Klassiek: Kapustin & Jagers

De straat op

Een van de domste dingen die een componist kan doen is duo’s componeren voor viool en altviool. Confronterend noch theatraal, niet voor de bühne en alleen maar muziek, dus reddeloos verloren voor de bloeiende emotiehandel. Ze zijn dan ook dun gezaaid. Tussen een berg tweederangs huismuziek vind je wat duo’s van Haydn, twee van Mozart en twee van Bohuslav Martinu, de Drie madrigalen en het Duo no 2. Die trouwens heel goed zijn. Net als Mozarts KV 423 en 424, in 1783 gecomponeerd ter completering van het zestal duo’s dat Haydns jongere broer Michael de Salzburgse aartsbisschop Colloredo had beloofd. Dat kreeg hij wegens ziekte niet gedaan, waarna Mozart de helpende hand toestak. Colloredo schijnt tussen opdrachtnemer en ghostwriter geen verschil te hebben waargenomen. Wat zou het ook, het verdween toch in de la. Dat is tragisch. Muziek neemt en geeft de echo’s van het leven, hoor en wederhoor. Zij is groter dan wij, maar alleen wij kunnen haar redden.

Violiste Sarah Kapustin en altviolist Roeland Jagers combineren op hun cd Reflections duotopstukken van Martinu en Mozart met Ernst Tochs fantastische Divertimento Op. 37 No. 2 (1925) en een reeks tweestemmige arrangementen; canons van Josquin des Prez en twee uit Bachs Kunst der Fuge, Cantiones van Di Lasso. Als toegift ontroerend welluidende miniaturen van Joey Roukens. Hoe krijg je die intimiteiten uit de achterkamers – de arcadische reflectie zal toch een connectie moeten maken met de echte wereld. Ik vind Reflections op Spotify, plug AirPods in en trek te voet naar de stad. Groningen wordt een film. De Josquin-canons passeren een uitvaartcentrum. Canon één ziet een bestelbus met wellicht een lijk aan boord het pand verlaten. Een echte lijkwagen sluit aan. Bij canon drie zie ik ze voor het stoplicht wachten. De vierde canon wordt een dubbel requiem. De dichtbewolkte hemel is lijkwit. De twee stemmen lijken er inmiddels twintig.

In Martinu’s Duo met zijn lichtgevende akkoordformaties klaart het op totdat het lento aanbreekt voor de etalage van een autodealer. Achter glas vier dode Audi’s en een zwarte Volkswagen up! met de verkoopflyer op de voorruit. ‘Ik ben verkocht. U ook?’ De muziek snikt het uit. In de Martinu-finale word ik ingehaald door een hardloper. Zijn pas loopt partieel synchroon met de muziek die de lachwekkendheid van zijn geploeter uitvergroot. De Bach-canons verscheuren streng een felgekleurd affiche van een reclameboer met de slogan ‘Valt op hè?’ Mozart ziet de halve stad met zijn duur van zo’n twintig minuten. Het openingsdeel is haast symfonisch opgetuigd met een adagio-inleiding, de finale in zijn monumentale variatievorm zo lang als de rij voor de bakker. Daar zie en hoor ik Mozart sommige gezichten heiligen en andere vernietigen.

Roukens’ Little baby lullaby kruist een kinderwagen. Daar ligt de nieuwe Ernst Toch in. Over 35 jaar schrijft hij een duo dat over honderd jaar wordt gered door de achterkleinkinderen van Kapustin en Jagers, wier reflecties even tijdloos zullen zweven boven het verval dat kunst weerstond door meesterlijk zichzelf te blijven. Je moet er wel de straat voor op, anders sterft het in schoonheid – de pijnlijkste dood.


Kapustin & Jagers, Reflections