De streek van willibrord

Erik van den Muijzenberg, zomaar een Amsterdammer, ging vorige week samen met een vriendin de Jamin in de Reguliersbreestraat binnen. In de zaak stond Willibrord Fréquin een puntzak snoep te vullen. ‘Wie is dat toch ook weer’, fluisterde de vriendin.

‘Dat is die man van die hoofdenaffaire, die de boel zo heeft belazerd’, zei Van den Muijzenberg hardop. In Fréquin knapte iets. Tien jaar na dato nog herinnerd worden aan een item dat je ooit als Brandpunt-verslaggever uit effectbejag zelf in scène zette, het vergt nogal wat. Fréquin: 'Drie keer zei hij dat ik de boel had belazerd. Achter mijn rug, met zo'n irritante glimlach.’ Van den Muijzenberg: 'Twee keer. Een keer tegen de vriendin en een keer tegen hem zelf, in zijn gezicht, op zijn eigen verzoek.’ Daarop ontstond een handgemeen. Fréquin: 'Ik heb hem een douw gegeven.’ Van den Muijzenberg: 'Hij pakte me ook bij mijn jack,’ Fréquin: 'Hij bleef lachen. Ik wilde zijn pet van zijn hoofd slaan. Maar hij maakte een ontwijkende beweging, waardoor ik hem verkeerd raakte.’ Van den Muijzenbergs bril vloog af en kwam verbogen en wel tussen de zoetwaren terecht. Een kwartier na de klap kwam de hoofdpijn opzetten. In het ziekenhuis werden een hersenschudding, een neusbloeding, een kneuzing en een gezwollen lip geconstateerd. Fréquin: 'Zo hard heb ik hem niet geslagen. Daarna heb ik hem mijn gsm geleend zodat hij de politie kon bellen. Die wilde niet komen.’ Helaas, jammer. Een cameraploeg van zijn eigen Week van Willibrord had ervoor moeten uitrukken. Om de bloedhond eindelijk zijn plaats te leren kennen. Niet achter de camera maar rennend er vooruit. Is hij eindelijk de gelijke van de pedofielen, sekstoeristen en andere schurken die hij doorgaans verongelijkt achterna zit.