De stier en de duif

Jean-Marie Gustave Le Clézio, Diego en Frida. Uit het Frans vertaald door Maria Noordman, uitg. De Geus, 220 blz., 339,90.
Er is een tekening van Frida Kahlo waar haar zwarte wenkbrauwen de vleugels van een zwaluw worden; die wenkbrauwen werden haar logo. In 1928 zoekt Frida contact met de beroemde muurschilder Diego Rivera; een jaar later trouwen ze - ‘het huwelijk van een olifant en een duif’, noemen haar ouders het.

Diego, ook wel ‘stier’ genoemd, is een aartslelijke reus die niettemin de ene vrouw na de andere verslindt. Het huwelijk loopt op een gegeven moment stuk als hij haar met haar jongere zuster verraadt. Aan een hereniging, twee jaar later, verbindt Frida contractueel de voorwaarde dat er geen seksuele omgang meer zal zijn en dat zij voor haar eigen levensonderhoud zal zorgen.
Dat is net in de tijd dat ze beiden de kost moeten verdienen met het portretteren van welgestelde burgers, voor Diego ongetwijfeld minder beschamend dan voor haar. Frida is vanaf het moment dat zij zich tot de revolutie bekende de rechtlijnige in de leer geweest, dwepend met Stalin, Mao en Trotski; de laatste zou in het begin van zijn Mexicaanse ballingschap in haar ouderlijk huis wonen.
De communist Rivera heeft altijd steun gezocht bij invloedrijke mensen. In Detroit maakte hij in 1931 in opdracht van Henry Ford een muurschildering en in New York werkte hij vervolgens, midden in de crisistijd, in opdracht van de zoon van dezelfde Rockefeller die hij in Mexico als personificatie van kapitalistische hebzucht en immoraliteit had afgeschilderd.
'Eigenlijk is het bijzondere in het hele stormachtige bestaan van het paar Diego & Frida dat je nauwelijks twee mensen zou kunnen vinden die meer van elkaar verschillen dan deze twee. Allebei scheppend kunstenaar en allebei revolutionair, maar hun scheppende arbeid en hun revolutie staan lijnrecht tegenover elkaar, zoals ook hun ideeën over liefde, over geluk, over het leven zelf lijnrecht tegenover elkaar staan.’ Als Le Clézio dat schrijft, heeft hij in zijn boek van die verschillen al vele voorbeelden gegeven, in de beschrijvingen van hun beider werk en verder bijvoorbeeld van hun verschillende reacties op het langere verblijf in verschillende Amerikaanse steden.
Van welke aard de sterke gevoelens die ze voor elkaar koesterden ook waren, het is vooral doordat Frida zich tot rituele priesteres maakte van een eredienst voor Diego dat hun huwelijk standhield. Maar Le Clézio heeft zijn dubbelbiografie niet om dat huwelijk geschreven. De beide kunstenaars zijn sterk betrokken geweest bij de renaissance in Mexico van de precolombiaanse indiaanse cultuur. Frida kleedde zich als een Indiaanse en Diego liet zich in zijn muurschilderingen sterk door oude motieven inspireren. De romanschrijver Le Clézio, die zelf al heel lang voor een deel in Mexico woont en er ook veelvuldig over geschreven heeft, is van jongs af aan gefascineerd door de Azteken.
Exemplarisch is de relatie van de twee schilders in zijn ogen door de combinatie van lijden en wreedheid, maar ook van noodzaak. Het lijden beheerste het leven van Frida, die, nadat ze aan kinderverlamming een gehandicapt been had overgehouden, op haar achttiende bij een busongeluk alles brak wat er aan haar kon breken en een leven lang in een keurslijf en een cocon van pijn heeft geleefd. Voor de wreedheid zorgde de man met zijn eeuwige avontuurtjes.
Maar het is juist die mythische duiding die de verder zo nuchter beschreven levensloop een beetje zweverig maakt.