Herman Brusselmans, Het spook van Toetegaai

De stoelgang van prinses Mathilde

Herman Brusselmans

Het spook van Toetegaai

Prometheus, 335 blz., e 17,95

«Wie hier niet voor valt is gek. Lang leve Brusselmans.» Dit staat op de ach ter flap van Herman Brusselmans’ nieuwste roman, mijn naam staat erbij. Ooit schreef ik deze zinnen over Brusselmans’ roman De droogte (2003) waar ik voor viel als een baksteen: oeverloze ouwehoerpraat, paginalange routebeschrijvingen door Antwerpen, eindeloze opsommingen van cafénamen en waanzinnige uitspraken (de mooiste: «Ik ben een renaissancistisch mens»). Hoeveel boeken heb ik van Brusselmans gelezen? Een stuk of tien schat ik, niet erg veel als je bedenkt dat hij sinds 1982 64 boeken schreef, meest romans, waarmee hij al jaren een steeds maar uitdijend lezerspubliek van verpletterende antiliteratuur voorziet. Romans dus waarin vrijwel niets gebeurt, de helden in cafés lamlendig bier en whisky drinken, dan naar een ander café gaan om daar verder te drinken. Literaire regels lapt hij aan zijn laars, of parodieert hij. In zijn werk ontbreekt diepgang, er is geen ontwikkeling in karakters, geen hoofd- of nevenplot, geen natuurbeschrijving (hoogstens een parodie daarop door de beschrijving van een café-interieur). Er is geen catharsis, geen morele boodschap (wel parodieën daarop), geen beeldend proza (hoogstens pesterijen daarover), geen spanningsboog (vaak doelbewust het tegendeel), geen drama. Als lezer weet je wat er komt, niet omdat Brusselmans je het gevoel geeft dat je zo knap bent, maar omdat hij zelf alles aankondigt: nu ga ik dit of dat beschrijven en daarna komt zus of zo. Iets wat in «echte» literatuur natuurlijk streng verboden is. Brusselmans verdomt het om literatuur te schrijven en juist daarom is hij al jarenlang iedere keer opnieuw zijn eigen avant-garde. Hij is de enige en dus tegelijkertijd de slechtste en de beste vertegenwoordiger van een bewonderenswaardig en hardnekkig genre: het brusselmansis me, dat uiter aard net zo gekunsteld is als welke literatuur dan ook omdat iedere literatuur nu eenmaal gekunsteld is.

Alles goed en wel, maar waarom zou je dit keer op keer gaan lezen? Ik kan jammer genoeg niet in de koppen van zijn fans kijken, maar wel zo’n beetje in mijn eigen kop. Het is bij mij altijd een kwestie van even volhouden. Net als bij een film van Eric Rohmer, waarbij je eerst ook denkt: kan dat niet eens ophouden, en je dan toch binnen een paar minuten gewonnen moet geven. Ik bedoel niet dat Brusselmans’ werk ook maar iets met dat van Rohmer te maken heeft, maar het werkt net zo op mij uit. Ik wil het niet, daar heb je hem weer, hou eens op; ik begin te lezen en ja hoor, als ik het niet dacht, daar gaan we weer en ik wil het allemaal nog weten ook. Ik krijg er maar geen vinger achter: dit werk is banaal, doorzichtig, puberaal en saai en toch val ik ervoor. Eerst vraag ik me tijdens het lezen nog wel af: hoe zou die jongen dat toch doen, zit hij echt doelbewust al dat onzinnige geouwehoer bij elkaar te typen zonder ook maar aan iets te denken? Lekker doortypen op de automatische piloot? Ik kan het me niet voorstellen.

Natuurlijk niet. Hij heeft net als iedere schrijver een doelbewust plan, met een schema, een idee, een gevoel: eerst die grap, dan die, nu maar weer iets met de stoelgang van prinses Mathilde, pas dan een tochtje in de Lada, nu een grap over literatuur, nee, eerst even een paar cafénamen, moet ik niet iets over moslims zeggen, of zal ik er eerst maar weer een obscene fantasie tegenaan gooien? Als ik eenmaal op weg ben in dit werk, ook weer in deze laatste roman, kan het me allemaal ineens niets meer schelen. Kom maar op, Brusselmans!

Je hebt natuurlijk mindere en betere brusselmansen. In de mindere heeft de toon iets verbetens, zie bijvoorbeeld Pitface uit 2001, dat doodsloeg in pretentieuze gewelddadigheid. Zijn werk moet het hebben van de juiste toon, ik denk dat hierover in de werkkamer van Brusselmans harde strijd wordt geleverd. Tref ik de juiste klagerigheid, de juiste echte en tegelijk valse verontwaardigdheid, de juiste echte of valse betrokkenheid, het overtrokken zelfmedelijden, het belachelijke sentimentalisme. Tref ik dat? Hou ik het allemaal bij elkaar?

In deze laatste roman is het weer dik voor elkaar. In tijden heb ik niet zo gelachen om een roman, en zeker ook om de fraaie reflecties die Brusselmans over het schrijven van een roman te berde brengt. «Een van de keerpunten in m’n leven was deze zin», staat er bijvoorbeeld: met één zinnetje de hele romankunst en het gedoe daaromheen aan flarden geschoten. Of : «Ik ben in wezen klassiek geschoold.» Over zo’n zin kan ik dagenlang lopen grijnzen. Of neem de verpletterende slotzin: «De werkelijkheid nam het eindelijk weer over»: de gotspe van de eeuw. Of: «De plot mag natuurlijk niet alles overheersend zijn», terwijl er van een plot nauwelijks sprake is. Of ergens halverwege: «Ik denk dat ik al over de helft ben. Dat wordt hoe dan ook hard werken.» Het valt niet mee op te houden met citeren uit dit hoogtepunt van het brusselmansisme. Wie hier niet voor valt is gek. Lang leve Brusselmans.