Essay: de stille revolutie der sofasocialisten Alleen de Lords kunnen Blair remmen

De stille revolutie der sofasocialisten

New Labour heeft voor de verkiezingen van 5 mei een nieuwe leuze: «Forward not Back». Volgens Tony Blair is de metamorfose van het Verenigd Koninkrijk van een jolly old world naar een gewoon land nog lang niet voltooid. Tot treurnis van het Conservatieve deel der natie.

Ooit werd het Verenigd Koninkrijk geregeerd door een groep wijze en verantwoordelijke lieden die zich niet inlieten met politieke vergezichten omdat deze slechts zouden zorgen voor moeilijkheden. Onder het mom «sceptisch denken en pragmatisch handelen» dobberde het land rustig aan de oostoever van de Atlantische Oceaan. Premiers als Alec Douglas-Home en John Major zaten liever langs de boundary van het cricketveld dan achter de gietijzeren hekken van Downing Street. Ze droomden van fietsende keukenmeiden, niet over een betere wereld.

Natuurlijk bestonden er gebruiken en instituten welke vandaag de dag niet meteen opnieuw zouden worden uitgevonden, maar dat was geen reden om ze af te schaffen. Evolutie ging voor revolutie. Het pond werd sterk gehouden, het leger paraat en de menselijke ambitie in toom. De vrijgeboren bevolking waande zich veilig onder de rule of law, voor Voltaire een bewijs dat de eilandbewoners van hun wetten houden zoals de Fransen van hun kinderen. Een geschreven grondwet werd beschouwd als een aanzet tot despotisme. De felbevochten Magna Carta vrijwaarde de Britten van machtsmisbruik door een sterke staat.

Pardon, Magna Carta? Dat hippiebandje? Een kwart van het huidige kabinet weet niet dat koning John dit epistel in 1215 op papier zette. Van degenen die hun staatkundige klassieken kennen, zijn er maar twee die de Magna Carta relevantie toedichten en geen van hen werkt op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De huidige baas op dit kerndepartement, Charles Clarke, kwam on langs met deze analyse: «Al die gortdroge geschiedenis is verdomd interessant als je Simon Schama bent, maar ik heb geen tijd voor wollige academische weetjes.» Zijn voorganger, David Blunkett, dacht er net zo over.

Geen wonder. Het representeert de filosofie van New Labour. Old Labour wilde telefoonbedrijven en vliegtuigmaatschappijen leiden, New Labour de Freeborn Englishman. Clarke stelde onlangs voor om achthonderd jaar oude burgerlijke vrijheden op te offeren in het kader van de terrorismebestrijding. Wat Napoleon Bonaparte, Adolf Hitler en de IRA niet was gelukt, daarin leek Osama bin Laden te zijn geslaagd. Zonder tussenkomst van de rechter wilde de minister mensen van wie de geheime dienst vermoedt dat ze snode plannen hebben, onder huis arrest plaatsen («hanging out at home», autoritaire leiders zijn dol op eufemismen), een voorrecht dat tot dusver was voorbehouden aan regimes in Birma en Zuid-Afrika tijdens de apartheid. «The laws of England are in my own breast» – wat had Clarke graag koning Richard III, de hardhandige koning uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, willen citeren tijdens het debat hierover. Het waren uiteindelijk de ongekozen Lords in het Hogerhuis die het plan als kraaien aan stukken scheurden.

Het draconische voorstel vormde een voorlopig hoogtepunt bij het streven van New Labour om het land, in navolging van de eigen partij, onherkenbaar te veranderen, waarvoor de aanstaande sloop van een half miljoen Victoriaanse huizen onder leiding van vice-premier John Prescott het visitekaartje moet zijn. Een enorme meerderheid in het Lagerhuis bleek echter niet voldoende om deze modernisering, door Tony Blair op papier gezet in New Britain: My Vision of a Young Country, gestalte te geven. De ambtenarij, het koningshuis, het Hogerhuis, de rechterlijke macht, de landadel en de gewone burgers zelf vormden hindernissen op weg naar een presidentieel bewind.

Blair wilde het lot van deze stille revolutie in handen houden van een selecte groep vertrouwelingen. Ex-huisgenoten, studievrienden, ex- collega’s. Kortom, Tony’s Cronies. Niet de vergadertafel in de Cabinet Room maar de sofa’s op Downing Street werden daarom het toneel van belangrijke besluiten. Grof taalgebruik, afwezigheid van humor en oeverloos ongeduld met andersdenkenden was de modus operandi van de sofasocialisten. Op de ministeries kregen de Humphrey Appleby’s te horen dat hun «feodale systeem van baronnen» zou worden omgetoverd tot een «napoleontisch systeem». Het koele «Yes, Minister» moest plaatsmaken voor het joviale «Yes, Tony».

Een ander grand project was het dresseren van de Gracious Queen, die een afkeer heeft van Blair en terugverlangt naar de jaren zeventig, de dagen van de onlangs overleden premier James Callaghan, met wie ze, wandelend door de tuin, fijn kon roddelen. De heersende rol die Blair bij de eerste Queen’s Speech en bij de begrafenis van zowel prinses Diana als de koningin-moeder speelde, was een aanval op de monarchie, niet met het zwaard, maar met een grijns. In het loyale Lagerhuis bleef de boel de boel, al werd ook daar een einde gemaakt aan onmodieuze aanspreekvormen als honourable, gallant en learned. Bezoekers van het House of Commons werden «members of the public» in plaats van «strangers».

Hoe anders was het bij de buren, waar grote weerstand te verwachten viel tegen Blairs radicale agenda. Erfelijke leden van het Conservatieve dus vijandelijke House of Lords moesten in een slogan van 75 woorden de zin van hun bestaan als weledelgeleerde controleurs op de wetgeving duidelijk maken. Afvallers werden vervangen door People’s Peers, van wie verwacht werd dat ze trouw zouden meestemmen met de wetsvoorstellen van de regering.

Hoeveel waarde de regering aan de Lords hechtte, bleek uit de beslissing van Blair om het negatieve Irak-advies van de Britse evenknie van De Wijkerslooth, Lord Goldsmith, naar eigen inzicht te herschrijven. De functie van de Lord Chancellor – een soort opperminister van Justitie met tal van kleurrijke nevenfuncties, zoals het voorzitterschap van het House of Lords en «houder van het grootzegel» – werd afgekalfd tot minister van Grondwetzaken, thans vervuld door een ex-huisgenoot van Blair, Charlie Falconer. Deze draagt geen maillot, zijden kousen en gespschoenen zoals zijn voorganger, maar Prada, Dior Homme of desnoods Fcuk. De wolzak waar de Lord Chancellor tijdens het presideren van het Hogerhuis op placht te zitten, werd met het oog op de arbeidsomstandighedenwet verruild voor een lederen bank.

De afschaffing van dit ambt betekende een overwinning voor toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Blunkett, wiens drijfveer een afkeer van «airy-fairy» judges was, een term – het best te vertalen met «onrealistische» – die hij in bruikleen heeft van Margaret Thatcher. Blunkett heeft geschiedenis gemaakt als de meest autoritaire minister die het eiland ooit heeft gekend. Zijn contempt of court bleek bijvoorbeeld tijdens het Europees kampioenschap voetbal waar een Britse supporter door een Portugees kangaroo-court werd veroordeeld, waar Blunkett aan toevoegde dat hij zijn landgenoot het liefst aan de hoogste eik van het koninkrijk zou vastspijkeren. Onder Blunketts bewind werden negen verdachte moslims bijna drie jaar lang vastgehouden in de Belmarsh-gevangenis, een daad die haaks staat op Churchills beslissing om de fascist Oswald Mosley tijdens de Tweede Wereldoorlog vrij te laten wegens een gebrek aan «any charge known to law».

Deze episode speelde waarschijnlijk ook in het achterhoofd van Lord Hoffmann of Chedworth – sinds de affaire rond de uitlevering van Pinochet bekend als de meest uitgesproken hoge rechter – die bij zijn pleidooi om de negen vrij te laten wees op de stabiliteit van het koninkrijk: «Whether we would survive Hitler hung in the balance, but there’s no doubt that we shall survive Al Qaeda.»

Een dag vóór de toorn der Law Lords moest Blunkett noodgedwongen aftreden wegens een uit de hand gelopen liefdesaffaire met de diva Kimberly Quinn, en het daarbij horende machtsmisbruik ten bate van haar nanny. Welk een ironie! Blunkett was namelijk een van de grondleggers van de Nanny State. De ministers van New Labour hebben zich ontpopt als autoritaire kinderoppassers. In zeven jaar tijd is het punt waarop alles verboden is wat niet expliciet is toegestaan razendsnel genaderd. Dit «Europese» concept staat lijnrecht tegenover de Angelsaksische traditie waar alles toegestaan is wat niet expliciet is verboden. Zelfs gevangenen genoten een zekere mate van vrijheid, getuige de dicht regels van Richard Lovelace in de zeventiende eeuw: «Angels alone, that soar above/ Enjoy such liberty». De Britten mogen nu, net als de Roemenen in de jaren zestig, niet meer zelf elektronische klusjes in huis opknappen, hun kinderen geen opvoedende tik meer geven en straks niet meer mobiel bellen tijdens het fietsen. Om gokverslaving tegen te gaan worden grote teddyberen van kermissen verbannen. In het publieke domein is de sturende hand van de overheid steeds sterker aanwezig. Ruim vier miljoen straatcamera’s moeten de zestig miljoen inwoners in de gaten houden, zelfs in natuurgebieden, die verder zijn omgeven van uit politiek correct hout opgetrokken borden vol waarschuwingen, bijvoorbeeld over de najaarsschimmel psilocybe semilanceata, ook bekend als magic mushroom of, treffend, liberty cap, die onder New Labour illegaal is geworden. De engelen van Lovelace hebben plaatsgemaakt voor satellieten om vrijgeboren veehouders in Yorkshire te betrappen wanneer ze hun koeien na een plensbui de wei in sturen to walk upon England’s green en voor helikopters om automobilisten te pakken, zoals de verpleegster uit Northumberland die, mede op basis van luchtopnamen, werd veroordeeld wegens het eten van een golden deli cious tijdens het linksaf slaan.

De behoefte aan controle door de staat is uitgemond in het plan om identiteitskaarten met irisscan en vingerafdruk in te voeren, bedoeld om terroristen, illegale immigranten en steunfraudeurs op te sporen.

Doodsbenauwd om te worden uitgemaakt voor soft on terrorism is de Conservatieve leider Michael Howard, die tijdens de verkiezingscampagne meer bobby’s dan baby’s zal zien, voorstander van de persoonsbewijzen. Hiermee breekt hij met het erfgoed van zowel Churchill, die begin jaren vijftig de verkiezingen won na een Set the people free-campagne waarbij identiteitskaarten belandden op vreugde vuren, als van Thatcher, die zulke kaarten «a German concept» noemt, hetgeen bij deze zelfuitgeroepen «mother of the free» geen compliment is.

Howard verzocht zijn rebellerende partijgenoten te gaan vissen, nu dat nog mag, tijdens de stemming in het Lagerhuis. Een prominent lid van deze libertijnse vleugel is de classicus Boris Johnson. In zijn bezwaren tegen de ID-cards ontpopte hij zich als libertijn pur sang: «Ik kan u verzekeren dat wanneer ik ooit in de straten van Londen, of waar dan ook, binnenshuis of in het openbaar, word gevraagd naar mijn identiteitskaart om te bewijzen dat ik ben wie ik ben, terwijl ik niets misdaan heb en simpelweg voortkuier en Gods frisse wind inadem zoals elke andere vrijgeboren Engelsman, ik de kaart uit mijn portemonnee zal ne men en deze letterlijk zal opeten in aanwezigheid van ongeacht welk ge schut namens de staat mij vriendelijk heeft gevraagd de kaart te tonen.»

Gevraagd? Vriendelijk? De diplomatieke, soms wat klunzige bobby heeft de status bereikt van de Irish Guard die langzaam van defensie naar nationaal erfgoed is gepromoveerd. Onder Blunkett is het Madness geworden: «Uuuh, as you can see we’ve got a new recruit to this land of hope and glory/ Hands behind your back and legs apart and tell us a story/ Who me sir? Yes, you ssssir!» Het overkwam de zakenman Nicky Samengo Turner toen deze op een woensdagmiddag in november over het Embankment reed, een drukke weg in het centrum van Londen. Een groepje police community support officers, een soort kruising tussen stadswacht en gendarme, hield hem aan. Routinecontrole. In de achterbak van zijn auto werden een Zwitsers zakmes en een opklapbare gummistok aangetroffen. Een terroristisch alarm ging af bij de dienders. Samengo Turner werd meegenomen naar het politiebureau, in de cel gegooid en na vijf uur met een dagvaarding heengezonden. Op zijn achtergebleven auto trof hij een parkeerbon aan.

Sowieso zien Conservatieven weinig in het zonder redelijke verdenking aanhouden van mensen. Op het continent, waar de Code Napoleon geldt en niet de Magna Carta, wordt daarover niet zo moeilijk gedaan. Reeds bij een alcoholcontrole wordt de botsing tussen de Europese beschavingen duidelijk. Volgens columnist (en royalty watcher) Tom Utley van The Daily Telegraph is de vraag die elke Freeborn Englishman zich stelt: «Waarom zou de overheid nuchtere automobilisten zonder redelijke aanleiding langs de kant van de weg onderwerpen aan een ademtest?» Op het vasteland met al die haughty tyrants is de vraag: «Waarom zouden overheden beschonken automobilisten beschermen?»

Onder New Labour zijn de Britten geen onderdanen van de koningin meer, maar burgers, compleet met bijbehorende rechten. Het jongste idee om deze burgers te disciplineren is de Citizen Ceremony, bedoeld om jongvolwassenen en nieuwkomers door middel van strikvragen over Henry VIII en de Union Flag kennis te laten maken met de mysteries van de Britse cultuur. Ofwel «Improving Opportunity, Strengthening Society: The Government’s Strategy to Increase Race Equality and Community Cohesion», zoals dat in New Labour-Engels heet.

Onder de kop Aux armes, citoyens! vergeleek The Daily Telegraph deze nieuwe rituelen met de loyaliteitsliedjes die Japanse werknemers bij aanvang van een nieuwe werkdag zingen, hetgeen de vrijgeboren kassameisjes, parkeerwachten en advocaten niet mag worden aangedaan. «Het bespottelijke idee alleen al om een ‹citizenship day› te organiseren is strijdig met onze geschiedenis van vrijheid», stelde de krant, die al vier jaar campagne voert voor een free country. Omdat zulks te ambitieus bleek, ligt de nadruk nu op vrijheid in het eigen huis, in the Englishman’s castle.

Gesteund door gepensioneerde hoofdcommissarissen en de Conservatieve Partij leidt The Sunday Telegraph al weken de campagne Right to Fight Back. Het doel is om huiseigenaren het recht te geven inbrekers met alle mogelijke middelen te verjagen. Beseffend dat de Britten meer waarde hechten aan het buitenshuis houden van indringers dan het binnenshuis opsluiten van vermeende terroristen heeft minister Clarke een schriftelijke stoomcursus «Hoe verjaag ik met passend geweld een inbreker» uitgevaardigd, meer in de geest overigens van de ambtelijke pen-pushers dan van Boadicea’s laatste strijdkreet vanuit haar kasteel, voordat ze door de Romeinen werd overmeesterd: «I am fighting for my lost freedom, my bruised body and my outraged daughters!»

Boadicea! De Britse voorloopster van Jeanne d’Arc zou anno 2005 hoogstwaarschijnlijk een antisocial behaviour order (asbo) krijgen wegens burengerucht. De asbo is een ander geesteskind van Blunkett, thans gebruikt tegen kroegeigenaren die hun parkeerplaats the porking yard noemen, boeren die hyperactieve varkens laten scharrelen, en klanten van Ikea die vechten om goedkope sofa’s, zoals recentelijk in Noord-Londen. Geen asbo maar een schadevergoeding kreeg de inbreker uit Liverpool nadat hij tijdens een nachtelijke expeditie door een dak van een bedrijfsruimte viel en zwaargewond tussen de schappen belandde. Verhalen als deze zijn dagelijks in de kranten terug te vinden en voeden de argwaan jegens de Europese Human Rights Act, die door de huidige regering in het Britse recht is ingebed. In de gedachtewereld van de Conservatief vallen de Europese mensenrechten allerminst samen met de klassieke vrijheden en het gezonde verstand van de Freeborn Englishman. Integendeel. De Human Rights Act met zijn personal injury-bepalingen wordt als een arbowet voor criminelen en terroristen gezien.

Volgens de Conservatieven kleeft er aan de wildgroei van mensenrechten met hun abstracte en absolute rechten op werk, gezonde lucht en een dak boven het hoofd echter ook een fundamenteel probleem: de verwachting dat de overheid burgers gelukkiger kan maken in een perfecte maatschappij. Plato voor dummies. Binnen New Labour is deze opvatting gemeengoed. Wekelijks worden de burgers opgeschrikt door crackdowns, jargon voor noodmaatregelen, omtrent zwangere tieners, hapgrage rottweilers en lawaaierige buren. Volgens Max Hastings, ex-hoofdredacteur van The Daily Telegraph, heeft het land juist ministers nodig die voor een crackdown on crackdowns pleiten: «Wanneer we weer eens gevangen zitten in gestrande treinen of in de file staan op overbevolkte wegen, dan schelden we op onze incompetente ministers, die op hun beurt met een blij gemoed de verantwoordelijkheid voor onze ellende op zich nemen, om vervolgens de situatie te verergeren door hun interventies.»

Een rechtgeaard Conservatief moet niets van Plato’s volmaakte wereld weten en geeft de voorkeur aan de onvolmaakte samenleving van de scepticus Pyrrho, zoals Kieron O’Hara doet in After Blair: Conservatism Beyond Thatcher. Niet Burke, Disraeli en Hayek zijn volgens de wetenschaps filosoof de reddende engelen voor de Conservatieven, neen, hun lot ligt in handen van Pyrrho van Elis, die 2300 jaar terug reeds verkondigde dat betrouwbare, meetbare en te rechtvaardigen kennis over de wereld schier onmogelijk was. Daarvoor was het menselijk tekort nu eenmaal te groot. Pyrrho was zo sceptisch dat hij zijn wereldvisie niet eens aan het papier toevertrouwde, een mooie overeenkomst met de Britse grondwet. O’Hara adviseert de Conservatieve Partij daarom zich verre te houden van krantenkoppen, opiniepeilingen en andere afleidingsmanoeuvres, om daarvoor in de plaats bescheiden ambities te tonen waar het gaat om constitutionele hervormingen en maatschappelijke veranderingen.

De constatering dat het leven op aarde, waar ondanks hardnekkige tegenberichten ook het Blest Isle onder valt, zinloos is en naar alle waarschijnlijkheid ook wel zal blijven, moet wat O’Hara betreft de onderbouwing van het Conservatieve verkiezingsmanifest zijn. De radicale hervormingen van de laatste tijd zouden immers hebben geleid tot een maatschappelijke identiteitscrisis waar irisscan, crackdown noch Europese richtlijn tegen helpt. Politieke overmoed is geen onbekend mechanisme in de Britse geschiedenis. In de tragedies van Shakespeare wemelde het al van heersers die gebeurtenissen naar hun hand proberen te zetten, met kwade (Richard III) of goede (Brutus of de misleide Macbeth) bedoelingen. Doorgaans tevergeefs. Het was dan ook een nazaat van Shakespeare, The Earl of Burford, die het huidige tijdsgewricht tijdens het debat over de Hogerhuis-hervormingen in apocalyptische termen verwoordde: «Wat wij zien is de afschaffing van Groot-Brittannië. Voor ons ligt een wasteland. Geen koningin, geen cultuur, geen soeverein, geen vrijheid.»

Maar waar moet de Freeborn Englishman met zijn stem heen, op 5 mei? Libertijns-Conservatieve kamerleden vormen, net als klassieke semi-anarchistische Labourianen, een bedreigde diersoort binnen de volksvertegenwoordiging.

Van de Conservatieve oppositie, de mislukte cipier Michael Howard voorop, is in ieder geval weinig te hopen, niets te verwachten. Zoals het recente terrorismedebat – een «pyjama party» die 31 uur in beslag nam – aantoonde, zitten de bewakers van de burgerlijke vrijheden en de welbespraakte beschermheren van de Freeborn Englishman in de zusterkamer, in het onverkozen House of Lords. Daar is niet The Sun de leidraad van het debat, maar de Magna Carta. Daar wordt niet naar morgen gekeken, maar naar de verre geschiedenis en dito toekomst. Zijn welgeklede leden vormen een welkome buffer tegen in paniek bijeen geraapte wetsvoorstellen van overijverige nanny’s, tegen de waan van de dag, of zoals de negentiende-eeuwse premier Lord Salisbury het ooit verwoordde, tegen de «passing feelings of the English nation».

Het overheersende gevoel thans is teleurstelling, uitmondend in onverschilligheid jegens zowel regering als oppositie. Volgens de laatste peilingen zal de denkbeeldige Apathy Party een absolute meerderheid behalen. Laten we deze niet-stemmen beschouwen als een mandaat voor het House of Lords.

Praise the Lords!

=