Commentaaar

De straat op

Het probleem met een vakkundig opgetrokken façade is dat mensen serieus kunnen nemen wat ze zien. Maar als te veel mensen zich oprecht bedrogen voelen, zit er niets anders op dan de façade neer te halen of haar werkelijkheid te maken. Dat probleem ligt nu op het bord van de Iraanse Raad van Hoeders en de Opperste Leider van het land, ayatollah Ali Khamenei.
Het moderne Iran was nooit een democratie. Alleen op papier staan al genoeg obstakels: de Opperste Leider is de hoogste politieke instantie, regering en parlement zijn ingekapseld door Raden met fantasieprikkelende namen en maar een fractie van de kandidaten wordt op kieslijsten toegelaten. De Islamitische Republiek voegde daar nog een indrukwekkend arsenaal van controlemiddelen aan toe, zoals geheime diensten, radicale volksmilities, een televisie- en radiomonopolie, openlijke censuur en dito uitholling van burgerrechten. Om het plaatje compleet te maken is er strakke controle achter de schermen; zo deed de huidige oppositieheld Mousavi volgens zijn vrouw niet aan de verkiezingen van 1997 mee, omdat hij ‘een signaal’ gekregen had dat dit ongewenst was. En toch koos Iran elke vier jaar, tijdens verkiezingen die vaak uitliepen op een catharsis van vreugde, woede en sporadisch geweld. Daarna verdwenen wat mensen in de Evin-gevangenis en ging het leven door.
Dit was helemaal niet uitzonderlijk. Iran paste juist precies in de trend die eind jaren negentig door de Amerikaanse journalist en schrijver Fareed Zakaria werd betiteld als ‘the rise of illiberal democracy’: de wereldwijde toename van het aantal staten waar weliswaar verkiezingen worden gehouden, maar waar die verkiezingen niet vergezeld gaan van zaken die wij in het Westen als vanzelfsprekend onderdeel van ‘democratie’ veronderstellen: vrijheid, rechtsstaat, politieke verantwoording, enzovoort. Iran illustreert de gevaren van die onliberale democratie: het volk alleen in naam zeggenschap en rechten geven schept verwachtingen die niet waargemaakt kunnen worden.
Ironisch genoeg heeft niemand die verwachtingen zozeer opgezweept als ‘dictator’ Ahmadinejad in de voorbije weken. Zijn ongekende publieke tirades tegen corruptie, vriendjespolitiek, voormalige presidenten en Irans establishment, en de vurige debatten met de oppositie die hij daarmee ontlokte, hebben de indruk bij de Iraanse kiezers gevoed dat er écht een fundamentele keuze op de kiesbiljetten te maken was. Het sprak in dat opzicht boekdelen dat de straten van Teheran volstroomden met opgewonden en feestende burgers, nadat Ahmadinejad en oppositieleider Mousavi een week voor de verkiezingen snoeihard in debat waren gegaan op de nationale televisie – een totale breuk met de politieke traditie – en dat beide kandidaten sindsdien elke dag terugkeerden. Er was toen nog niets beslist, maar de geest van verwachting was uit de fles: de verwachting van werkelijk vrije verkiezingen die werkelijke gevolgen hebben.
Strikt genomen is er geen bewijs dat Ahmadinejad niet klinkend gewonnen heeft: hij is redelijk populair en leunt op een grote massa ontevreden burgers. Maar dat de Iraniërs die nu demonstreren in Teheran zich niet wensen neer te leggen bij een uitkomst die zij als ongeloofwaardig beschouwen, is nu wellicht belangrijker dan de exacte uitslag. Voor de toekomst van Iran, en daarmee ook voor die van het Midden-Oosten, is de keuze die het Iraanse regime nu moet maken belangrijker dan de keuze die het Iraanse volk vorige week maakte: de keuze om verkiezingen te organiseren die geloofwaardiger en transparanter zijn of om de dictatuur van zijn democratische smoesjes te ontdoen. Die laatste is de voor de hand liggende en veilige keuze. Maar zolang honderdduizenden burgers van Teheran met gevaar voor eigen leven de onwaarschijnlijke optie verkiezen, blijft de verwachting leven.