De straat op tegen Orbán

Boedapest – Volgens de Hongaarse filosoof Gáspár Miklós Tamás hebben mensen twee dingen nodig voordat ze tegen een politieke situatie in actie komen. Enerzijds moeten ze worden voortgestuwd door iets – meestal woede. Maar dat is niet genoeg. Ze moeten ook door iets aangetrokken worden: het idee dat die acties iets teweeg kunnen brengen. Dat tweede ingrediënt ontbrak tot voor kort grotendeels in Hongarije: een jonge democratie die geen echte traditie van protest kent. ‘De noemenswaardigste golf van protest vond helemaal in het begin plaats, en daarin klom Viktor Orbán nota bene zelf op de barricaden’, zegt Dávid Váradi. Zijn moeder is Klára Ungár, een politica die begin jaren negentig samen met Orbán tot de eerste generatie politici van regeringspartij Fidesz behoorde.

Orbán en de andere jonge leden van Fidesz – toen nog een linkse, progressieve partij – kwamen regelmatig bij Váradi over de vloer om verhitte politieke discussies te voeren. ‘Er heerste in die tijd een sfeer van idealistisch politiek engagement, waarbinnen Orbán het meest uitgesproken was’, vertelt Váradi. ‘Maar Orbán veranderde van een idealist in een rechtse dictator, en het Hongaarse volk keerde grotendeels terug naar een staat van politieke gehoorzaamheid.’ 2006 kende een korte uitbarsting van demonstraties tegen de Socialistische Partij, maar in de afgelopen tien jaar – het decennium waarin Orbán zijn macht consolideerde – bleef het grotendeels stil.

Daar lijkt in de afgelopen maand voorzichtig verandering in te komen. Váradi ging in de tweede helft van december talloze keren de straat op – en met hem tienduizenden anderen, wekenlang. Aanvankelijk alleen in Boedapest, later ook in de rest van het land. Na een stop rond de feestdagen barstte het protest zaterdag weer los. ‘Mensen lijken plotseling genoeg van deze regering te krijgen’, zegt Váradi zaterdag, boven het kabaal op het plein voor het parlementsgebouw uit. Hij wijst naar de enorme hoeveelheid vlaggen van oppositiepartijen. ‘En de oppositie is in de afgelopen weken eindelijk verenigd. Dat is het enige waar Orbán echt bang voor is.’

De directe aanleiding voor de demonstraties was een tweetal wetten dat op 12 december aangenomen werd, met name de ‘slavenwet’ die de maximale hoeveelheid overuren voor werknemers fors verhoogt. Maar gaandeweg is het protest uitgemond in een meer algemeen verzet tegen Viktor Orbán – Rot op, Orbán!/ de corrupte regering/ Smerig Fidesz! – en de onvrije pers. Váradi: ‘Veel mensen hebben voor het eerst in een lange tijd het gevoel dat we misschien iets aan deze situatie kunnen doen.’