De stijl van het tragikomische

Arjen Lubach
Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend
Meulenhoff, 252 blz., € 17,95

Er valt wel wat over de debuutroman van Arjen Lubach te klagen, maar een klaagzang hoeft het niet te worden. Hij vertelt het verhaal van Benjamin Dusarduijn die in Kopenhagen woont en daar een verslag schrijft over zijn leven tot nu toe. Uitvoerig komt Lotte, zijn eerste liefde, aan bod en zijn oom Otto, bij wie hij na de dood van zijn ouders in huis woonde. Ook zijn belevenissen jaren later in Barcelona spelen een belangrijke rol. Hij heeft daar een relatie met een meisje waar hij in de grond niks aan vindt en dat hij, zonder succes, de deur uit probeert te werken, alleen omdat Lotte misschien op bezoek komt en zij toch echt zijn eerste en enige liefde is. Daar tussendoor vertelt hij de geschiedenis van de dood van zijn vader, later van zijn moeder en over het ontstaan van zijn schuldgevoel.

Lubach weet hoe hij een verhaal in elkaar moet zetten, dat is het goede nieuws. Niet op de eerste bladzijde al je troeven laten zien maar wel alvast een voorschot op een ervan nemen. ‘Dit is het verhaal van mijn schuldgevoel: gedeeltelijk zoals het was en gedeeltelijk zoals ik het me herinner’, luidt de eerste zin. Zoiets schreeuwt dus om een inlossing, ik wilde het beslist weten: waaruit bestaat dat schuldgevoel en hoe zit het met die herinneringen? Pas veel later krijg je het te horen en dan valt daar verteltechnisch wel wat op aan te merken. Lubach laat oom Otto ergens tegen het einde een lang verhaal vertellen waarin de raadsels van het boek worden uitgelegd. O, dus zo zit het met die vader en moeder en dat schuldgevoel van de held. Dus daarom reisde de held naar Barcelona en later naar Kopenhagen. Ik vond het te veel uitgeleg zo ineens, het was misschien beter geweest alles wat meer te doseren. Ik snap best dat de lezer dit allemaal uiteindelijk moet weten, maar zo’n verhaal in een verhaal, daar was toch wel iets anders voor te bedenken geweest? Ook de oorzaak van het schuldgevoel, dat ik hier verder niet uit de doeken doe, vond ik nogal meevallen. Ga je daarom ineens langdurig plaatsvervangend op reis? Toch vind ik al met al dat Lubach een mooi verhaal wist te bedenken dat hij ingenieus in elkaar zet.

Maar de crux van deze interessante roman zit in de toon en de sfeer. Lubachs stilistische aanpak stamt uit de traditie van het tragikomische. Zijn in feite tragische verhaal over een jongeman die niet in staat is zich aan andere mensen te binden, giet hij in het jargon van de slapstick en de vervreemding. De laatste tien jaar zie je deze stijl steeds meer in de Nederlandse literatuur. Het verschrikkelijke en het komische dicht tegen elkaar aan laten schuiven. Vervreemding tussen mensen, faalangst en minderwaardigheidsgevoelens vertalen in grappige, soms hilarische taferelen, die tegelijkertijd toch de tragische kant ervan niet helemaal wegduwen. Grunberg is natuurlijk het grote voorbeeld, al zie je bij hem in zijn laatste werk steeds meer een verschuiving naar het tragische. Lubach voelt zich sterk tot deze traditie aangetrokken en dus kom je bij hem vaak passages als deze tegen: ‘Soms zijn er mensen die vragen hoe het met mijn vrienden of familie gaat. Als dat gebeurt heb ik zin om te huilen. Of om te schreeuwen. Of om mijn vingers in een elektrische puntenslijper te stoppen. Er zijn veel substituten voor huilen. Te veel. Meer dan je denkt in elk geval.’ Of deze: ‘Op elke straathoek stond een bank. Ik kon me niet voorstellen dat deze mensen zoveel banken nodig hadden, maar ik kon me wel meer niet meer voorstellen. Met bankzaken kon ik me beter niet bemoeien.’

De roman staat vol met dit soort constructies en ze begonnen me wel wat op mijn zenuwen te werken, vooral omdat je ze te vaak lang van tevoren aan ziet komen en ze dan het beoogde effect van onderkoelde tragiek niet meer halen. Erg is het niet dat je je in een eerste boek een bepaalde beproefde stijl aanmeet, het hoort allemaal bij het begin van een schrijfcarrière. En beter dit dan kleurloos realistisch geneuzel. Maar ik vraag me af of de schrijver deze stilistische wendingen zo prominent nodig heeft, want hij beschikt beslist over een breder repertoire dan alleen dit om vervreemding mee uit te beelden. Zijn boek krijgt naar het einde toe een steeds beklemmender lading en dat heeft er vooral mee te maken dat hij deze opgelegde tragikomische stijltrucjes veel minder gebruikt.

Zijn vertelwijze wordt kaler en daardoor interessanter. De begrafenisscène van de moeder wint daardoor ineens aan kracht en de beschrijvingen van het verblijf in Kopenhagen krijgen juist door de onopgesmuktheid ervan een mooie schrijnende lading. En ook zijn tegen het einde vergeefse herinneringen aan Lotte zijn ineens van een veel grotere schoonheid dan de elders vaak wat flauwe bespiegelingen. Ze begonnen in ieder geval steeds meer op me in te werken. ‘Ik dacht aan het moment dat ik Lotte voor het eerst zag. Aan de dag dat ze zat te huilen terwijl de bus door de snikhete polder reed. Hoe het rode nepleer van de stoelen zo heet werd dat je er een omelet op zou kunnen bakken. Of een flensje. Daarna dacht ik aan de polder.’ Ik ben benieuwd naar Lubachs volgende boek.