Het parlement als theater

De stolp aan gruzelementen

Was het Nederlandse parlement tijdens de verzuiling het symbool van eenheid van de natie, tegenwoordig lijkt het volgens de historici Remieg Aerts en Frank Ankersmit steeds meer een symbool van verdeeldheid.

BELEVEN we in deze tijd het einde van de democratie zoals wij haar kennen? Historicus Frank Ankersmit vreest met grote vreze. Het bestel waarin het hoogste gezag toekomt aan de volksvertegenwoordiging oogt volgens hem als een bouwval met instortingsgevaar, zeker nu, onder de druk van de eurocrisis. Zijn collega Remieg Aerts heeft een groter vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de vertegenwoordigende democratie. Zeker het Nederlandse bestel kent volgens hem een lange traditie van schipperen, van pragmatisch plooien en schikken naar nieuwe omstandigheden, om de democratie werkbaar te houden. Waarom zou dat nu niet meer lukken?
Los van dat verschil van mening zijn Ankersmit en Aerts eensgezind over de richting waarin de democratie zich waarschijnlijk zal ontwikkelen. Ze voorzien een autoritair geleid systeem, met een parlement dat het meer moet hebben van theatrale verbeelding van wat onder het volk leeft dan van reële invloed.
Europa is al een eind op die autoritaire weg gevorderd, bleek vorige week toen Europese leiders in woede ontstaken over het initiatief van de Griekse premier Papandreou om het volk een oordeel over het Europese noodpakket te vragen. De Grieken moeten hun mond houden, hoe diep ook zal worden ingegrepen in hun bestaanszekerheid.
Ankersmit: ‘Er zal weinig overblijven, vermoed ik, van democratie in de eigenlijke zin, een methode om de wil van de bevolking door te geleiden aan een dienstbare staat. In plaats daarvan krijgen we een staat die in grote autonomie zijn beslissingen neemt en alleen nog kan worden gecorrigeerd als hij er echt een grote rotzooi van maakt. Wat we nu al op Europees niveau zien gebeuren, dat krijgen we ook op nationaal niveau. Dat kan óók een vorm van democratie zijn, maar wel een andere dan we gewend zijn.’
Remieg Aerts: 'Meer een democratie naar Frans model, verticaal georganiseerd, waarin Europese of andere internationale structuren van bovenaf beslissen welke ruimte regeringen nog voor eigen beleid hebben. De burgers zullen niet veel meer te zeggen hebben. Het gevolg is dan een democratie van de straat, een conflictmodel waarbij de onenigheid in harde acties en confrontaties op straat wordt uitgevochten.’
In hotel Wientjes in Zwolle gaan Ankersmit en Aerts op verzoek van De Groene in discussie over de rol van de volksvertegenwoordiging in de moderne tijd, een thema waarover beiden regelmatig publiceren. Ankersmit, emeritus hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis in Groningen, filosofeerde over dit onderwerp in onder meer Aesthetic Politics (1997) en Political Representation (2001). Aerts belichtte het recent in Het aanzien van de politiek (2009), waarin hij zijn oratie als hoogleraar politieke cultuur in Nijmegen uitwerkte.
Ankersmit: 'Een volksvertegenwoordiger heeft drie taken. Hij vertegenwoordigt het volk, hij fungeert als medewetgever en hij is controleur van het regeringsbeleid. De grote vraag is in hoeverre die competenties en verplichtingen altijd met elkaar zijn te verzoenen. Volgens mij is er vooral een probleem in de verhouding tussen volksvertegenwoordiging en medewetgeving. Want in die hoedanigheden is de parlementariër zowel advocaat als rechter. Als volksvertegenwoordiger is hij advocaat van de bevolking en verdedigt hij de belangen van degenen die hem hebben afgevaardigd, als medewetgever daarentegen moet hij daarover ook beslissen en functioneert hij dus als rechter. We weten allemaal dat het in een rechtszaak niet goed met je afloopt als je te maken krijgt met iemand die zowel advocaat als rechter is. Als de rechter op de stoel van de advocaat gaat zitten, dan word je niet goed verdedigd, als de advocaat de rol van de rechter overneemt, dan krijg je rare uitspraken. Dit is een fundamentele basisfout die in alle representatieve systemen zit, met als gevolg dat de volksvertegenwoordiger een opdracht heeft die hij niet goed kan uitvoeren. Dat gaat zich wreken als de tijden moeilijk worden voor de democratie, zoals nu.’

VOLGENS ANKERSMIT weten vooral bestuurderspartijen, zoals CDA en PVDA, zich geen raad met hun strijdige identiteiten. Mede daardoor lijden hun partijen aan wankelmoedigheid, onherkenbaarheid en andere crisisverschijnselen: 'Bijna als vanzelf is de basishouding van Kamerleden van die partijen die van medewetgever, waardoor hun rol van advocaat van het volk op de achtergrond raakt. Dát is volgens mij het gat waarin Geert Wilders is gesprongen. Hij is een uitgesproken advocaat van zijn achterban en wil ook liever geen medewetgever zijn. Die gedoogconstructie past hem dus veel beter dan daadwerkelijk deelnemen aan de regering. Zo heeft-ie maximaal profijt. De staatkundige logica van ons systeem stimuleert op dit moment dus het populisme. Dit soort dingen gebeurt als dat systeem in crisis raakt. Dan wordt die tweespalt tussen de advocaat en de rechter in de volksvertegenwoordiger pijnlijk zichtbaar en voelen partijen zich uitgenodigd om daarop te reageren zoals populistische partijen dat doen.’
Aerts: 'Ik ben minder pessimistisch over de mate van verval waarin het systeem verkeert. Frank redeneert principieel staatsrechtelijk, wat op zichzelf leerzaam is en het inzicht in de werking van de democratie verdiept, maar ik zou zelf meer de focus richten op de historische praktijk. En die is gewoonweg dat we ertoe zijn veroordeeld te moeten rommelen met een systeem dat geen interne logica heeft. Nederland heeft gaandeweg een bestel gecreëerd dat ondanks allerlei interne weeffouten functioneert, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Daarmee hebben we leren werken, met een kleine aanpassing hier of een ingreepje daar. Grote, principiële systeemwijzigingen zijn hier alleen tot stand gekomen onder druk van een zware crisis of revolutionaire woelingen, zoals ten tijde van het Bataafse regime in 1798, de Europese revoluties van 1848 of de Eerste Wereldoorlog. Voor het overige schipperen we al tweehonderd jaar, heel pragmatisch. Zo is een monarchaal bestel, waarin de volksvertegenwoordiging niet veel meer was dan een vorm van inspraak bij de vorst, met een reeks kiesrechthervormingen geleidelijk aan gedemocratiseerd, net zo lang tot het algemeen kiesrecht was bereikt. Cruciaal is de omslag eind negentiende, begin twintigste eeuw, waarbij een afstandelijke notabelendemocratie is verdrongen door een democratie waarvan het zwaartepunt in de samenleving ligt. Volkspartijen en allerlei maatschappelijke organisaties hebben toen vanuit de samenleving de volksvertegenwoordiging gekoloniseerd en daarmee de facto het hele bestel gedemocratiseerd. Nu zijn we een eeuw verder en zien we hoe de democratie opnieuw in beweging is.’
Ankersmit: 'Het is een kwestie, zeg jij, van voortmodderen met een systeem dat vanouds weeffouten vertoont. Dat is op zich niet rampzalig, dat is zo. Niets in de wereld is volmaakt, met wat schipperen kunnen we heel wat problemen oplossen. Maar dat neemt niet weg dat door dat voortmodderen scheuren in het bestel die keurig waren weggeplamuurd opeens kunnen openbreken, waardoor hele brokstukken uit de dragende muren vallen en misschien die muren zelf wel instorten. En dat is wat we nu meemaken. Voortmodderen is niet meer voldoende, vrees ik, met de schaal van de problemen waar we voor staan, niet in de laatste plaats de crisis rond de euro en de schuldenlast van Europa en Amerika. En dus moeten we ons afvragen hoe we nu verder gaan met de vertegenwoordigende democratie. Is zo'n systeem nog mogelijk in een Europa met zoveel lidstaten? Hoe ziet de democratie eruit wanneer die vertrouwde stolp van de achttiende- en negentiende-eeuwse natiestaat aan gruzelementen valt?’
Aerts: 'Hier ben ik het helemaal met je eens. Het is evident dat de vertegenwoordigende democratie zware tijden tegemoet gaat onder invloed van de financiële crisis.’
Ankersmit: 'Daar komt het probleem van het verdwijnen van de ideologieën bij. Dat is niet zozeer verdrietig omdat die ideologische ideeën allemaal zo geweldig mooi en uitstekend waren, want dat waren ze niet, maar wel omdat ze een rangorde, een hiërarchie in de politieke prioriteiten zichtbaar maakten. Ze schiepen samenhang én maakten duidelijk wat het onderscheid was met andere partijen. Ideologie is dus wezenlijk voor het functioneren van een representatieve democratie. Zij is als het ware de benzine waarop de motor van dat systeem loopt. Het is niet toevallig dat die motor gaat haperen in de loop van de jaren negentig, wanneer die partijen menen dat het postideologische tijdperk is ingetreden en zich ook daarnaar gaan gedragen. Dat fenomeen van de zwevende kiezers die overal heen vliegen, waarvan men steeds meer last heeft in Den Haag, komt doordat de motor is afgeslagen.’
Aerts: 'Dit zie ik anders. De partijendemocratie zoals die in de late negentiende eeuw is ontstaan, dat bestel met ideologisch geladen volkspartijen en een duidelijk lokaliseerbare maatschappelijke achterban, loopt ten einde. Dat is zo. Maar is dat op zichzelf een probleem voor de vertegenwoordigende democratie die wij hebben? Wat is nu eigenlijk het bezwaar tegen zwevende kiezers of tegen de opkomst van een nieuw type partij, zoals de PVV? Hoe je ook oordeelt over het profiel van Wilders’ groepering, uit oogpunt van de representatie van wat er leeft in de samenleving kun je niet van een probleem spreken. Ook niet als zo'n partij een heel vluchtige aanhang heeft. De democratie is in een fase terechtgekomen waarin partijen zichzelf op een andere manier legitimeren. Wilders is daar een goed voorbeeld van. Hij bedrijft een creatieve vorm van politiek, gebaseerd op een veranderlijke agenda. Hij luistert naar wat er in de samenleving opborrelt, past zijn agenda aan en verwerft op basis daarvan een mandaat. Hij heeft helemaal geen duidelijk lokaliseerbare achterban. Zijn aanhang is van een tijdelijke samenstelling en kan dus misschien over een jaar of wat geheel zijn veranderd. Dat doet niet af aan de representatie van wat er op dit moment onder zijn kiezers leeft.’

ANKERSMIT: 'Je kunt volgens mij wel zeggen dat met al dit soort nieuwe partijen de partijendemocratie niet meer goed functioneert. Het lijkt me toch logisch dat een partijendemocratie alleen kan functioneren als partijen iets voorstellen. En het fenomeen van de zwevende kiezer kun je moeilijk anders uitleggen dan dat partijen niets meer voorstellen. Als iemand de ene keer SP stemt en de andere keer de PVV, of zoals ik, een tijdlang VVD en dan weer iets anders, dan zijn partijen blijkbaar volkomen inwisselbaar geworden.’
Aerts: 'Volgens mij kun je niet zoveel meer vaststellen dan dat een partij als die van Wilders niet meer het type is dat in naam van een vaste achterban opereert.’
Ankersmit: 'Het feit dat het zwevende electoraat tegenwoordig verreweg de grootste kiezersgroep is, duidt erop dat de politiek, daar in Den Haag, zich met heel andere dingen bezighoudt dan met de samenleving. Wat hebben die twee elkaar nog te zeggen? De burgers verstaan de politici niet goed meer. Daar zit de rot in het systeem. Dat had je niet in de tijd van de ideologisch geprofileerde partijen. Toen wist iedereen wat hij aan maatschappelijke veranderingen kon verwachten als hij op de PVDA, de VVD of het CDA stemde. Nu zijn politieke partijen vooral met zichzelf bezig, niet zozeer met de samenleving. Ze hebben niet meer de ambitie de maatschappij te hervormen. Dat hebben ze na de totstandkoming van de verzorgingsstaat, dat grote naoorlogse project, opgegeven. Vergelijk dat eens met de politiek op haar ideologische hoogtepunt, ten tijde van Joop den Uyl, die kennis, macht en inkomen wilde spreiden. Dát was een programma, potverdrie zeg! Iedereen die niet op de PVDA stemde schrok zich dood! Mijn vader hoefde Den Uyl maar op de televisie te zien of hij hing al in de gordijnen en was thuis drie dagen niet te genieten. Je kunt nu rustig naar Emile Roemer kijken, hoe conservatief je ook bent, zonder warm of koud te worden.’
Aerts: 'Maar Frank, voorzover de partijen de portee van de grote thema’s daadwerkelijk missen, worden ze nu juist op scherp gesteld dankzij het zelfreinigend vermogen van het democratische systeem, dat zich manifesteert in de opkomst van nieuwe politieke groeperingen die verwoorden wat er leeft in de samenleving. En ook al doen ze dat op een wijze die we van de oude, ideologisch geladen partijen niet gewend zijn, het democratische probleem ervan kan ik niet inzien. Ook niet als zal blijken dat de partijen die we al zo lang kennen aan het einde van hun levenscyclus zijn gekomen. Een van de grote thema’s van deze tijd lijkt mij de steeds diepere scheiding die zich begint af te tekenen tussen kosmopolieten, de burgers die zich prettig voelen bij de internationalisering van onze samenleving, en degenen die zich daardoor juist in hun bestaanszekerheid bedreigd voelen en geneigd zijn op de rem te trappen. Dat is zo'n thema dat nu politiek misschien nog niet zo goed wordt doorgrond en vertaald. Ergens ligt het verhaal dat partijen zouden moeten vertellen wel voor ze, alleen zijn ze nog niet in staat er grip op te krijgen en het te verwoorden. Gun ze nog even de tijd, zou ik zeggen, om het te leren begrijpen en er een programma over te formuleren.’
Ankersmit: 'Maar zo ver is het op dit moment nog niet en ik vraag me ten zeerste af of het ervan komt. Je zou toch ruimte moeten laten voor de overweging dat als het de partijen maar niet meer lukt om hun boodschap over te brengen, deze blijkbaar niet meer over te brengen valt.’

ANKERSMIT merkt op dat de groeiende afstand tussen angstige burgers en burgers met het zelfbeeld van kosmopoliet alles te maken heeft met de positionering van Nederland in Europa en van Europa in de wereld, waardoor ook een verschuiving optreedt in de grenzen en bevoegdheden van de staat. Dat vergroot de onzekerheid. Daarbij komt dat de politiek onmachtig is om die onzekerheid te beteugelen, bij gebrek aan eigen begrip van de precieze aard en de reikwijdte van de staat.
Aerts: 'Het is belangrijk dat je dat zegt. Jij hebt terecht meer dan eens betoogd dat het begrip van wat de staat is veel te vaag is geworden. Onduidelijkheid over de staat is troef, over zowel zijn beperkingen als zijn taken. Ook in de wetenschap, misschien uitgezonderd het recht en de politicologie, zijn we dat hele begrip een beetje uit het oog verloren. We zijn op een wollige manier gaan spreken over “de overheid”, zonder nog niveaus, taken of instellingen te onderscheiden. Vind je het dan gek dat burgers bij alles denken dat de overheid het wel opknapt? Er is altijd wel een of andere instelling die ze overheid kunnen noemen. Om daaraan het hoofd te bieden, zou de politiek de burgers dus weer een duidelijker beeld moeten voorhouden wat de staat is en kan, maar vooral ook wat hij niet is en niet kan.’
Ankersmit: 'Het wrange is dat de politiek waarschijnlijk niet zit te wachten op zo'n explicitering. Want dat schept duidelijkheid en duidelijkheid schept verantwoordelijkheid. En als ik alle bewegingen van de afgelopen tien, twintig jaar overzie, dan is de rode draad juist dat de politieke verantwoordelijkheid wegschuift. Door alle privatiseringen zijn publieke bevoegdheden in private handen gekomen, met als gevolg dat zowel politici als burgers niet weten wie verantwoordelijk is als er iets misgaat. Men heeft het nu over zoiets als horizontale verantwoording. Nou, dat is een contradictio in terminis. Verantwoording leg je alleen maar in verticale richting af. Wanneer woningcorporaties aan elkaar horizontaal verantwoording gaan afleggen, dan weet je één ding zeker: de salarissen zullen daar pijlsnel omhoog gaan.’
Aerts: 'Sinds de jaren zeventig is goed zichtbaar geworden welk probleem staat en maatschappij ten opzichte van elkaar hebben gecreëerd. Tot die tijd zijn veel uitvoeringsorganisaties, van de woningbouw tot de zorg, nog op z'n minst restanten van maatschappelijke organen, door burgers gesticht en beheerd. Er zat nog een aanzienlijke maatschappelijke lading in. Dankzij die hoge mate van zelforganisatie functioneerde de maatschappij naar tevredenheid van de meeste mensen en zij waren ook nog eens verzekerd van inspraak in de gang van zaken. Daarna is het proces van ontburgering op gang gekomen. De professionalisering dreef de burgers uit de instellingen. Het werden ambtelijke organisaties, tot de staat zich realiseerde dat veel taken hem te zwaar waren en ze ging privatiseren. Het gevolg is dat al die diensten weliswaar nog bestaan, maar ze hebben een schimmige relatie met de staat en ze zijn ook nog eens leeg, er zitten geen burgers meer in. Dat is volgens mij een van de fundamentele redenen waarom burgers hun vertrouwen in dat geheel verliezen. Ze zijn geen deelgenoten meer, ze zijn klanten geworden van de instanties die ze ooit zelf hebben gecreëerd. Afnemers, consumenten.’

AERTS EN ANKERSMIT zeggen dat het gevaar van deze ontwikkeling moeilijk kan worden onderschat. Dat de instanties waarop burgers voor allerlei diensten zijn aangewezen van niemand meer zijn, is volgens hen een zwaarwegende factor in het verlies van betrokkenheid bij het democratisch bestel. Een andere oorzaak is volgens hen het democratisch tekort van Europa.
Aerts: 'Zeker nu, in de benarde situatie waarin Europa zich bevindt, zie je dat de regeringsleiders, het duo Merkozy voorop, zich beschouwen als crisismanagers die snel en zonder te veel obstakels willen kunnen handelen. De democratie kan dan al gauw als een sta-in-de-weg worden gezien. In het geval van zowel de europeanisering als de privatisering heeft de politiek veel aan ons opgelegd, zonder het ooit te expliciteren als een programma. Het overkomt ons meer dan dat we ervoor hebben kunnen kiezen.’
Ankersmit: 'Wat blijft er dan eigenlijk van de democratie over? Opnieuw moeten we constateren dat we de richting ingaan van een regulated democracy, met een staat, zowel nationaal als Europees, die in zelfstandigheid zijn beslissingen neemt en zich pas door volksopstanden zal laten corrigeren.’
Aerts: 'Ik kan niet in de toekomst kijken, maar het zou me niet verbazen als het bestel een autoritair, managementachtig aanzien krijgt. In de crisispolitiek die Europa nu voert, zet het grote stappen in het creëren van een supranationale autoriteit met grote regulerende bevoegdheden. Daarbij komt dat bij een blijvend succes van Azië Europa ertoe kan neigen dat model van een autoritair gestuurd, kapitalistisch systeem na te volgen. Hoewel dat in het licht van onze geschiedenis geen ideale ontwikkeling van de democratie zou zijn, is er op zichzelf ook geen reden om het die kwalificatie te onthouden. Het is een vorm van accommodatie.’
De consequenties voor de rol van de volksvertegenwoordiging kunnen ingrijpend zijn, beamen Aerts en Ankersmit. Volgens Ankersmit ligt het voor de hand dat het parlement zich tegenover een eigenstandig handelend bestuur meer op zijn controlerende rol dan op zijn medewetgevende taak toelegt. Hij heeft zo zijn twijfels of dat zal gebeuren: 'In die controlerende rol gaat nu al veel mis. De Kamer heeft daar weinig belangstelling voor. Rapporten van de Algemene Rekenkamer over feilend overheidshandelen gaan linea recta de prullenbak in. De Kamer vindt haar medewetgevende rol nu eenmaal interessanter. Dan kun je als Kamerlid leuk meepraten met de regering, dan kom je in het nieuws.’
Aerts: 'In de nieuwe omstandigheden zal de symbolische representatie van het volk in het parlement volgens mij belangrijker worden. Naarmate de grote kwesties meer op Europees of mondiaal niveau worden afgehandeld en de volksvertegenwoordiging minder reële macht krijgt, kan de Kamer een meer symbolische rol spelen, als de plek waar de nationale onvrede, wensen en verlangens worden vertolkt. Het parlement krijgt dan meer de functie van podium. Zo'n volksvertegenwoordiging zal een groter beroep doen op de theatrale vaardigheden van Kamerleden, om het nationale humeur aansprekend te vertolken. Nee, het is niet zo dat het parlement daarmee volkomen irrelevant wordt. Dit is wat de mensen willen. Ze willen erkenning van hun noden en behoeftes, ze willen gehoord worden. In zekere zin zou zo'n metamorfose parlementariërs kunnen terugbrengen in de rol die zij in de hoogtijjaren van de verzuiling hebben gespeeld, met veel ideologisch theater op de bühne terwijl er in de binnenkamer van alles pragmatisch wordt geregeld. Zeker in de jaren vijftig hebben we hier een strak geleide, bijna autoritaire politiek gehad, met weinig werkelijk democratische inbreng, maar in verkiezingstijd wel dat prachtige theater van de grote politieke strijdpunten. Het kan best zijn dat de volksvertegenwoordiging in de toekomst die kant weer op gaat. Veel theater, weinig invloed. Zoals de monarch is veranderd van regeerder in symbool van de eenheid van de natie, zo kan het parlement het symbool van de verdeeldheid van de natie worden.’