Profiel: Zalmay Khalilzad

De strateeg van Amerika

In wezen ligt het lot van het hele neoconservatieve project in de handen van de belangrijkste exponent van de «grote strategie» die de Verenigde Staten sinds september 2001 in Centraal Azië en het Midden-Oosten ontplooien.

Als één buitenlander belang heeft bij het welslagen van het Iraakse grondwetreferendum op 15 ok tober is het wel de speciale gezant van George Bush in Irak, Zalmay Khalilzad, die de totstandkoming van de tekst van begin tot eind heeft begeleid. «Iraks succes is ons succes, Iraks mislukking is onze mis lukking», zei hij enkele weken terug, tussen koortsachtige verzoeningsgesprekken met soennitische en sjiïtische leiders door, tegen Newsweek.

Wie hij precies met «ons» bedoelde, was niet duidelijk. De Newsweek-verslaggevers mochten een dagje met hem meereizen op voorwaarde dat ze zich onthielden van lastige vragen – niet alleen omdat Khalilzad drukbezet is, maar ook omdat hij niet graag het achterste van zijn tong laat zien. Behalve presidentieel gezant is hij de belangrijkste exponent van de «grote strategie» die de Verenigde Staten sinds september 2001 in Centraal Azië en het Midden-Oosten ontplooien. En het ligt voor de hand dat hij met «ons» zijn politieke vrienden bedoelde: de neoconservatieven van de tweede generatie, zoals Donald Rumsfeld, Douglas Feith, Dick Cheney en Elliott Abrams.

Khalilzad heeft jarenlang met hen samengewerkt bij het uitzetten van deze strategie en houdt er, net als zij, aan vast met een bezieling die aan onze kant van de Atlantische Oceaan slecht wordt begrepen. Van alle «chickenhawks» (de «havikskuikens» die als jongemannen hun dienstplicht ontdoken, maar nu Amerikaanse soldaten de strijd insturen) is Khalilzad echter de enige die niet achter zijn bureau is blijven hangen en achtereenvolgens in Afghanistan en Irak zijn leven op het spel zette om de strategie te implementeren. Daar is een reden voor: hij is de enige van de hele groep die het Midden-Oosten uit eigen ervaring kent en over voldoende lokale geloofwaardigheid beschikt om handelend op te treden.

Als geboortige Afghaan spreekt hij vloeiend Pashtoen, daarnaast ook Arabisch en Farsi. Als onderlegde moslim kan hij met de beste tekstgeleerden wedijveren in koran-exegese. Hij is op de hoogte van lokale gebruiken en gevoeligheden en kan als geen andere Amerikaanse vertegenwoordiger een Arabisch gehoor bespelen. Volgens academici en diplomaten die in het verleden met hem hebben samen gewerkt is Khalilzad ook binnenskamers een «smooth operator», een indruk die wordt bevestigd door zijn elegante verschijning, het ingetogen krijtstreepje onder zijn kogel werende vest en zijn schijnbaar moeiteloze omgang met alle krijgsheren, geestelijken, Arabische media en toevallige voorbijgangers die zijn pad kruisen. Kortom, als híj er niet in slaagt de neoconservatieve strategie voor het Midden-Oosten handen en voeten te geven, kan niemand het.

Zalmay Khalilzad werd in 1951 geboren in Mazar-i-Sharif, op zeventig kilometer van de grens met de toenmalige Sovjet-Unie. Zijn vader behoorde tot de machtigste etnische groep, de Pashtoen, en werkte als regeringsambtenaar onder het koninklijke Afghaanse bewind. Na een promotie verhuisde hij met zijn gezin naar Kaboel, waar Zalmay, zoals te doen gebruikelijk onder de Afghaanse elite, een Britse school bezocht die hem voorbereidde op een studie in het buitenland. Dat werd in eerste instantie Libanon. De Verenigde Staten koesterden in de jaren zestig toenemende belangstelling voor Afghanistan en Zalmay kreeg een beurs aangeboden voor de Amerikaanse Universiteit in Beiroet, van oorsprong een presbyteriaanse meisjesschool, die onder president Eisenhower was uitgegroeid tot een opleidingscentrum voor de toekomstige Arabische elite. Khalilzad leerde er Arabisch en onderscheidde zich zodanig in de politieke wetenschappen dat hij een promotiebeurs verwierf van de Universiteit van Chicago, destijds een broeinest van nieuw-rechtse ideeën op het gebied van economie (Milton Friedman), politiek (Leo Strauss) en internationale betrekkingen (Albert Wohlstetter, Zbigniew Brze zinski).

De invloed van de machiavellistische denker Strauss op de neoconservatieven – met name de aanvoerders van de eerste generatie, zoals Irving Kristol, Norman Podhoretz en Paul Wolfowitz – is moeilijk te overschatten. Zijn stelling dat de democratie een bestuurlijke elite nodig heeft die de nationale waarden bewaakt, de grote lijnen naar de toekomst uitzet en desnoods leugens mag verkondigen tegen de aan stemmingen, onwetendheid en kortetermijndenken lijdende bevolking is hun allemaal op de een of andere manier blijven aankleven. De militaire strateeg Richard Perle, die decennialang de wandelgangen van het Pentagon onveilig maakte, dankte aan die benadering zijn imago van «Prins der Duis ternis».

Anderen waren uitgesprokener en schiepen in de collegezalen een klimaat waarin alles niet alleen gezegd mocht worden, maar ook ge zegd móest worden teneinde duidelijkheid te krijgen in de discussies. In deze kringen ontmoette Khalilzad zijn toekomstige vrouw, de Oostenrijkse Cheryl Benard, die later onder meer analyses zou schrijven voor de denktank van het Amerikaanse leger, de Rand Corporation, en daarnaast een serie feministisch angehauchte romans. «Luisteren naar die docenten was alsof je een tuin binnenwandelde, in een oceaan onderging en erin leerde ademen», schrijft Anne Norton, die deze periode in Chicago meemaakte, in een intellectueel groepsportret van haar toenmalige alma mater getiteld Leo Strauss and the Politics of American Empire (2004).

Deze neoconservatieven waren in de eerste plaats iconoclasten. Ze wilden korte metten maken met de welvaartsfilosofen en ingedommelde bureaucraten die de Verenigde Staten in de greep hielden van een veilig kortetermijndenken, met name op buitenlandgebied, waar de gedachte van vreedzame coëxistentie met de Sovjet-Unie hoogtij vierde. Ondanks haar kritische benadering van hun politieke opvattingen moet Norton erkennen dat de neoconservatieven verfrissend oprecht waren: «Ze waren schandalig, ze waren moedig, ze benamen je de adem met hun oprechtheid. Ze waren precies, gedisciplineerd, ascetisch, respectvol, ketters, godslasterlijk en onbevreesd.»

Khalilzad onderging vooral de invloed van Albert Wohlstetter, de wiskundige en militair denker die de strategie ontwikkelde van de «tweede klap» die een potentiële nucleaire tegenstander moest afhouden van elke ge dachte aan een aanval op de Verenigde Staten. Er zat echter ook een strategisch nadeel aan die tweede klap. Omdat nucleaire wapens idea liter alleen nog effect hadden als afschrikkingsmiddelen konden de Verenigde Staten zich daarop niet langer verlaten in de strijd op «beperkte tonelen» in zuidelijk Afrika, Latijns-Amerika of het Midden-Oosten. Vanuit die gedachte legde Wohlstetter in zijn latere car rière de grondslag voor het langlopende programma voor de productie van «smart weapons» die de Amerikanen een beslissend voordeel moesten bieden in zulke lokale confrontaties, waarbij in eerste instantie plaatselijke strijdgroepen het voor de Verenigde Staten moesten opnemen.

Omdat de neoconservatieve intellectuelen allemaal lijntjes naar Washington hadden, kreeg het Amerikaanse beleid ten opzichte van Centraal Azië eind jaren tachtig precies de contouren die in Chicago waren bedacht. Dat was vooral te danken aan Zbigniew Brzezinski, de nationale veiligheidsadviseur van president Jimmy Carter, die al begin 1979 de Russische invloed in Kaboel trachtte te bestrijden door steun te geven aan Afghaanse islamitische groeperingen, dat wil zeggen nog voordat de Russen Afghanistan waren binnengevallen. Die aanpak bevatte reeds alle elementen die sinds 11 september 2001 ook weer terug te vinden zijn in de benadering van Afghanistan en Irak, inclusief de manipulatie van een publieke opinie die wordt geacht niet te beschikken over het uithoudingsvermogen om een grote lijn in het buitenlandbeleid uit te zetten en vol te houden.

«Deze geheime operatie was een uitstekend idee», zei Brzezinski in 1998 in een interview met Le Nouvel Observateur over de betreffende episode: «Hij lokte de Russen in de Afghaanse val. Op de dag dat de sovjets officieel de grens overschreden, schreef ik aan president Carter: ‹Nu hebben we de kans om de USSR op te zadelen met zijn eigen Vietnamoorlog.› Moskou moest inderdaad tien jaar lang een oorlog voeren die het zich niet kon veroorloven, een conflict dat de demoralisering en ten slotte het uiteenvallen van het sovjetrijk in de hand werkte.»

Khalilzad promoveerde in 1979 bij Wohlstetter en werd door bemiddeling van Brze zinski, die inmiddels ook een aanstelling in Chicago had gekregen, binnen een jaar aan genomen op de afdeling beleidsvoorbereiding van Buitenlandse Zaken onder de nieuwe regering-Reagan. Hij leerde er Paul Wolfowitz kennen en raakte nauw betrokken bij de kwestie-Afghanistan, waarvoor zijn afkomst hem in zekere zin voorbeschikte. Inmiddels Amerikaan geworden stapte hij in 1988 samen met Wolfowitz over naar Defensie, waar hij naaste medewerker werd van Dick Cheney, minister van Defensie onder George Bush senior en de voornaamste strateeg van de Golfoorlog van 1991-92 waarbij Saddam werd verjaagd uit Koeweit. Toen Bush zijn herverkiezing verspeelde, bracht Khalilzad net als de meeste neocons de acht Clinton-jaren door in de politieke wildernis.

Het jaar 1992 markeert een wisseling van de wacht in de beweging, waarbij de Koude-Oorlogsgeneratie plaatsmaakt voor de enfants terribles die tegenwoordig als de kopstukken van het neoconservatisme gelden. Khalilzad was veruit hun productiefste vertegenwoordiger, en terwijl de anderen zich toelegden op politiek lobbywerk en het lezingencircuit ontpopte hij zich als de zwarte diamant van de groep. Hij doceerde, schreef invloedrijke rapporten voor de Rand Corporation en nam het voortouw bij de opstelling van alle belangrijke beleidsstukken die zouden resulteren in de neoconservatieve «revolutie» op buitenlandgebied na «9/11».

In 1992, toen de Berlijnse muur nog maar net was gevallen, ontwierp Khalilzad eigenhandig de strategie van «welwillende hege monie» die voortaan als leidraad van het nieuwe buitenlandbeleid van de Verenigde Staten moest dienen. Het betreffende stuk, de Defense Planning Guidance, stelt dat de VS de opkomst van militaire rivalen moeten voorkomen door de controle te verwerven over alle strategische voorraden en aanvoerroutes in de wereld. De politieke uitwerking leverde hij er in 1995 bij in zijn boek From Containment to Global Leader ship. Uiteindelijk was de beste grondslag voor de Amerikaanse hegemonie niet de militaire macht van het land, maar de verbreiding van de democratie naar Amerikaans model in die gebieden waar deze hegemonie omstreden was.

Desnoods moest de democratie met militaire middelen worden afgedwongen, waarbij de reeds door Wohlstetter gepropageerde smart weapons ervoor moesten zorgen dat er zo min mogelijk burgerslachtoffers vielen. Khalilzad was dan ook een drijvende kracht achter alle neoconservatieve oproepen om Saddam gewapenderhand te verdrijven en Irak om te vormen tot een «baken van democratie» dat zowel een democratische hervorming van het hele Midden-Oosten als de westerse olieaanvoer tot in lengte van dagen zou veiligstellen.

Dat er in de boezem van de familie Khalilzad nog ambitieuzere plannen leefden, bleek uit een Rand-rapport van de hand van zijn vrouw dat in nauwelijks verholen termen aanstuurt op een hervorming-van-buitenaf van de islam. Het rapport beschrijft moslims in afstandelijke termen, bijna als een hogere diersoort die onder de juiste leiding in de kring van beschaafde volken moet worden binnen gevoerd. Behalve aan «nation-building» wilden de neoconservatieven zich kennelijk ook aan «religion-building» wagen. Het rapport valt in de categorie strategische luchtspiegelingen waaraan de neoconservatieven van de tweede generatie de reputatie danken dat ze buiten de werkelijkheid staan.

Het opmerkelijke is dat Khalilzad daar als geen ander middenin staat. In 2000 schreef hij een profetisch te noemen artikel in het tijdschrift The Washington Quarterly, waarin hij de bedreiging van het «talibanisme» voor de veiligheid van Oost en West nauwkeurig analyseert, met inbegrip van de ideologische uitzaaiing ervan in de regio en binnen de islamitische wereld. Hij voorspelt zelfs letterlijk de terroristische excessen van al-Qaeda en aan verwante «buitenlandse» groeperingen die Af ghanistan als uitvalsbasis hebben gekozen indien er in dat land niet snel een «regime change» wordt afgedwongen.

Eerder dan hij had verwacht, en meer dan enige andere neoconservatief, werd Khalilzad na 11 september 2001 geconfronteerd met de consequenties van zijn eigen gedachtegoed. Na de Amerikaanse interventie in Afghanistan, uitgevoerd naar wohlstetteriaans model met smart weapons en steun van lokale krijgsgroepen, werd hij benoemd tot gevolmachtigd gezant in Kaboel. Hij wees eigenhandig Hamid Karzai aan als leider van de Afghaanse democratie in opbouw, maar moest aanzien hoe alle hervormingspogingen afketsten op de onwil van dezelfde krijgsheren waarvan Washington zich bij zijn inval had bediend.

En nog voordat hij zijn werk in Afghanistan kon afmaken, werd hij doorgestuurd naar het volgende crisisgebied: het zopas bezette Irak. Ook daar lijden alle neoconservatieve hervormingsplannen schipbreuk op de weerbarstige werkelijkheid. De man die droomde van een hervormde islam en een democratisch Midden-Oosten ziet zich nu gedwongen in een kapotgebombardeerd land te schipperen tussen fanatieke sekteleiders en krijgsheren teneinde althans de schijn van een ontluikende Iraakse democratie overeind te houden. In wezen ligt het lot van het hele neoconservatieve project in zijn handen. Als de voortekenen niet bedriegen, zal hij er na 15 oktober voorgoed afscheid van moeten nemen.