De stille revolutie

EIND SEPTEMBER beleefde de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) haar finest hour. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, sprak per satelliet een conferentie toe van 450 captains of industry uit de hele wereld, die op initiatief van de ICC bijeen waren in Genève. De VN-baas pleitte voor ‘een verdere uitbreiding van de toch al nauwe samenwerking tussen de Verenigde Naties en de ICC’. Kofi Annan: ‘In de interdependente wereld van vandaag hebben de Verenigde Naties en het bedrijfsleven elkaar nodig.’

De speech van Annan is kenmerkend voor de trendbreuk in de relatie tussen de Verenigde Naties en het multinationale bedrijfsleven. Helmut Maucher, voorzitter van de ICC en topman van Nestlé, was tijdens de afsluitende persconferentie van de Geneva Business Dialogue als een kind zo blij: ‘We hebben bereikt wat we wilden. De Internationale Kamer van Koophandel bevindt zich in het centrum van het debat, in een vruchtbare dialoog met de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie.’
En dat terwijl de Verenigde Naties tot begin jaren negentig nog werkten aan regelgeving om het gedrag van multinationale ondernemingen te reguleren. Het Centre on Transnational Corporations van de Verenigde Naties pleitte tot vijf jaar geleden nog voor een gedragscode voor multinationals en zette zich bijvoorbeeld in voor het ontmoedigen van buitenlandse investeringen in Zuid-Afrika onder het apartheidsregime. In 1993 werd het Centre opgeheven, na jarenlange druk van multinationale ondernemingen en de Amerikaanse regering. Het werk aan een VN-gedragscode ligt sindsdien stil. 'De manier waarop de VN tegen het bedrijfsleven aankijkt, is fundamenteel veranderd’, constateert ICC-secretaris-generaal Cattaui tevreden.
De eerste doorbraak kwam op 9 februari 1998 in het VN-hoofdkwartier in New York, toen een delegatie van 25 zwaargewichten uit het internationale bedrijfsleven een ontmoeting had met de top van de VN, onder leiding van Kofi Annan. De ICC had vertegenwoordigers gestuurd van onder andere Coca-Cola, Unilever en McDonald’s. In een gezamenlijke verklaring na afloop zeiden VN en bedrijfsleven te streven naar 'een hechte mondiale samenwerking om een grotere inbreng van het bedrijfsleven in de besluitvorming over de mondiale economie te garanderen’.
In PR-folders noemen de Verenigde Naties de versterkte samenwerking met het bedrijfsleven een onderdeel van Kofi Annans 'stille revolutie om de Verenigde Naties klaar te stomen voor de 21ste eeuw’. Dat de VN zich ondanks felle kritiek in dit avontuur stort, zou te maken kunnen hebben met de poging haar centrale positie in de wereldpolitiek terug te krijgen. Door deze aanpassing aan de neoliberale tijdgeest zou de VN haar linkse imago kunnen kwijtraken en zo de relatie met Amerika verbeteren. De Verenigde Staten immers weigeren al jaren de contributie aan de Verenigde Naties over te maken. De ICC bewees afgelopen mei de Verenigde Naties al een vriendendienst door bij de regeringsleiders van de G-7 te pleiten voor ruimere subsidies en bevoegdheden voor de VN. VOLGENS ICC-BAAS Maucher vormden de Verenigde Naties te lang een bolwerk van niet-gouvernementele organisaties. Maucher liet zich inspireren door het World Economic Forum in Davos, een jaarlijkse bijeenkomst van meer dan duizend regeringsleiders en topmensen uit het bedrijfsleven en de financiële wereld. Niet voor niets benoemde hij een paar jaar geleden Maria Livanos Cattaui, de drijvende kracht achter Davos, tot secretaris-generaal van de ICC. Maucher vindt 'Davos’ echter veel te vrijblijvend; dat vormt slechts een netwerk, de ICC daarentegen moet de vaste gesprekspartner worden van organisaties als de VN. Maucher: 'De regeringen moeten begrijpen dat het bedrijfsleven niet zomaar een pressiegroep is maar een onmisbare steun voor het onwikkelen van internationale regelgeving.’
Ook de Unctad, de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, werkt sinds kort nauw samen met de ICC. Belangrijke motor daarachter is Unctad-directeur Ricupero, de neoliberale voormalige minister van Financiën van Brazilië, die sinds een paar jaar de scepter zwaait bij de ontwikkelingspoot van de VN. Die samenwerking gebeurt onder meer in een project ter verbetering van het 'investeringsklimaat’ in ontwikkelingslanden als Mali, Oeganda, Madagascar en Bangladesh. Het project heeft voor elk van deze landen een multinational als sponsor. Maatschappelijke organisaties en vakbonden maken zich zorgen over die welwillende houding. Zo gaf de Unctad de ICC een belangrijke rol in de zogenaamde 'consumentenbescherming’ in ontwikkelingslanden. Dat is, vinden critici, alsof je de wolf op de schapen laat passen.
DE SAMENWERKING tussen de Verenigde Naties en de ICC staat niet op zichzelf. In Canada en de Verenigde Staten hadden lobby-organisaties van multinationals achter de schermen een cruciale rol in de neoliberale revolutie die de laatste vijftien jaar in deze landen heeft gewoed.
Ook in regionale economische samenwerkingsverbanden zoals het Transatlantic Economic Partnership (tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten) en de APEC in de Pacific worden vertegenwoordigers van het internationale bedrijfsleven uitdrukkelijk door de overheden uitgenodigd om 'hindernissen voor de vrije markt’ aan te wijzen. Dit zijn er in de optiek van de bedrijven heel veel: van regelgeving om de lokale economie te bevorderen tot beperkende regels voor de toepassing van genetische manipulatie.
In Europa is er de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT), waarvan Helmut Maucher mede-oprichter en sinds 1995 voorzitter is. De ERT is een exclusieve club van de 45 grootste Europese multinationale ondernemingen (waaronder Shell, Unilever, Philips) met toegang tot beleidsmakers op het hoogste niveau in Brussel en de hoofdsteden. Sinds haar oprichting in 1982 heeft de ERT grote invloed gehad op het beleid van de Europese Unie en de inhoud van de verdragen van Maastricht en Amsterdam. De organisatie heeft sterk bijgedragen aan het huidige enthousiasme in de Europese Unie voor deregulering, flexibilisering en vrijhandel. Het is een zichzelfversterkende ontwikkeling: overheden die hun heil zoeken in een grenzeloze mondiale economie zijn ontvankelijker voor de beleidsadviezen van de lobby van multinationals. In vrijwel heel Europa staan versterking van de internationale concurrentiepositie en het creëren van een gunstig investeringsklimaat tegenwoordig bovenaan de politieke agenda.
De wijze waarop de Verenigde Naties en de ICC nu de handen ineen slaan, doet sterk denken aan de manier waarop de Europese Commissie en de ERT dat in de jaren tachtig deden. De ERT zag de Europese eenwording als een kans om de Europese samenlevingen aan te passen aan de wensen van de industrie. De Europese Commissie kon op haar beurt de steun van de industrie gebruiken om de regeringen van de lidstaten te overtuigen van de noodzaak van verdere integratie. De Europese Commissie en industriëlen gebruikten kortom elkaar. Met als gevolg dat de Europese eenwording in belangrijke mate een neoliberaal project is, waar vooral het bedrijfsleven baat bij heeft.
TERWIJL ORGANISATIES als de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) steeds meer open staan voor de visie van het grote bedrijfsleven, neemt het maatschappelijk verzet tegen de mondiale vrije markt toe. Afgelopen mei werd in Genève de viering van het wereldhandelsverdrag GATT ruw verstoord door een internationale demonstratie van tienduizend mensen die de opheffing van de Wereldhandelsorganisatie eisten. De demonstranten beschouwen de WTO als ultieme vertegenwoordiger van het mondiale vrijhandelsysteem waardoor landen tegen elkaar worden uitgespeeld in een wereldwijde race-to-the-bottom op lonen, milieubeleid en consumentenbescherming. In de derde wereld groeit het verzet tegen de WTO omdat de handelsorganisatie landen dwingt hun markten open te stellen voor multinationale ondernemingen, die met modernere technologie en schaalvoordelen de lokale landbouw en industrie in veel gevallen kapot concurreren.
Een ander troetelkind van het internationale bedrijfsleven, het Multilateraal Akkoord inzake Investeringen (MAI), is dankzij een felle campagne van maatschappelijke organisaties voorlopig gestrand. Het MAI was bedoeld als het sluitstuk van de liberalisering van de wereldeconomie. Het verdrag moest multinationale ondernemingen wereldwijd het recht geven vrijelijk in alle landen te investeren en minstens net zo goed behandeld te worden als lokale producenten. Verder zou het MAI er voor zorgen dat het vrije kapitaalverkeer de komende twintig jaar geen strobreed in de weg werd gelegd. Door het MAI zouden regeringen nog minder te zeggen krijgen over hun economische beleid. De niet-gouvernementele organisaties vrezen de gevolgen die wereldwijde deregulering heeft op sociale rechten, democratie en het milieu, en voeren een vooralsnog succesvolle campagne tegen het MAI.
Tijdens de door Maucher georganiseerde Geneva Business Dialogue, een paar weken geleden, toonden de vertegenwoordigers van de multinationals én van de internationale organisaties zich buitengewoon verontrust over het groeiende verzet tegen mondiale vrijhandel en liberalising. Maucher omschreef dit verzet als 'globophobia’, en als 'irrationele angsten’.
Tegelijkertijd distantieerden Maucher en de zijnen zich omstandig van de speculatieve investeerders, die met hun flitskapitaal het mondiale financieel-economisch systeem in gevaar brengen. Maucher noemde een belasting op flitsgeld zelfs 'een goed idee’. De aanwezigen in Genève maakten zich veel zorgen over de financiële crisis die zich als een oncontroleerbare veenbrand over de wereld uitbreidt. Die crisis is, zo stelden multinationals en vertegenwoordigers van de Verenigde Naties eensgezind, het gevolg van een gebrek aan mondiale economische regelgeving. Daarom moet de rol van internationale organisaties als de VN en de WTO worden versterkt, én moet het bedrijfsleven een grotere rol krijgen binnen die organisaties. 'De globalisering heeft regels nodig’, aldus Maucher. 'Er moet een mondiaal geordend liberalisme komen, zoals dat in het verleden op nationaal niveau is gebeurd.’ En voor zo'n 'verantwoordelijke globalisering’ is een veel sterkere betrokkenheid van het bedrijfsleven in het mondiale besluitvormingsproces onontbeerlijk, meent Maucher.
BUITEN DE DEUREN van de Geneva Business Dialogue demonstreerden enkele honderden mensen tegen de voorgenomen samenwerking tussen de Verenigde Naties en de ICC. De spandoeken met 'Nes-kofi Annan’ schoot Maucher, die als topman van Nestlé jarenlang getergd is door actiegroepen, in het verkeerde keelgat. 'Walgelijk’, luidde zijn commentaar. 'Men heeft gewoon moeite de nieuwe samenwerking te accepteren.’