De stijl transcenderen

Stijl is de valkuil van de kunst. Een kunstenaar beoordelen op de stijl die hij hanteert, is voorbijgaan aan zijn expressie. Toch zitten honderden, misschien duizenden kunstgragen op cursussen waar ze hopen een stijloverzicht bijgebracht te krijgen, zodat ze aan de hand van stijlkenmerken elk willekeurig schilderij, beeld, stoel of gebouw te lijf kunnen.

Helaas voor hen is stijlgeschiedenis niet hetzelfde als kunstgeschiedenis. Het is een al te makkelijk handvat om alle mogelijke feiten mee op te sluiten in een rigide syteem van -ismen, door gemakzuchtige kunsthistorici tot in het absurde gereproduceerd. Het modieuze deel van de kunstmarkt (dat van de snelle beleggers) is er ook mee geinfecteerd: een slechte impressionist brengt nog altijd een veelvoud op van een goede pompier.
Stijl staat altijd als een scherm tussen het kunstwerk en de beschouwer. Dat hoeft een goed oordeel over de artistieke kwaliteit niet te verhinderen, maar publiek en ook critici willen vaak niet door de stijl heen kijken. Zo krijgt alles wat bijvoorbeeld met een losse toets is geschilderd het voordeel van de twijfel, terwijl pijnlijk precieus afgewerkte negentiende-eeuwse doeken en zacht omfloerste rococo-schilderijen geproefd en te zoet bevonden worden.
Arme Ary Scheffer. De tijd leek zo rijp voor je, met al die aandacht voor negentiende-eeuwse schilderkunst van de laatste jaren. Het door de Amerikaanse kunsthistorici gelegde primaat van de Franse avant- garde tussen 1850 en 1914 staat echter nog als een huis, en de kritiek ging nauwelijks op je schilderkunstige kwaliteiten in: ze bepaalde zich tot je romantische onderwerpskeuze en de receptie van je werk voor en na je dood. Baudelaires categorische afwijzing is na anderhalve eeuw hooguit milder van toon geworden.
Een kunstenaar komt er nooit onderuit om een stijl te gebruiken, want een kunstwerk zonder stijl bestaat eenvoudigweg niet. Zo blijft het altijd verbonden met de tijd waarin het is gemaakt. Voor kunstenaars van minder allooi is het hanteren van de juiste stijl voldoende, want het publiek heeft aan stijl genoeg. Het is als met de actualiteit van CNN tijdens de Golfoorlog: het gevoel erbij te zijn, op het scherp van het tijdsgewricht te leven, modern te zijn. Zo is in de jaren vijftig in Europa de Amerikaanse kunst opgepikt als de vinger aan de pols van samenleving en beschaving, en die bleef maatgevend tot en met de jaren zeventig, ondanks het feit dat iedereen kon weten dat de abstracte expressionisten een voortzetting waren van Europese surrealisten, colourfield painting door een paar Amerikaanse galeries was opgeblazen en pop art in Engeland is ontstaan. Maarten Bertheux en Max Meijer schrijven in het Stedelijk Museum Bulletin dat op een gegeven moment bleek ‘dat de Amerikaanse kunst, zoals die naar de grenzen van haar gekozen vorm zocht, ook maar een stijl was’.
De film Verhangnis van Fred Kelemen is gefilmd in een stijl waarvan de esthetiek in de jaren tachtig bijzonder in was: extreem rafelig en kleurloos beeld (van een videomonitor gefilmd), de zelfkant van het leven in de onpersoonlijke grote stad, het onvermogen tot communicatie van alledaags onappetijtelijke personages, veel asfalt, verlaten terreinen, desolate gebouwen, neonlicht, kortom: Baudelaires verheerlijking van de verafschuwde metropool. Dat Kelemen daar in 1995 nog mee durft aan te komen, getuigt van onverschilligheid jegens esthetische trends, maar jammer genoeg gaat deze stijl tussen zijn film en de beschouwer in staan en vertroebelt zo het zicht op weidser thema’s als eenzaamheid. De grofkorrelige triestheid dempt alle mededeelzaamheid.
Het goede voornemen voor 1996: ga naar de tentoonstellingen van Philipp Otto Runge en Caspar David Friedrich en van Lourens Alma Tadema in het Van Goghmuseum, en probeer de stijl te transcenderen. Ik wil het woord 'zoet’ niet meer horen dit jaar.