Fotografie - Anton Corbijn in Den Haag

De stilte van het evenwicht

Fotograaf Anton Corbijn heeft een oeuvre bij elkaar geschoten waarvan zowel het geheel als de individuele beelden je dikwijls compleet kunnen overdonderen.

Medium corbijn

Wie in 1955 werd geboren en vooralsnog zo gelukkig was niet te overlijden, bereikt dit jaar de respectabele leeftijd van zestig jaar. Zo vanzelfsprekend als dat is, zo ongeloofwaardig klinkt het in het geval van Anton Corbijn. Corbijn? Zestig? Probeer je iemand voor te stellen wiens bloed je beter zou kunnen analyseren wanneer je zoekt naar het gen dat mensen de glans van de eeuwige jeugd bezorgt. Het is zijn hele houding, natuurlijk. Hij is een beetje slungelig, zoals verder alleen pubers slungelig zijn – dat onwennige vooroverbuigen van iemand die nog maar half beseft toch een kop groter dan zijn moeder te zijn – en als hij over zijn werk vertelt en je goed luistert, hoor je, ergens vlak achter zijn bedaarde woorden, de vreemde combinatie van bescheidenheid en bravoure die de licht onzekere hemelbestormer wel vaker kenmerkt.

Hoewel de vorige grote Corbijn-tentoonstelling in het Amsterdamse Foam hier en daar nog vers in geheugen zal liggen, is het alleszins begrijpelijk dat twee Haagse musea de gelegenheid met beide handen aangrepen om een omvangrijk perspectief te presenteren. Het Gemeentemuseum toont onder de titel Hollands Deep een min of meer dekkend overzicht van het gigantische oeuvre dat de fotograaf door de jaren heen opbouwde, terwijl een flinke vijver verderop, in het Fotomuseum, onder de noemer 1-2-3-4 een reusachtige greep uit Corbijns popfotografie-archief te bewonderen is. (De fotograaf laat zelf geen gelegenheid onbenut om zijn antipathie jegens dit label te laten blijken, maar dat lijkt me nergens voor nodig: artistieke pretenties hoeven hier een documentaire waarde niet in de weg te zitten.)

Wanneer iemand vraagt: ‘Anton Corbijn?’, en dat gebeurt vaker dan je misschien zou denken, zeg ik soms: ‘Gemengde gevoelens.’ Dit is meestal een zwaktebod en altijd een cliché, maar soms is het ook gewoon de dichtste benadering van de werkelijkheid. Corbijn heeft een oeuvre bij elkaar geschoten waarvan zowel het geheel als de individuele beelden je dikwijls compleet kunnen overdonderen – in louter positieve zin – terwijl er hier en daar ook best randjes zijn waaraan je je met recht kunt ergeren.

In het Gemeentemuseum de zaal binnenstappen is, er is geen ander woord voor, een genot. Doe direct nog een paar passen en je staat in het midden van de bescheiden ruimte. Vanaf rechts word je aangestaard door Miles Davis, verre van jong maar door Corbijns lens misschien wel mooier en indrukwekkender dan ooit. Draai je je om, dan wendt David Bowie, gehuld in slechts een lendendoek die Christus niet had misstaan, juist zijn blik af. Iets verderop houdt Don Van Vliet, alias Captain Beefheart, zijn hoed voor zijn hart terwijl zijn ogen genoeg vergiffenis lijken te vragen voor al het kwaad dat de mens de mens ooit aandeed. Eén verwilderde John Cale verder zit Joe Cocker voor een strandtent genaamd El Dorado een shagje te draaien, naast Tom Waits die met een parmantige draai zijn hoofd van zijn nek lijkt te willen scheiden. Schuin daartegenover houdt Billy Bragg zijn hand omhoog om zijn ogen te beschermen tegen het felle zonlicht; het beeld bestaat uit niet veel meer dan een silhouet, maar de textuur van Braggs wollen handschoen en het gebaar dat hij maakt zijn genoeg om het beeld zowel warmte als kou te laten uitstralen.

Hier, maar vooral ook in de volgende zaal, waar een stuk of negentig vierkante portretten, in de strakke rijen aan de vier muren, je aanstaren, vindt een vreemde omkering plaats: al die beroemdheden wier leven voor een belangrijk deel eruit bestaat door de massa te worden bekeken, bewonderd, aanbeden en gehaat, ze zijn plotseling zelf een kleine massa, een publiek gaan vormen, en ze staren eensgezind vanuit alle windrichtingen terug. Het effect is weldadig. Hoe weinig meer dan een gezicht of bovenlichaam de beelden ook tonen, de compositie is altijd zorgvuldig. Het lijkt op een soort dubbele stilte: er is de verstilling van de momentopname, zoals dat voor iedere foto geldt, maar er is tegelijkertijd ook de stilte van de perfect uitgebalanceerde kadrering, de stilte van het evenwicht.

Het zijn minimalistische portretten die vol genoeg zijn om een klein essay over niets dan zo’n enkel beeld te rechtvaardigen: de duisternis in de wenkbrauwen van Nick Cave, de stok van William S. Burroughs, de bodyguards van Eazy-E, de capuchon van Sinéad O’Connor, de hand van John Lee Hooker, de sigaret en het voor je ogen ouder wordende lichaam van de eeuwige schoonheid die Marianne Faithfull heet. Je baadt in de aanwezigheid van de makers van prachtige films en muziek, schrijvers van geniale boeken en briljante nummers, in die van oogverblindende modellen. En lang voordat U2 na een deal met Apple ongevraagd in ieders iTunes verscheen, was leadzanger en allround weldoener Bono in het werk van Corbijn natuurlijk al jaren onontkoombaar.

Het fijne aan zo’n omvangrijk perspectief is dat je het overzicht het werk kunt laten doen. Als je lang genoeg rondwandelt beginnen sommige beelden en reeksen vanzelf van de muren te springen, terwijl andere naar de achtergrond verdwijnen. Sommige muren lijken in hun geheel tot leven te komen, terwijl andere wat fletser worden.

Je baadt in de aanwezigheid van de makers van prachtige films, schrijvers van geniale boeken en briljante nummers

De 29 beelden uit 33 Still Lives, bijvoorbeeld, worden naarmate je langer kijkt als reeks steeds moeilijker te bevatten. Los willen de meeste beelden wel intrigeren (Danny DeVito met een ballon, Joni Mitchell op het strand, Kate Moss telefonerend in een venster, zij zullen mijn hoofd niet snel verlaten), maar wanneer de zaaltekst je vertelt dat de beelden verwijzen naar de opkomst van de paparazzo-foto’s (‘gestolen kiekjes in de privé-sfeer van beroemdheden’) maar dat ze ook, tegelijkertijd dus, gezien mogen worden als geënsceneerde filmstills, zoals die van Cindy Sherman, dan vraag je je toch af waar je nu precies naar kijkt. Gaat dat wel samen? De filmstill draait om een performance, terwijl de onopgemerkte paparazzo-foto juist het onbewaakte moment vastlegt, een moment waarop niet wordt geacteerd. Daarnaast zit Corbijn vaak zo dicht op zijn onderwerp (en lijkt hij de neiging zorgvuldig zijn compositie te kiezen niet te kunnen weerstaan) dat de beelden eigenlijk nooit een echt terloopse of toevallige indruk wekken. Tegelijkertijd willen ze, enkele uitzonderingen daargelaten, ook maar niet aan verstilde filmscènes doen denken.

Iets soortgelijks gebeurt er in een aansluitende ruimte, waar a.somebody hangt. Corbijn keerde voor deze reeks terug naar zijn geboortedorp Strijen en kroop met hulp van zijn zus, handig genoeg visagist, in de huid van dode beroemdheden. De beelden zijn beangstigend mooi (Corbijn als Joy Divisions Ian Curtis aan de rand van een zwart gat dat wordt gevormd door de schaduw van een gebouw die op een geel veld valt), grappig (Corbijn als Bob Marley), bevreemdend (Corbijn als Freddie Mercury voor een kapsalon) en aandoenlijk (Corbijn als een lachende Buddy Holly in een tuttig Hollands interieur). Maar de serie in z’n geheel deed onwillekeurig denken aan Saul Bellow, die zich in een brief eens richtte tot een jonge bewonderaar die hem een manuscript had toegestuurd. Ene Philip Roth, maar daar gaat het niet om. Bellow prees de personages maar deelde zijn bedenkingen bij een groep Japanners die harakiri pleegt. ‘A great idea, but palpably Idea.’ Hij noemt Camus’ roman De pest ook zo’n Idee: ‘Good or bad? Not so hot in my opinion.’ a.somebody wekte ook de indruk toch vooral een aardig uitgevoerd idee te zijn, iets wat zijn conceptuele kern niet echt weet te overstijgen.

De strakke ernst van de inrichting van de tentoonstelling in het Gemeentemuseum contrasteert mooi met de ronduit uitgelaten sfeer aan de muren van het Fotomuseum. Bands die Corbijn door de jaren heen talloze malen fotografeerde – onder andere de Stones, U2, Nirvana, R.E.M., Depeche Mode en Metallica – hebben hun eigen wand gekregen. Datzelfde geldt voor het enfant terrible Johnny Rotten en Tom Waits (die je, laten we wel wezen, met ieder adjectief tekortdoet). Een diagonaal geplaatste muur in het midden van de zaal biedt ruimte aan de tientallen andere grote en kleine sterren die Corbijn voor zijn camera kreeg.

Het is de dag na het openingsweekend. Nick Cave trad op, Marlene Dumas sprak, Corbijn signeerde en op de website van de nos prijkte een heuse kunstbeschouwing. Dat laatste mag als een bewijs van zijn roem worden gezien. Dat de zaal nu leeg is heeft maar één reden: het museum is op maandagen gesloten. Vanachter de wand met twee dozijn Johnny Rottens klinkt een gesprek. Het is Corbijn die wordt geïnterviewd door de Vlaamse televisie. Ik meen te horen hoe hij beleefd antwoordt op een vraag over zijn overstap naar de cinema. Net wanneer ik me voorneem serieus werk te maken van mijn afluisterpraktijk wordt mijn aanwezigheid opgemerkt: of ik het heel erg zou vinden om een kwartiertje later terug te komen. In de museumkantine denk ik aan de keuze voor de cinema, die Corbijn inmiddels wel echt lijkt te hebben gemaakt. Het stemt op de een of andere manier weemoedig. Control (2007) was een prachtig kleinood en een film waarvan duidelijk was dat niemand anders hem had kunnen maken, maar The American (2010) en A Most Wanted Man (2014) hadden me eigenlijk meer dan koud gelaten. Mooie cinematografie en genoeg beroemde acteurs, maar ze wilden maar niet meer dan de som der delen worden.

Corbijn heeft nooit genoegen genomen met de fotografie. Hij was graag schilder geworden, zegt hij soms. Dat mag dan niet zijn gebeurd, hij maakte prachtige videoclips en als grafisch vormgever hoeft hij zich niet te schamen. (Dat logo van de stad Den Haag even daargelaten.) Maar uiteindelijk zijn het de portretten van kunstenaars, muzikanten, acteurs, schrijvers en modellen die hem een plaats in de geschiedenis zullen opleveren. Dit werk staat met beide benen in de traditie van Yousuf Karsh, Arnold Newman en Richard Avedon. Corbijn is zich hier maar al te zeer van bewust, vermoed ik. Zijn beroemde foto van John Lee Hookers hand uit 1994 kent bijvoorbeeld een duidelijke voorganger in Irving Penns beeld van de hand van Miles Davis uit 1986.

Misschien bevindt Anton Corbijns belangrijkste werk zich wel ergens aan het einde van een tijdperk: voor de digitale explosie en de beeldenlawine die het internet uiteindelijk is gebleken. Het einde van een eeuw waarin roem lange tijd iets was wat in de eerste plaats analoog werd overgedragen en waarin de handmatigheid die fotografie kenmerkte mooi samenviel met de dienstbaarheid die het verbeelden van andermans waarde uiteindelijk vereist.


Anton Corbijn: Holland Deep, Gemeentemuseum Den Haag; Anton Corbijn: 1, 2, 3, 4, Fotomuseum Den Haag, t/m 21 juni


Beeld: Anton Corbijn, The Rolling Stones, Toronto, 1994 (Anton Corbijn, 1-2-3-4, Fotomuseum Den Haag 2015)