De sterrenhemel

WE SCHRIJVEN 1994, Seattle. Courtney Love leest voor uit de allerlaatste brief van Kurt Cobain, haar ex-geliefde en frontman van de wereldberoemde en zwaar gehypte Amerikaanse band Nirvana. ‘Het is gewoon niet eerlijk ten opzichte van jullie en ten opzichte van mezelf. De grootste misdaad die ik me kan bedenken is mensen voor me te winnen door te faken, door te doen alsof ik honderd procent lol heb.’

Ze stokt. Camera’s klikken, pennen razen over papier. Cobains laatste boodschap gaat in een mum van tijd de hele wereld over: ‘Popidool kon leven als icoon niet meer aan.’ Na het schrijven van de brief zette Cobain een shotgun tegen zijn borst en schoot zichzelf naar de sterrenhemel. Zou hij beseft hebben dat hij met dit protest tegen het stardom de grootst mogelijke publiciteitsstunt leverde?
'Sommige artiesten wennen er nooit aan. Die duiken het liefst weg in een donker hoekje als ze een camera zien. Voor anderen wordt het haast een tweede natuur, het te woord staan van de pers. Die beschouwen het gewoon als een deel van hun werk. Het promoten zou een stuk makkelijker worden als iedereen het zo zou zien’, zegt Dick Hovenga, voormalig perspromotor en artiestenbegeleider bij de platenmaatschappijen EMI en RCA.
DE MUZIEKINDUSTRIE - de volgens sommigen misselijkmakende combinatie van platenmaatschappijen, managers en niets ontziende journalisten - ontnam Cobain zijn levenslust, zo beweerden woedende Nirvana-fans. Cobain had uit het vak moeten stappen, riepen weer anderen. Dat had ook zonder hulp van een shotgun gekund. Als het je te gek wordt kun je je toch afschermen, rustig interen op je miljoenenvermogen en intussen muziek maken zonder concessies aan de commercie? De Beatles deden dat, Doe Maar ook.
Hovenga: 'Natuurlijk heb ik wel artiesten meegemaakt die je toevertrouwen dat ze maar liever niet doorbreken naar het grote publiek. Maar dat mensen met wie ik werkte echt depressief werden van de publiciteit, dat heb ik nooit gemerkt. Het hoort erbij. Als ik de promotie regelde, liet ik een band vaak verblijven in het Amsterdamse Americain, en daar vonden dan ook de interviews plaats. Hartstikke chic. Dan heb je weinig te klagen, lijkt me.’
De persoonlijke benadering, mensen op hun gemak stellen en het werk van een artiest serieus nemen: dat is wat een goede promotor moet kunnen. Hypes werken alleen als een muzikant er klaar voor is, als het imago dat hij meekrijgt niet te veel 'gemaakt’ is en als een artiest bereid is zo nu en dan toneel te spelen voor de camera’s. Je krijgt muzikanten daarin alleen maar mee als je respect toont voor hun werk. Hovenga: 'Toen ik net bij EMI werkte, zag ik de film die Bruce Webber maakte over Chet Baker. Baker speelde bijna fluisterend trompet op een door hem bewerkt nummer van Elvis Costello. Het klonk prachtig. Maar allerlei mensen van zijn platenmaatschappij waren zich aan het bezuipen en lulden dwars door de muziek heen. Toen ik later aan Elvis Costello vertelde hoe erg ik dat vond, kreeg-ie een brok in zijn keel. Vanaf dat moment wist ik: als we onze helden in ere willen houden, moeten we ze met respect behandelen. Zonder al die imago-bullshit eromheen.’
Bij EMI werd Hovenga beschouwd als een vreemde eend in de bijt. Persoonlijke benadering? Imago in stand houden, en verkópen die artiest! Volslagen onzin volgens Hovenga: 'Een artiest die zich niet op zijn gemak voelt, geeft slechte interviews en verpest zijn optredens. Dan wordt-ie de grond in geschreven door de pers. Probeer zo'n debacle maar eens terug te draaien.’
HIJ ZAG HET gebeuren met MC Hammer. Die wilde na zijn eerste hit alleen maar naar Nederland komen als hij op kosten van de platenmaatschappij zestig 'homies’ mocht meenemen. Dat werd hem geweigerd, dus kwam hij niet. Hovenga: 'Zijn nieuwe plaat was dramatisch slecht. Het enige wat hem nog kon redden was een publiciteitsoffensief. Maar ja, dat viel nu dus in het water. Die plaat is geweldig geflopt door zijn misplaatste superstergedoe.’
'Een nieuw imago dan maar’, moet Hammers manager hebben gedacht. Toen zijn derde plaat uitkwam, had Hammer in het kielzog van een nieuwe generatie gangsterrappers opeens street credibility gekregen. Hammer had als jongetje óók moeten dealen en roven om aan de kost te komen. Hovenga: 'Een totaal ongeloofwaardig verhaal, want iedereen kon zien dat Hammer gewoon een commerciële jongen was met zijn gelikte beatjes en gladde raps. Wij moesten dat verhaal verkopen. Dat werd helemaal niks, natuurlijk. Ook al kwam hij nu wél naar Nederland om interviews te doen. Die zogenaamde street credibility was voor hem de nekslag.’
En dan de Beastie Boys. Bij hen was het precies omgekeerd. Hovenga: 'Ze schaamden zich voor het puberale imago dat ze zich hadden aangemeten bij het uitkomen van hun eerste plaat. Toen traden ze op met halfnaakte danseressen in kooien en een enorme geërecteerde penis die uit het podium omhoog kwam. Na een poosje vonden ze hun draai in hun muziek en wilden ze het roer helemaal omgooien. Toen ze naar Nederland kwamen zei een van de promo-boys van de maatschappij: 'Gaan jullie maar lekker met die jongens naar de wallen.’ Dat leek me nou helemáál geen goed idee. Ze wilden serieus genomen worden. Maar ik kon het hem niet aan zijn verstand brengen. Toen hebben de Beastie Boys zelf ingegrepen. Niks hoeren. Uiteindelijk zijn we geëindigd in de Mazzo. Daar dronken ze een sapje en rookten ze wat joints. Volkomen relaxed. De volgende dag gaven ze een waanzinnig goed concert. De hele muziekpers stond te juichen. Stel je voor dat de band de avond daarvoor een klotetijd had gehad. Dan was het helemaal anders gelopen.’
OOK HET GEHEIM achter het succes van Take That in Nederland was gestoeld op de 'persoonlijke benadering’. Hovenga: 'Laten we er niet omheen draaien. Take That moest geld opleveren. Hun imago werd volledig bepaald door het management in Engeland. Maar om die jongens goed te laten presteren, moest je ze in hun waarde laten. Dat hadden we al snel in de gaten. We deden hun begeleiding in Nederland lekker rustig aan. Ze moesten wel overal opdraven, maar dat kon best op een leuke manier. Als ze in Amsterdam waren, belden we Manfred de Graaf van de iT. Dan ging meteen de rode loper uit en kregen die jongens daar een ware Vip-behandeling. Dat vonden ze schitterend. Af en toe een blow om de spanning wat te verdrijven. Geen enkel probleem.’
Er was maar één moeilijkheid: in Nederland wilde de doorbraak maar niet komen. Uiteindelijk vond die plaats toen Take That met instemming van de artiesenbegeleiders besloot volledig tegen het management in te gaan. Ze zouden optreden in de show van Paul de Leeuw. Die wilde dat ze live zouden zingen, maar de mannetjesmakers in Engeland zagen dat niet zitten. De jongens moesten vooral mooi zijn voor de camera en niet het risico lopen af te gaan door slechte vocalen. Hovenga: 'Maar de jongens van Take That namen hun muziek serieus. Ze hebben keihard hun zin doorgedreven en niet geplaybackt. Dat live-optreden was hun doorbraak in Nederland. Het was nog december ook, dus de plaat verkocht als een trein.’
Toen Take That eenmaal een mega-act was, ging de lol er snel af, ook voor de artiestenbegeleiders. Hovenga: 'Het is echt ongelooflijk wat je dan meemaakt. Meisjes die dwars door alle rode stoplichten achter de tourbus aanscheuren om die jongens maar niet uit het oog te verliezen, restaurants die al uren voordat je met de band aankomt bomvol blijken te zitten. Bij optredens stonden meisjes voor het podium met spandoeken: 'Take That you make us wet’. Echt, je wil het niet wéten. Er waren beveiligingsbeambten die verbluft vertelden dat meisjes van een jaar of veertien aanboden ze te pijpen als ze alsnog naar binnen mochten. Maar laten we wel wezen, die jongens wisten dat dit hun te wachten stond. Het was de bedoeling dat ze supersterren zouden worden.’
1994, SEATTLE. De camera’s snorren. Courtney Love leest verder voor uit Kurt Cobains afscheidsbrief. 'Als we backstage wachten en de lichten gaan uit en het publiek begint te juichen, doet me dat niet veel meerà’ Hier stokt Courtney Love. Ze laat de brief zakken, staart voor zich uit en zegt: 'Wel, Kurt, so fucking what - then don’t be a star, you asshole.’