een alfa zich dan moeten verdiepen in beta-onderwerpen? Waarom moet een schrijver iets weten van sterrenkunde?
Misschien wel omdat het heelal zo'n rijke ideeenwereld herbergt, omdat sterrenkunde een sterk beroep doet op het menselijk voorstellingsvermogen, omdat de kosmos gevoelens van verwondering opwekt, 'the stuff that dreams are made of’. Het is niet voor niets dat de oudste geschriften die ons zijn overgeleverd, de oudste verhalen die ooit zijn geschreven, scheppingsmythen zijn, verhalen over de plaats van de mens in het heelal.
Nu moet ik zeggen dat de sterrenkunde er de laatste jaren niet slecht af komt in de Nederlandse literatuur. Vooral 1992 mag een absoluut topjaar worden genoemd, niet in de laatste plaats vanwege het verschijnen van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, waarin een van de hoofdpersonen sterrenkundige van beroep is. De laatste gedachtenspinsels van Max Delius vormen bijna een beknopte stoomcursus sterrenkunde, waarin quantumfluctuaties, kosmische achtergrondstraling, de roodverschuiving van quasars en de tien-dimensionale supersnaartheorie de revue passeren. Max of Mulisch wijdt ons in in de grote geheimen van het bestaan, maar sommige geheimen zijn niet voorbestemd om opgehelderd te worden, en goddelijke interventie maakt een plotseling einde aan zijn leven. 'Deskundigen veronderstelden dat de meteoriet vuistgroot was geweest’, schrijft Mulisch. 'Er werden alleen minieme fragmenten van teruggevonden, waaruit opgemaakt kon worden dat het hier een steenmeteoriet betrof, een achondriet, ruim vier miljard jaar oud, vermoedelijk afkomstig uit het gebied tussen Mars en Jupiter. Volgens internationaal gebruik werd het hemellichaam vernoemd naar het dichtstbijzijnde postkantoor: De Westerbork.’
In datzelfde jaar 1992 verscheen De ruimte van Sokolov van Leon de Winter, ook al doorspekt met natuurkunde en kosmologie. Ook De Winter blijkt gefascineerd door de recente inzichten van de moderne kosmologie met hun mystieke boventonen. Zijn hoofdpersoon, de Russische ruimtevaartgeleerde Sasja Sokolov, kent de Zohar, een samenvatting van de joodse mystiek die rond 1300 werd samengesteld door Mozes de Leon uit Granada: 'God was oneindig en absoluut, en zijn existentie toonde hij in tien lichtstralen, die tien hoedanigheden en werkingen van God zouden zijn. Ze stonden met elkaar in verband via pijpen of kanalen, die Sokolov deden denken aan de snaren-theorieen van de moderne quantummechanica. Ook andere termen, zoals die over het vacuum waarin God zijn licht liet schijnen, echoden door in zijn geest wanneer hij dronk en Gods vacuum in verband bracht met het quantumvacuum in de eerste tien-tot-de-min-dertigste seconde van de begintijd, toen het heelal razendsnel uitdijde zonder dat er elementaire deeltjes gevormd konden worden. Het kosmische vacuum bleef leeg, en tegelijk was het de schatkamer waaruit alles zou ontstaan.’
En dan was er in 1992 nog Eerst grijs dan wit dan blauw van Margriet de Moor. Opnieuw een vleugje sterrenkunde, maar nu door de ogen van de autistische Gaby. De Moor geeft een lesje amateur-astronomie: 'Met een kleine 68 mm refractor zijn goede waarnemingen te verrichten. In heldere nachten kan Gaby, duidelijker dan Galilei destijds, de manen van Jupiter observeren, hij kan flink wat sterren in de Melkweg zien, de sterrenhoop de Plejaden en zelfs, zonder veel inspanning, de dubbelsterren Draconis en Geminorum van elkaar onderscheiden. (…) De jongen die het onderscheid niet kende tussen nu en straks en tussen hier en daar en dat ook nooit zou leren, begon te praten over lichtjaren.’
Waarom nog klagen als Nederlandse top-auteurs zo veel plaats inruimen voor de astronomie? Wat is er dan eigenlijk mis met de wisselwerking tussen literatuur en sterrenkunde?
MISSCHIEN IS ER niet zozeer iets mis. Wel valt er een betreurenswaardige ontwikkeling te constateren. De sterrenkunde is zo'n gespecialiseerde wetenschap geworden, dat buitenstaanders, niet-astronomen, er geen zinnige bijdragen meer aan kunnen leveren. De schrijvers van nu nemen niet langer actief deel in het kosmologisch debat, zoals dat vroeger wel gebeurde. Mulisch, De Winter en De Moor zijn geen aangevers, maar volgers. Margriet de Moor heeft misschien nog nooit een blik door een 68 mm refractor geworpen, en ontleende haar gegevens aan een sterrenkundig handboek, waarbij ze per abuis Geminorum en Draconis schreef in plaats van Zeta Geminorum en Nu Draconis. Leon de Winter weet niets van het verval van protonen, en heeft zijn informatie over de supersnaar-theorie uit populair- wetenschappelijke boeken en artikelen. En Harry Mulisch was waarschijnlijk nooit op het idee van De Westerbork gekomen als er in april 1990 niet een meteoriet door het dak van een woonhuis in Twente was geslagen, een meteoriet die volgens internationaal gebruik vernoemd werd naar het dichtstbijzijnde postkantoor: De Glanerbrug.
Kan het dan ook anders? Misschien nu niet meer, maar vroeger in elk geval wel. Anderhalve eeuw geleden was het een dichter, essayist en amateur-wetenschapper die als eerste een correcte oplossing gaf voor een eeuwenoud kosmologisch raadsel waar ook nu nog boeken over worden volgeschreven. De dichter was Edgar Allan Poe; het raadsel was de vraag waarom het ’s nachts donker is.
Waarom is het ’s nachts donker? Die vraag kan elke middelbare scholier beantwoorden: de zon bevindt zich ’s nachts onder de horizon. Maar hoe zit het dan met de sterren? Sterren zijn toch stuk voor stuk zonnen? Waarom is het dan toch donker? Logisch: de sterren staan heel ver weg en zijn dus heel zwak. Maar wacht eens: als het heelal oneindig groot is, is het aantal sterren ook oneindig groot. In welke richting we dan ook kijken, altijd is onze blik gericht op een verre ster. Elke mogelijke gezichtslijn eindigt op het oppervlak van een ster, en de nachthemel zou dus even helder moeten zijn als het oppervlak van de zon.
Het raadsel van de donkere nachthemel wordt meestal de paradox van Olbers genoemd, naar de Duitse oogarts Heinrich Olbers uit Bremen, die er in 1823 een verhandeling over schreef. Een ongelukkige naam: om te beginnen is er niet echt sprake van een paradox maar van een raadsel, en bovendien is het raadsel al veel ouder dan Olbers. Olbers kwam ook met een oplossing voor het raadsel: het licht van verre sterren zou worden geabsorbeerd door interstellaire gas- en stofwolken. Maar dat was voor de ontdekking van de wet van behoud van energie. We weten nu dat een koude stofwolk die straling absorbeert, zelf verhit wordt en uiteindelijk even veel straling uitzendt als zij ontvangt. Olbers’ oplossing lost niets op.
In juni 1845, tweeentwintig jaar na de publikatie van Olbers’ artikel, schreef Edgar Allan Poe een essay in de United States Magazine and Democratic Review, getiteld 'The Power of Words’, waarin de volgende passage voorkwam: 'Look down into the abysmal distances! - attempt to force the gaze down the multitudinous vistas of the stars, as we sweep slowly through them thus - and thus - and thus! Even the spiritual vision, is it not at all points arrested by the continuous golden walls of the universe? - the walls of the myriads of the shining bodies that mere number has appeared to blend into unity?’
'The golden walls of the universe’ - wat een prachtige omschrijving van de kern van de Olbers-paradox! Drie jaar later, een jaar voordat hij op veertigjarige leeftijd stierf, schreef Poe een half-wetenschappelijk, half-metafysisch essay met als titel 'Eureka: A Prose Poem’, en daarin gaf hij een sluitende verklaring voor het raadsel van de donkere nachthemel: zijn 'golden walls’ zouden zich op zo'n onvoorstelbaar grote afstand bevinden dat het licht ervan nog geen tijd heeft gehad om ons te bereiken. Daarmee sloeg Poe de spijker op de kop: het feit dat het ’s nachts donker is, vertelt ons dat het heelal niet al eeuwig bestaat, maar een eindige leeftijd heeft. Een blik op de sterrenhemel toont aan dat het heelal begrensd is in de tijd. Poe was een van de weinigen die het niemandsland tussen literatuur en astronomie betrad en die een inhoudelijke bijdrage leverde aan de ontwikkeling van de sterrenkunde, een bijdrage die overigens pas ruim een eeuw later als zodanig werd onderkend.
Vormen dit soort bijdragen dan de enige wijze waarop de literatuur van invloed is op de wetenschap? Inhoudelijk gezien misschien wel, maar ik ben van mening dat er daarnaast sprake is van een invloed in een veel ruimere zin. Schrijvers zijn kunstenaars, en kunstenaars voorvoelen of bepalen de tijdgeest. Wetenschappers zijn mensen, die in hun doen en laten worden beinvloed door die tijdgeest. Objectieve wetenschap bestaat niet; theorieen ontstaan wanneer de tijd er rijp voor is. In die zin worden wetenschappers indirect beinvloed door schilders, musici en schrijvers. Dan heb ik het dus niet over het feit dat de naam quark ontleend is aan Finnegans Wake, en ik verwacht ook niet dat een mogelijk op handen zijnde revolutie in de kosmologie terug te voeren zal zijn op het gedachtengoed van Max Delius. Maar wel zullen tweeentwintigste-eeuwse geschiedschrijvers constateren dat de wetenschappelijke bouwwerken rond het jaar 2000 zijn opgericht volgens het stratenplan dat halverwege de twintigste eeuw al onbewust werd uitgestippeld door kunstenaars.
GENOEG OVER DE sterrenkundige aspecten van de literatuur. Hoe staat het met de literaire aspecten van de sterrenkunde? Daarover kan ik kort zijn. Het woord literatuur roept bij een astronoom geen associaties op met Flaubert, Dostojevski of Joyce, maar met The Astrophysical Journal, Nature en Astronomy and Astrophysics. Er wordt heel wat afgeschreven in de wetenschap, maar met kunst heeft dat weinig te maken. Veel schone letters; weinig schone letteren. Een wetenschappelijke publikatie wordt geacht objectief en informatief te zijn; fraai gecomponeerde zinnen, een zorgvuldig gekozen opbouw en af en toe een ouderwetse cliffhanger zouden de aandacht maar afleiden van de inhoud. Bovendien lijkt te gelden: hoe onpersoonlijker, hoe beter. Het woord 'ik’ scoort op de frequentietabel van de Reports in Science en de Letters to Nature waarschijnlijk het laagst.
Geen saaier literatuur dan wetenschappelijke literatuur. Veel wetenschappelijke onderwerpen zijn niet bepaald geschikt om er een spannend verhaal over te schrijven. Maar bij sterrenkunde ligt dat in veel gevallen toch anders. Twee jaar geleden haalde de Amerikaanse astronoom George Smoot overal de voorpagina’s van de krant met zijn ontdekking van rimpelingen in de kosmische achtergrondstraling - een duidelijke bevestiging van de juistheid van de oerknaltheorie. We hebben de oudste en grootste structuren waargenomen die ooit in het heelal zijn ontdekt, vertelde Smoot op een persconferentie. En hij voegde eraan toe: 'Als je religieus bent, is het alsof je oog in oog met God staat.’
Maar in de Astrophysical Journal, waarin Smoot en zijn collega’s hun resultaten publiceerden, vind je niets van die opwinding. 'We have analyzed the first year of data from the Differential Microwave Radiometers on the Cosmic Background Explorer’, zo begint hun artikel. 'We observe the dipole anisotropy, Galactic emission, instrument noise, and detect statistically significant structure that is well-described as scale-invariant fluctuations with a Gaussian distribution.’ Hoe kan iemand die oog in oog staat met de schepper zoiets uit zijn pen krijgen?
Dat Smoot tot gevoeliger proza in staat is, blijkt uit zijn recent verschenen populair-wetenschappelijke boek Wrinkles in Time, dat hij samen met wetenschapsjournalist Keay Davidson schreef en dat in de Nederlandse vertaling Rimpelingen in de tijd heet. Daarin lezen we: 'De waarheid en rijkdom van het heelal is het bestaan zelf, en onze speurtocht naar die waarheid en rijkdom zal eeuwig duren, net als het heelal zelf.’ En verderop: 'Het religieuze idee van de schepping vloeit voort uit een gevoel van verwondering over het bestaan van het heelal en onze plaats daarin. Het wetenschappelijke idee van de schepping herbergt een even groot gevoel van verwondering: wij hebben ontzag voor de fundamentele eenvoud en kracht van de creativiteit van de natuur en voor haar schoonheid op elke mogelijke schaal.’
Nu zullen de meeste wetenschappers beweren dat mooischrijverij misschien geschikt is voor een breed publiek, maar ongewenst in de wetenschappelijke vakliteratuur. Tot op zekere hoogte hebben ze daarin gelijk, maar elke onderzoeker die beweert liever een doorwrochte vakpublikatie te lezen dan een mooi geschreven uiteenzetting over hetzelfde onderwerp, houdt zichzelf voor de gek. Bij de redacties van de grotere wetenschappelijke tijdschriften hebben ze dat al lang door: Science, Nature en Scientific American maken in toenemende mate gebruik van de diensten van gespecialiseerde wetenschapsjournalisten om toegankelijke achtergrondartikelen te schrijven bij interessante wetenschappelijke ontwikkelingen.
DAT BRENGT MIJ bij de opmerkelijke en niet bepaald benijdenswaardige positie van de wetenschapsjournalist. Wetenschapsjournalisten zijn ontdekkingsreizigers in het niemandsland tussen literatuur en wetenschap. Zij proberen een brug te slaan tussen alfa’s en beta’s. Helaas worden ze in veel gevallen door geen van beide kampen erg serieus genomen. Sterrenkundigen zijn bijvoorbeeld vaak van mening dat hun vakgebied in populair-wetenschappelijke artikelen te sterk wordt vereenvoudigd; ze zijn gewend artikelen over wetenschappelijke onderwerpen uitsluitend op hun inhoudelijke merites te beoordelen. Maar ook literatoren lijken de pennevruchten van de wetenschapsjournalist zuiver inhoudelijk te bezien. Een schrijver kan aan een krante-artikel over een meteorietval in Twente een idee ontlenen voor een nieuwe roman; de inhoud van het verhaal blijft hem bij, niet de vorm.
De conclusie moet waarschijnlijk luiden dat wetenschapsjournalisten niet de aangewezen personen zijn om het gat tussen wetenschap en literatuur, tussen rede en gevoel te dichten. Het zijn de schrijvers en de wetenschappers die dat moeten doen, omdat zij als geen ander weten hoezeer zij hun lezerspubliek kunnen boeien met bespiegelingen die het menselijk bevattingsvermogen te boven lijken te gaan, met de Grote Vragen van het Bestaan die even oud zijn als de mens - gaat immers niet elke goede roman in wezen over de plaats van de mens in het heelal? En de wetenschappers, omdat zij moreel verplicht zijn om de belastingbetaler deelgenoot te maken van de resultaten van hun onderzoek, om de poorten van de ivoren torens open te gooien en de gevonden schatten tentoon te stellen - en hoe kan een groot publiek beter worden gediend dan met een mooi boek?
De vraag is: leven we wel in de juiste tijd om een toenadering tussen kunst en wetenschap, tussen sterrenkunde en literatuur te bewerkstelligen? Ik geloof van wel. Merkwaardig genoeg zaten de twee elkaar in de tijd van Edgar Allan Poe meer in de weg. In zijn 'Sonnet to Science’ beschrijft Poe de wetenschap als een gier die de dichter berooft van alles wat hem dierbaar is, van bos- en waternimfen tot de zomerdroom onder de tamarinde, en die zodoende de wereld ontmythologiseert. 'Science! true daughter of Old Time thou art!/ Who alterest all things with thy peering eyes./ Why preyest thou thus upon the poets heart,/ Vulture, whose wings are dull realities?’
Tegenover deze roofdier-prooirelatie staat de visie van niemand minder dan Albert Einstein, die in 1932 beschreef hoe kunst en wetenschap elkaar kunnen ontmoeten op het terrein van het mysterie. Einstein schreef: 'De mooiste en diepste ervaring die een mens kan hebben, is de gewaarwording van het mysterieuze. Dat is het onderliggende principe van niet alleen de religie, maar ook van elke serieuze onderneming in kunst en in wetenschap. Wie deze ervaring nooit heeft gekend, is voor mij zo niet dood, dan toch minstens blind. Het gevoel dat achter alles wat we kunnen ervaren, zich iets bevindt wat onze geest niet kan bevatten, en waarvan de schoonheid en verhevenheid ons slechts indirect als een zwakke afspiegeling kan bereiken, dat is godsdienstigheid. In deze betekenis ben ik godsdienstig. Voor mij is het voldoende om me over deze geheimen te verbazen en heel nederig te pogen met mijn geest slechts een afspiegeling te bevatten van de verheven structuur van alles wat bestaat.’
Ik pleit voor een sterkere toenadering tussen astronomie en literatuur, voor meer mooi geschreven boeken over sterrenkunde en meer kosmisch besef in literaire romans. De tijd lijkt rijp, het publiek is er klaar voor. Mocht dat in Nederland toch eens een nieuwe traditie worden - daar zou een klein land trots op mogen zijn.