De stilte van westerbork

IN DE TIJD dat ik in de hoogste klas van de lagere school zat, volgde ik de eenvoudig onderwezen geschiedenislessen aan de hand van een beduimeld, schaars geïllustreerd boekje. Van de zwart-witplaatjes herinner ik me er geen, op één na. Van de daaronder staande tekst slechts het woord: Westerbork. Treinrails zag ik. In mijn herinnering zonder begin, zonder eind, overwoekerd door dor, taai-geel gras, met her en der een door de wind gestriemde klaproos.

‘Alle wegen leiden door Westerbork’, zou Aus der Fünten eens tegen een aantal joodse mannen hebben gezegd, terwijl deze in een overvalwagen werden geduwd. Inderdaad, de weg voerde 'door Westerbork’, niet 'naar Westerbork’. Het kamp aldaar was niet een eindpunt maar een tijdelijk verblijfsoord waar voor meer dan honderdduizend joden uit Nederland het einde begon. Hoewel er in het kamp volop werd gewerkt, was het in wezen een reservoir dat soms meer, soms minder mensen bevatte, al naar gelang de capaciteit van de concentratie- en uitroeiingskampen in Duitsland en Polen. Met betrekking tot de jodenvervolging in Nederland is over Westerbork misschien wel de meeste literatuur verschenen. In dépot, het in het kamp bijgehouden dagboek van Philip Mechanicus, de beroemde brieven van Etty Hillesum, Boulevard des misères van Jacob Boas - de eerste naoorlogse studie die over het kamp verscheen - en de novelle De nacht der Girondijnen van Jacques Presser brengen de nachtmerrie die het kamp was voor iedereen die er geïnterneerd is geweest, bedrukkend nabij. 'Ze belaagden ons bij elke schrede, zodat wij over onze pleinen niet gaan konden; ons einde was nabij, onze dagen waren vervuld, ja, ons einde was gekomen’, zo luidt de tekst uit Klaagliederen 4:18 op de gedenksteen in Westerbork. WESTERBORK is voor velen het onmiddellijke voorportaal van het einde geweest. Het was een opslagplaats zoals Drancy dat was in Frankrijk, Mechelen in België, Berg in Noorwegen en Fossoli di Carpi in Italië. Evenals in die andere Durchgangslager hebben zich in Westerbork de meest afschuwelijke taferelen afgespeeld. In het najaar van 1939 kwamen de eerste joden - Duitse vluchtelingen - naar Westerbork. Op 1 juli 1942 werd het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork, zoals het tot die tijd had geheten, officieel aan de Duitse bezetter overgedragen. In het vervolg sprak men van het Polizeiliches Durchgangslager Westerbork. Het kamp werd begrensd door een twee meter hoge omheining. Er waren zeven bewaakte wachttorens op een areaal van ruim een halve kilometer. Met een opnamecapaciteit van zo'n 18.000 mensen, 11.000 'legale’ en 650 'illegale’ vluchtelingen, verdeeld over vijftig woonbarakken, begon Kamp Westerbork op 9 oktober 1939 zijn gruwelijk bestaan met de komst van 22 Duitse joden. Dat aantal was bij het uitbreken van de oorlog tot 750 mensen uitgegroeid en op 2 oktober 1942 tot tweeduizend. Door de aanbouw van 24 nieuwe barakken, die ieder driehonderd mensen konden huisvesten, was er medio juli 1943 plaats voor negenduizend mensen. Op 3 oktober 1942 echter zag men zich al geconfronteerd met de aanwezigheid van 1400 mensen, als gevolg van het feit dat alle joden uit de verschillende werkkampen met hun familieleden naar Westerbork waren gestuurd. Over de chaos die toen ontstond, en om de mensen te waarschuwen en hen dringend aan te raden onder te duiken, heeft een toenmalige kampbewoner, de verpleegkundige Bob Cahen, destijds een brief buiten het kamp gebracht. Hij schreef over die derde oktober: 'Wat wij toen hebben meegemaakt, tart elke beschrijving. De mensen kwamen hier aan opgejaagd als vee, sommigen begraven onder hun bagage, anderen met helemaal niets bij hen, zelfs niet eens behoorlijk gekleed. Vrouwen die ziek van bed waren gehaald in een dunne nachtpon gekleed; kinderen in hansopjes op blote voeten, ouden van dagen, zieken, gebrekkigen, steeds maar door kwamen nieuwe mensen in het kamp. De barakken raakten vol, overvol. Er was maar plaats voor tienduizend mensen en steeds kwamen er meer. De mensen moesten zomaar gaan liggen op het ijzer. Nog voller werden de barakken. Mensen lagen of zaten buiten. Sliepen ’s nachts in of onder kruiwagens in de open lucht. Eten was er niet genoeg. Warm eten kreeg men soms in de drie dagen en dan nog niet voldoende. De zuigelingen kregen geen melk meer, er was niets. De pompinstallatie voor de watervoorziening werkte onder hoogspanning. Kon het ook niet meer af en zuiverde het water niet voldoende, met het gevolg dat de mensen ongezuiverd water moesten drinken, met alle gevolgen vandien. Barakken, waar in normale tijden vierhonderd mensen ingingen, werden nu volgepropt met duizend mensen. Die op de grond en overal lagen. Wc’s waren onvoldoende en verstopt. Mannen en vrouwen lagen in één zaal: het was, een chaos!’ Toch ging ook het leven in het kamp, na de vermindering van het aantal mensen door deportaties, gewoon verder. Er werd in Westerbork niet vergast, niet gemarteld, er was slechts weinig bewaking. De mensen werden er gekleed en gevoed, de kinderen gingen er 'naar school’ en er werd hard gewerkt. Men werkte in het metaalbedrijf, in diensten voor de gezondheidszorg, zoals het ziekenhuis, men werkte als landarbeider buiten het kamp, in het atelier, in schoonmaakdiensten, op de technische afdeling, in het onderwijs en de welzijnszorg, en bij de joodse politie binnen het kamp, de zogeheten Ordnungsdienst. Men werkte in de centrale keuken, bij de administratie, of men zorgde voor ontspanning na het werk door het organiseren van cabaretvoorstellingen, 'bonte avonden’, concerten en het uitvoeren van revues, alles door het puikje van het puikje van het artiestendom binnen het kamp. De tijdschema’s voor de deportaties en het aantal mensen waaruit een transport moest bestaan, alsook de eindbestemming van de trein, werden bepaald op het bureau van Adolf Eichmann en van daaruit gedirigeerd; Westerborks kampcommandant Gemmeker deed weinig anders dan de orders doorgeven. 103 treinen zijn er uit Westerbork vertrokken. 78 naar Auschwitz en negentien naar Sobibor, beide in Polen. Zeven gingen er naar Theresienstadt in Tsjechoslowakije en negen treinen naar Bergen-Belsen in Duitsland. Wist men wat men tegemoet ging? Zelfs als men in Westerbork geïnterneerd zat, waarvan - op een uitzondering na - geen weg terug was, wilde men dat uit overlevingsstrategie niet 'weten’. Dat wil echter niet zeggen dat de meeste mensen niet voorvoelden dat na Westerbork een zeker einde wachtte. Men heeft zichzelf in Westerbork onder andere verkocht om maar niet gedeporteerd te worden. Op 2 september 1944 kwam het bevel om het kamp te 'evacueren’; slechts driehonderd gevangenen bleven achter. Bij de bevrijding op 12 april 1945 door de Canadezen bleken evenwel duizend mensen aanwezig. Nog met de bevrijding van het hele land in het vooruitzicht waren zevenhonderd onderduikers verraden. Een 'aangebrachte’ jood leverde immers rond de zeven gulden op. Met name in de twee jaar daarna was het ál verzet wat de klok sloeg in de media en de literatuur. Iedereen die zijn straatje had schoon te vegen, en dat waren er velen, was uiteraard een verzetsheld geweest. Over de vervolging van de joden werd liever niet nagedacht. Zo kon het kamp al direct gebruikt worden als interneringskamp voor NSB'ers, SS'ers en andere als zodanig aangeduide landverraders, wier bewakers, veelal sinds dolle dinsdag in het 'verzet’, zich in het kamp op hun beurt als SS'ers zouden hebben gedragen. Wraak was het wachtwoord. NA DEZE PERIODE werd Westerbork bestemd als opvangkamp voor gerepatrieerden uit Nederlands-Indië, vervolgens gebruikt voor militaire doeleinden, om vanaf 1951 te gaan dienen als woonoord De Schattenberg voor de drieduizend Molukse Knil-militairen en hun gezinnen die na de proclamatie van de republiek de Zuid-Molukken op last van de Haagse rechter naar Nederland waren gehaald in plaats van mee te mogen vechten voor hun onafhankelijkheid. Het verblijf van de Molukkers in Westerbork zou volgens de regering slechts tijdelijk zijn, in afwachting van de verwezenlijking van het RMS-ideaal. Het duurde tot 1970, toen de sterk geïsoleerde, van een terugkeer naar de Molukken dromende gemeenschap met name door inspanningen van dominee Metiary zich bereid verklaarde door te stromen naar andere plekken in het land. 'Er deden allemaal angstaanjagende geruchten de ronde’, vertelde mij eens een oud-bewoonster van woonoord De Schattenberg. 'Dat er bij een bepaalde stand van de sterren bloed langs de muren sijpelde. Bloed van joden.’ Macaber in dat licht is niet alleen dat juist op die plaats een sterrenwacht moest verrijzen, ook al garandeerde dat rust en stilte in en om het voormalige kampterrein. Navranter welhaast is dat bij de afbraak van de barakken vele werden verkocht aan boeren uit de omtrek, die ze zonder enig nadenken als veestal in gebruik namen. Zo werden ook gedeelten van barakken kosteloos ter beschikking gesteld aan de rk-kerkbesturen, bijvoorbeeld ten behoeve van de bouw van een kleuterbewaarschool, zoals dat toen heette. Ook tekenend voor de mentaliteit, als het ging over kamp Westerbork, was het doodgemoedereerd doorgaan met de luidruchtige sloopwerkzaamheden toen op 4 mei 1971 een handjevol mensen om acht uur ’s avonds een herdenkingsbijeenkomst trachtte te houden. Stemmen onder jongere generaties om van het voormalige kampterrein een gedenkplaats te maken, naar aanleiding van televisieseries als De bezetting van Loe de Jong en het in 1965 verschenen boek Ondergang van Jacques Presser, werden pas in 1983 gehonoreerd. Ondanks weinig steun van de overheid en uit de samenleving, en velerlei tegenwerking, kwam in dat jaar de tentoonstellingsruimte Herinneringscentrum Kamp Westerbork van de grond. Dit op twee kilometer van het kampterrein gesitueerde onderzoekscentrum heropende maandag 12 april jl., verbouwd en gereorganiseerd, zijn deuren. IN 1989, in het kader van een studie over Westerbork, bezocht ik enige tijd dagelijks dit sympathieke en in die zin ook on-Nederlandse dienstverlenende centrum. Misschien omdat niemand anders daarmee bezig was, begon ik met de bestudering van de destijds uit de deportatietreinen geworpen briefjes. Soms waren dat niet meer dan snippers. Op een ochtend voelde ik een zoganige behoefte om even verre van het gelezene te zijn dat ik een fiets leende van een van de medewerkers en wegreed, het deed er eigenlijk niet toe waarheen. 'Morne plaine’, schreef Presser voordat hij zijn De nacht der Girondijnen kon beginnen. De rustieke weg langs aangeplant bos maakte het echter moeilijk dit in herinnering te brengen. Totdat ik het huis, geheel intact en bewoond, van de kampcommandant van destijds passeerde. Daar strekte zich die doodse vlakte uit waar Presser op doelde, in navolging van Victor Hugo’s beschrijving van het veld van na de slag bij Austerlitz. Op een kleine glooiing ging ik zitten. Rechts stonden de radiotelescopen van de Stichting Radiostraling Zon en Melkweg. Links enige bomen. Verder zwijgend, verwijtend ruisend bos. Ik ben ervandoor gegaan. De volgende dagen heb ik toch steeds weer die fiets geleend, met onder mijn arm De nacht der Girondijnen, Boulevard des misères van Boas, Het denkend hart van de barak van Etty Hillesum en natuurlijk In dépot van Mechanicus. Op de zevende dag sloot ik dat alles af. Ik nam me voor niet meer terug te keren. Jaren later, toen ik me meer met de 'vervolgers’ dan met de 'vervolgden’ bezighield, ontkwam ik er niet aan naar Westerbork terug te gaan. Niet voor een studie, maar om actief onderzoek te doen. Samen met de beheerder van het Herinneringscentrum, die mij gidste en soms het Drents vertaalde, bezocht ik vijftien mannen en vrouwen die in de onmiddellijke omgeving van het kamp hadden gewoond ten tijde van de deportaties, om hen te interviewen over hun herinneringen daaraan. De winter had al heel vroeg ingezet en was zo streng dat alles bedekt was met een laagje ijs, ook de stammen en de takken van de bomen. Op een zonnige ochtend reden we naar een welvarende boerenhoeve waar een vrolijke, welgedane boer ons opwachtte met sterke koffie en krentenmik. Desondanks verliep het gesprek aanvankelijk niet vlot. De man sprak een voor mij haast onverstaanbaar Drents en hij, op zijn beurt, had duidelijk moeite met mijn vragen. Totdat we op de ruilhandel met 'de jeuden’ kwamen op de aardappelvelden in de directe omgeving van het kamp. Daarover kon hij opeens heel veel staaltjes vertellen. Zichtbaar genoot hij ook nu nog van de toen binnengehaalde voordeeltjes. Ik keek mijn metgezel eens aan. De geurige koffie begon steeds minder te smaken, de krentenmik bleef onaangeroerd. De discussie ging in dialect verder. Maar daar was het raam en daarachter de witte, zuivere wereld parelend in de zonneschijn, de stille, beijzelde takken als van kristal. Toen heb ik die boer strak aangekeken en mijn laatste vraag op hem afgevuurd: 'Droomt u er nog wel eens van?’ Voordien, noch nadien, heb ik een boer horen huilen. De dag erna bezochten we twee zusters. Op hun paasbest zaten ze ons schuw en wantrouwig op te wachten. Nee, van het kamp en zijn bewoners destijds hadden ze niet veel weet gehad. Ach nee, ze waren te jong geweest en daarover werd thuis toch ook helemaal niet gesproken. Het gesprek verliep naar dagelijkse dingetjes en toen de sfeer aanmerkelijk genoeglijker was geworden, vroeg ik terloops waar zij indertijd gewoond hadden. De zusters werden er vlekkerig van in het gezicht. 'Nou ja, in een van de twee tegenover elkaar staande huizen waar de trein uit Westerbork op weg naar Beilen precies tussendoor had gereden.’ 'We hebben nog wel eens briefjes die door die wanhopige mensen uit de trein werden geworpen proberen op te vangen’, zei de ene verontschuldigend. 'Maar ja, van onze moeder’, zei de andere, 'moesten we als de trein voorbijreed de gordijnen sluiten.’ HET LAATSTE interview had ik met een vrouw die tegenover het huidige Herinneringscentrum had gewoond, een weduwe, kinderloos. Zij had meegemaakt - de spoorlijn was nog niet doorgetrokken - dat de mensen vele kilometers te voet moesten afleggen om het kamp te bereiken. Maar van alles wat haar jongemeisjesogen toen hadden opgevangen, wist ze zich niets meer te herinneren. Behalve dan dat ene: die vrouw die in elkaar zakte, uit de rij en in de greppel voor haar ouderlijk huis gleed, en daar kermend in de vrieskou een kind ter wereld bracht. Dat was haar geen dag meer uit de gedachten geweest. Dat ze niets had durven doen. Dat ze niets had gedaan.