Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

De stille dood van de nietsnutstudie

Na de zomervakantie begin ik met het gevreesde eindexamenjaar. Doelstelling één: mijn jaar met goede cijfers, het liefst zo hoog mogelijk, afsluiten. Dan komt de studiekeuze pas. Daarover is in mijn geval pas één ding duidelijk: ik begin met ‘een werkloze studie’. Een studie die met de komst van het leenstelsel al helemaal afgeschaft kan worden.

Hierbij doel ik op een rasechte alfastudie: op dit moment gaat mijn voorkeur uit naar literatuurwetenschap, maar de gedachte van filosofie of Duits studeren is ook enerverend. Dat ik ga studeren, staat vast. Sommige kinderen zijn immers geboren om ‘met hun neus in de boeken te zitten’. Mijn ouders riepen al toen ik mijn eerste sukkelige opiniestukje publiceerde dat ik een of andere professor zou worden, of schrijver, filosoof, misschien taalwetenschapper. Ik laat me niet tegenhouden door torenhoge schuld, ik ben immers nog veel te jong om ook maar stil te staan bij mijn financiële toekomst.

Maar de alfastudies lagen de afgelopen jaren enorm onder vuur. Ze zijn te kleinschalig, ‘leiden op tot werkloosheid’ en nemen een bijzonder klein plaatsje op de arbeidsmarkt in. In mijn ogen geen probleem – idealistisch als ik ben, ben ik nu al van plan om door te studeren en op die manier mijn leven te wijden aan de letteren op iedere mogelijke manier. Toch zal dit waarschijnlijk een enorme groep alfa’s en gamma’s beletten om te kiezen voor een studie met minder goede aansluiting op de arbeidsmarkt.

Steeds meer onderwijsexperts roepen dat opleidingen meer moeten worden afgestemd op het gevreesde werkveld. Als je het ambieert om een brede alfastudie te gaan doen, kun je wachten op kritiek van alle kanten. De vraag of je een beroep in gedachten hebt, waarom je toch niet voor een economische studie kiest, of je niet bang bent om met een uitkering op de bank te eindigen. Het afgelopen decennium hebben we een enorme ommekeer in mentaliteit meegemaakt. Zoals de kunsten voorheen als een respectabele tak werden beschouwd, worden ze nu in het hokje van ‘de nietsnutstudies’ gepropt.

Rob Wijnberg schreef voor De Groene dat hij het nieuwe studieleenstelsel een aanslag op het sociaal kapitaal vindt. Studeren is geen doel op zich meer, de neuzen zijn gericht naar de invloed die hoogopgeleiden op de economie en de arbeidsmarkt uitoefenen. Daarin ben ik het met Wijnberg eens: ik vrees dan ook dat de academische wereld, al helemaal als je van een zwak beroepsveld als de letteren spreekt, zal lijden onder dit nieuwe systeem. Het moedigt toekomstige studenten immers aan zich vooral te richten op hun financiële toekomst en de efficiëntie van hun opleiding. Alfa’s als ik zullen onthutst op de bank zitten als de knoop doorgehakt moet worden.

Want waar gaat je keuze naar uit: de studie waar je altijd van droomde, maar die wordt weggezet als volkomen nutteloos, of een andere studie die beter aansluit op een veilige toekomst?

Het is logisch dat de overheid staat achter optie 2, al zou het tegen het vrijheidsidee ingaan om dat te beweren. Gezamenlijk vinden we economische groei immers belangrijker dan het beetje extra geluk dat een student wint met een passende studie. Het sociaal leenstelsel onderstreept dit finaal. Hopelijk behouden de komende ladingen eerstejaars de rebelse houding die een goed student betaamt. Zo laten we, eigenwijs als we zijn, de nietsnutstudie herleven. Want door zo’n sociaal leenstelsel moet geen enkele Nederlandse jongere zijn studeerdromen opgeven.