Toneel: Drie ensceneringen van Perceval

De stiltes van Luk Perceval

Een van de beste Vlaamse theaterregisseurs gaat zijn taalgebied verlaten: Luk Perceval vertrekt in 2005 naar Berlijn. Een portret aan de hand van drie recente ensceneringen.

Het is lang stil aan het begin van Oom Wanja. De acht acteurs zitten op uitgewoonde stoelen die uit het lood lijken te staan, of last hebben van ongelijke poten. Geen van beide is aan de hand: de speelvloer is letterlijk kromgetrokken. Voorbeeld en model voor deze golvende vloer: het Antwerpse bruine café De Zwarte Panter (regisseur Luk Perceval: «De vloer is daar in welvingen gaan staan door het verspilde bier»). Het kale speelvlak is omhangen met een groenig gordijn. Een bebrilde man met korte baard doorbreekt de stilte, door tussen zijn tanden (en met veel speeksel) te lispelen: «Kust m’n kloten, godverdomme, ik zie niemand geerne, ikke, en niemand zie mij geerne.» De toeschouwer glijdt via ongemakkelijke stiltes als het ware ongemerkt de vertelling binnen.

Die vertelling is een uitgebeende versie van Tsjechovs Oom Wanja. Suf gelulde mensen bijeen op een Russisch landgoed. Ruzies over geld en onroerend goed. Onmogelijke liefdes. Het is Tsjechovs meest claustrofobische stuk. Er is geen buitenwereld. De personages kijken tegen hun aan diggelen gevallen dromen aan. En zien de dood recht in het gelaat. Hun gemompel over een toekomst is toekomstloos.

Luk Perceval en zijn ensemble hebben dit dodenhuis radicaal aangepakt. Het onweer in het tweede bedrijf is een hoosbui, de acteurs worden drijfnat. De dronkenschappen in die acte zijn op de rand van pijnlijk. Astrov maakt van zijn delirium tremens een adembenemende slow-motion-zweefduik-in-onderbroek over de stoelenrij. De verlegen, verliefde muurbloem Sonja (fout mantelpak, verkeerde bril, overslaande Miss Piggy-stem) tart alles wat denkbaar is bij dit Tsjechov-personage. Ze slaat ontroering over haar onmogelijke liefde voor de huisarts Astrov meedogenloos kapot. Perceval duldt geen ingeleefde compromissen of toneel psychologie. Zijn acteurs delen hoogstens (na de pauze) wat emotionele dreunen uit. De wanhoop waarin ze elkaar tegen het hopeloze slot proberen vast te houden is keelsnoerend mooi.

Luk Perceval (1957) gaat naar Berlijn. Vanaf augustus 2005 wordt hij vaste regisseur bij de Schaubühne, naast de artistiek directeuren Thomas Ostermeier (toneel) en Sasha Waltz (dans), die in 2000 het verweesde, ooit prestigieuze Berlijnse gezelschap over namen. De versterking van de toneelcomponent binnen de Schaubühne lijkt hard nodig. Ostermeier en zijn gastregisseurs leggen het — in ieder geval wat publieke belangstelling betreft — af tegen de dansvoorstellingen van Sasha Waltz. Waltz wil haar groep dansers binnen de Schaubühne uitbreiden van 12 naar 22, wat een verhoging van het budget van 11,9 miljoen euro naar dertien miljoen zou betekenen. Geld dat de Berlijnse senaat misschien wel wil maar niet kan geven. Omdat het er niet is. Berlijn is bankroet.

Perceval is een goede bekende in de hoofdstad van het verenigde Duitsland. In 2000 werd zijn Hamburgse Shakespeare-marathon Schlachten (de Duitse bewerking van de met schrijver/vertaler Tom Lanoye in 1997 in Gent gecreëerde cyclus konings drama’s Ten oorlog!) op het Berlijnse Theatertreffen uitgeroepen tot voorstelling van het jaar. Zijn stille regie van Jon Fosses Traum in Herbst (München, 2001) werd in 2002 naar het Berlijnse festival uitgenodigd. In de Schaubühne was eerder Percevals bewerking van Aeschylos’ Oresteia, Aars (première Holland Festival 2000) te zien. Luk Perceval heeft twintig jaar leiding gegeven aan de Vlaamse gezelschappen Blauwe Maandag Compagnie en Het Toneelhuis. Hij laat de tropenjaren van het leiderschap (en het verruwde cultuurklimaat in Antwerpen) met gemengde gevoelens, maar ook met een zucht van verlichting, achter zich. Regisseren wil hij. In Berlijn. Luk Perceval voelt zich thuis in een gezelschap van veertig vast gecontracteerde acteurs en dansers, in een gebouw waar alles kan, in een weliswaar failliete metropool waar echter wel een klimaat heerst waarin het toneel nog altijd wordt omarmd.

In december 2003 ging zijn eerste Schaubühne-regie in première, Racines classicis tische versdrama Andromache, in een bewerking (en bekorting) van Luk en Peter Perceval die een jaar geleden al in de Antwerpse Bourla bij Percevals eigen Toneelhuis te zien was. Andromache is het verhaal van post- traumatische oorlogsstress, na afloop van de strijd om Troje, door de Grieken gewonnen. Een keten van onmogelijke liefdes in de slagschaduw van een oorlog die alleen maar verliezers kent. Met in het centrum de titelheldin, oorlogsweduwe van de Trojaanse prins Hektor.

De gebroeders Perceval schrapten drie bijfiguren en behielden vijf centrale perso nages: Pylades, de manipulator achter de schermen; Orestes en Hermione, twee oorlogskinderen verwikkeld in een onmogelijke liefde; en de Griekse koning Pyrrhus die vergeefs van Andromache houdt. Die titelheldin staat boven alle lijden en heeft nog slechts één doel: haar zoontje, de vrucht van een onblusbare liefde, beschermen.

Percevals Schaubühne-enscenering is een wonder van verstilling. Langzaam wordt een metershoog gordijn naar achteren geschoven. We zien een uit een grote stapel platen gebouwd soort altaar, waarop alle personages naast elkaar zitten. Beneden, op de vloer, loert het gevaar: een onafzienbare hoeveelheid lege drankflessen in een zee van glassplinters, waaraan Hermione er in haar woede nog flink wat toevoegt. Het origineel is teruggebracht tot 58 minuten hallucinerend gesproken (elektronisch versterkt), strak op het «altaar» gechoreografeerde tekst. In het centrum van de handeling: Andromache, door Schaubühne-veterane Jutta Lampe, bij mijn weten in deze voorstelling voor het eerst terug op haar oorspronkelijke thuis basis. Perceval laat Lampe het overgrote deel van de voorstelling zitten met de handen op haar rug. Als de climax van de vernietiging nadert, komen die handen opeens tevoorschijn. In de paar minuten die dan volgen tovert Lampe met een simpele gestiek een universum van verdriet bij elkaar.

Of deze enscenering ooit onze kant op zal komen, staat te bezien. Percevals Oom Wanja wel, die staat op 18 januari in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Boeiend vergelijkingsmateriaal voor de Tsjechov-liefhebbers: eerder in januari speelt Ivo van Hoves versie van Drie zusters in dezelfde zaal. Op 5 en 6 maart is een andere regie van Luk Perceval in onze omgeving geprogrammeerd: zijn versie van Shakespeares Othello komt naar de Antwerpse Bourla-schouwburg. Perceval regisseerde het stuk onlangs bij de Münchner Kammerspiele. Als openingsproductie van het geheel verbouwde Schauspielhaus (vier jaar bouwtijd, kosten 110 miljoen euro) aan de Maximillianstrasse. De Kammerspiele is een van de grootste toneelfabrieken van Duitsland: bijna zestig vaste acteurs en gastspelers, meerdere podia op wandelafstand, twintig miljoen euro subsidie per jaar, en geen reisverplichtingen.

Ook Othello is fors bewerkt, door de van geboorte Turkse maar in Duitsland opgegroeide schrijver Feridun Zaimoglu en de Duitse auteur Günter Senkel. Met name Zaimoglu maakt zich in zijn werk tot tolk van de tweede en derde generatie Duitse Turken, op het snijvlak van gedwongen integratie en uitgekotst worden, tussen aanpassing aan de Duitse levenswijze en koppige islamisering. En vooral tegen de hype van de multiculti-trends. Othello heet in deze bewerking geen «moor» of «neger» maar Schoko, het chocolademannetje. De radicale ombouw van Shakespeares tekst (Zaimoglu in het programmaboek: «Ich hasse Originaltreue wie die Pest») blijkt onder meer uit de beroemde haatmonoloog van Othello’s tegenstander, Jago, eind eerste bedrijf: «Ich hasse den Schoko — es wird gemunkelt, dass er in meinem Purpurbett mein Weib gevögelt hat. Scheisegal, ob es wahr ist oder nicht, ich traue es den geilen Bock zu. Es liegt in seinen Genen, jede Frau aufs Kreuz zu legen, wenn er sie zu fassen kriegt. Er hält mich für korrekt. Dass ist mein Vorteil und sein Handicap.» De militairen spreken een keiharde machotaal.

De Beierse televisiebewerking van de voorstelling werd aangekondigd als «ongeschikt voor kinderen onder de zestien».

Ook deze Perceval-voorstelling begint in stilte. In het centrum van het verder kale speelvlak (witte vloer, zwarte wanden) staat een zwarte Steinway-vleugel op een krap podest dat een op zijn kop gezette witte vleugel lijkt. Achter de Steinway zit de jazzpianist Jens Thomas. Enkele spelers uit het eerste bedrijf zijn aanwezig. Dan komt de vader van Othello’s liefje Desdemona, senator Brabantio op. In doodse stilte kleedt hij zich uit tot op de witte onderbroek. Daarna begint Jago met een ijzige kalmte het haatcomplot tegen Othello op te zetten, waarbij Brabantio zich razendsnel weer aankleedt. Snelheid is hier geboden (de voorstelling duurt nog geen twee uur zonder pauze). Bijfiguren in Shakespeares plot zijn geschrapt. De beroemde verdwijntruc met Othello’s zakdoek wordt gereduceerd tot een onhandig gedoe met een tissue. De ultieme genadeklap die Jago aan Othello uitdeelt, in de beruchte scène in het derde bedrijf, wordt Othello hier in zijn oor gefluisterd. De woorden doen er niet meer toe. Othello is toch al verloren.

Thomas Thieme, die eerder een fascinerende Richard Motherfucker den Dritten creëerde in Percevals Shakespeare-marathon Schlachten, speelt Othello, als waarschijnlijk de eerste «nobele Moor» in de Duitse theatergeschiedenis die níet met zwarte schmink is toegetakeld. Racisme is hier niet hét, maar slechts één van de thema’s. Thieme speelt Othello als een gedesoriënteerde en gedesillusioneerde militair in de overgang, die slechts oorlogen heeft gekend, die alles heeft meegemaakt en gezien, en die in zijn liefde voor de veel jongere Desdemona (kittige tiener door Julia Jentsch) een vrede zoekt die voor hem te laat komt.

Wolfgang Pregler maakt van Jago een koude manipulator die alle boeken die zijn volgeschreven over Jago’s motief om Othello te martelen, ijzig terzijde schuift: hij heeft zich rot gewerkt voor de Schoko, is door hem gepasseerd bij een cruciale militaire benoeming, Othello moet dus gewoon dood. Klaar. Discussie gesloten.

Jago’s vrouw Emilia (Sheri Hagen) is de enige zwarte in dit gezelschap. Dat is opmerkelijk. Of zoals een criticus in een Duitse krant het samenvatte: «Perceval creëert een racisme-trio: Othello heeft de rol, Jago de taal, Emilia de huidskleur.»

Centraal in de handeling staat de vleugel en zijn bespeler. Jens Thomas begeleidt vrijwel de hele voorstelling met zijn pianospel. Als een kruising tussen een mompelende Glenn Gould en een kreunende Keith Jarret is hij met zijn fabuleuze spel de emoties op de speelvloer soms net voor, of hij voorziet ze achteraf van commentaar. Hij is de muzikale golfslag van Shakespeares plot, ragt over toetsenbord en snaren, schreeuwt het uit of huilt zachtjes met zijn instrument (en de slachtoffers op de scène) mee. Jens Thomas is het bonkende hart van deze fascinerende sectie op een meesterwerk. Het Münchense publiek (en de kritiek) moesten er erg aan wennen. Ik kon er, ook na twee keer kijken, geen genoeg van krijgen.

Luk Perceval is definitief aangekomen in het Duitse theater. En de Antwerpse schepenen zullen hem er niet snel meer vandaan lokken.

Oom Wanja door Het Toneelhuis is te zien op 18 januari in de Amsterdamse Stadsschouwburg, en op 3 en 4 februari (extra voorstellingen) in de Antwerpse Bourla. Informatie: www.toneelhuis.be.

Othello door de Münchner Kammerspiele is te zien op 5 en 6 maart in de Bourla in Antwerpen, en staat nog het hele seizoen op het repertoire in het Münchner Schauspielhaus. Informatie: www.muenchner-kammerspiele.de.

Andromache staat nog het hele seizoen op het repertoire in Berlijn. Informatie: www.schaubuehne.de.

_________________________

Ondertussen in andere theaters: De gesluierde monologen

Op de flyer van de voorstelling staat een uitspraak van een vrouw uit Mali, in gesprek met actrice/regisseur Adelheid Roosen: «Er zijn elke keer vier mensen aanwezig bij een gesprek. Dat bent u, dat ben ik, dat is degene die ik van u maak en degene die u van mij maakt.» Die tekst werd het motto van een voorstelling die Adelheid Roosen regisseerde over islamitische vrouwen en hun seksualiteit, meer in het bijzonder: de vagina van Turkse, Marokkaanse en Somalische vrouwen, ofwel hun «koet», hun «zebra». Wij mannen waren heftig in de minderheid op die grijze decemberavond in 2003 in de Rotterdamse Schouwburg. Op het toneel vier vrouwen: drie actrices en een muzikant, bespeelster van dat toverachtige, lange, magische snaarinstrument dat saz heet. Anderhalf uur lang verhalen en muziek. Met zoetigheid en thee vooraf, en ovaties en een geluksgevoel achteraf. Welkom bij De gesluierde monologen.

Adelheid Roosen legt als regisseur een jaloersmakende nieuwsgierigheid aan de dag. Ze speelde zelf in De vagina monologen van Eve Ensler, en verzamelde door middel van interviews vergelijkbare en totaal onvergelijk bare verhalen van islamitische vrouwen. Een wisselend trio actrices doet de verhalen, de saz-speelster Seval Okyay is er altijd en ook zij spreekt tegen het eind een bloedstollend mooie monoloog, over een vagina op drift.

De avond begint blij en luchtig, en vooral dwars tegen de vooroordelen in. Ik viel om van verbazing over de daverend vrolijke en vooral ook prachtig poëtische toon die de vrouwen aanslaan over seksualiteit, vrijen, naaktheid, elkaar bekijken, klaarkomen. Zo wordt er een mooi verhaal verteld dat De laatste dagen heet, waarin een vrouw vertelt dat ze een orgasme beleeft zonder dat ze weet wat dat is. «Ik ben in mezelf gerold, in mezelf omgevallen.»

In het tweede deel worden de verhalen allengs harder, minder vrolijk, gruwelijk soms — maar ook als het over zo’n pijnlijk onderwerp gaat als besnijdenis blijft de poëzie de anekdotiek in een helder licht plaatsen. Zoals in het verhaal De twaalf klokjes waarin een Somalische moeder aan haar dochter uitlegt dat haar besnijdenis deel is van haar leven. De dochter, fel tégen vrouwenbesnijdenis, luistert geëmotioneerd naar haar moeder, en raakt in de war: het oude spel van voor en tegen werkt niet meer. Ook de passage over het triomfantelijk tonen van bebloede ontmaagdingslakens heeft een ontnuchterende werking: «Hoezo achterlijke cultuur? Wij hangen de vuile was wél buiten, hoor!»

Er werd deze avond gespeeld door Yasmina Nazmiye, Meral Polat en de eerder genoemde saz-speelster. Er was nog een derde actrice, iets ouder en mooi mollig, van wie ik de naam niet ken. Zij speelde de spotjes uit het lichtplafond tijdens een demonstratienummer waarin vijf methoden uiteen worden gezet om in de huwelijksnacht een gebroken maagdenvlies te faken. Ik ben van mijn stoel gerold van het lachen, zag én de griezelige tragiek én de overlevingshumor van vrouwen onder de pressure cooker van islamitische dwangneurosen.

Het nieuws achteraf (gelezen in een interview met regisseur Adelheid Roosen) dat voor dit project geen overheidssubsidie werd verleend, schokte me. Wél steun voor een kunstzinnige en twijfelachtige illegalen-volkstelling in Amsterdam, géén steun voor deze sterke teksten, deze geweldige blijf-van-mijn-lijf-en-kom-aan-mijn-lijf performers. Het blijft een maf land, multiculti- polder-Holland. LZ

De gesluierde monologen zijn nog tot medio maart overal in Nederland te zien. Niet op de bonnefooi gaan, altijd vooraf reserveren, het is namelijk altijd vol, pardon: druk.

Inlichtingen: www.bostheaterprodukties.nl