De streken van zijn pen

Met Jacq Vogelaar maakte Johanneke van Slooten vele reizen. ‘En waar wij ook gingen, de literatuur was altijd een leidraad.’

Medium hh 01974310

Na het voltooien van zijn roman De dood als meisje van acht in 1991 constateerde Jacq Vogelaar tot zijn lichte verbazing dat er in dit boek ‘geen zweem van essayisme te bespeuren is’ en dat het boek ‘niets fragmentarisch heeft’. Er was uitsluitend sprake van een verhaal. ‘Misschien betekent het simpelweg dat mijn pen, na tien jaar vooral met essays en oefeningen bezig geweest te zijn, wel weer eens op eigen kracht verder wilde.’ Als hij voor zichzelf schreef, wilde hij zich laten meevoeren door de pen die hem gedachten kon ontlokken die hij in zo’n verrassende keten van associaties niet eerder in zijn hoofd had aangetroffen. Tijdens het opschrijven gingen ze als vanzelf een verbinding met elkaar aan waardoor nieuwe waarheden en werkelijkheden te voorschijn kwamen.

Voor zijn kritieken en essays richtte hij zich met de pen in de aanslag op het actieve lezen, herlezen en reflecteren. Zo vond hij door zijn oriëntaties in de literatuur nieuwe ongebaande wegen die leidden naar zijn confrontaties met andere veelal buitenlandse schrijvers waarna het terugschrijven een aanvang nam. Zijn verhalende en dichtende pen gaat niet doelgericht te werk, die zoekt niet naar het eerder gehoorde, geziene of gelezene; die begeeft zich in het grensgebied, het overgangsgebied tussen werkelijkheid en fantasie.

Soms ‘geeft de pen zich aan het papier over en stroomt de inkt voor eigen plezier’, die pen kan strelen en de woorden laten zinderen. Maar die pen kan zich ook in ‘de duistere zone van twijfels, angsten, oeroude schuldgevoelens, tegenstrijdigheden van aanpassing en afzondering en bevrijdingsdrang begeven’, daar waar zich de ongelijke strijd afspeelt in de relatie van de schrijver tot zichzelf en tot de wereld. Die pen wil niet de werkelijkheid beschrijven, ze geeft richting aan de schrijver als beschouwer die elementen uit zijn ervaringswereld transformeert tot de nieuwe realiteit van het verhaal.

Eind jaren tachtig schreef Jacq grote delen van De dood als meisje van acht in het huis in de Provence dat mijn ouders, mijn broer en ik in onze jeugdjaren opgebouwd hadden uit het fundament van een ruïne van rivierkeien. Dit boek is een vertelling over een vrouw die per toeval terechtkomt in het naargeestige grensdorp Moorgat waar zij haar kinderjaren had doorgebracht en nu geconfronteerd wordt met de weerbarstige wereld zoals die er in haar jeugd uitgezien moest hebben. Die wereld wordt in beeld gebracht via de onderzoekende geest, de extravagante fantasieën en de innerlijke beleving van het achtjarige meisje Nora.

Hij nam altijd boeken

De eerste keer dat Jacq naar ons huis Les Couès kwam, was midden jaren tachtig samen met zijn dochter van acht. Ons bouwwerk van okerkleurige keien lag hoog boven het weidse dal van de rivier de Asse. Gedurende die week daalden wij gedrieën vaak af naar de afwisselend weelderige en ruige bedding waarin de meanderende rivier haar grillige sporen trekt door zich in haar domein van keien en een mozaïek van gebarsten klei steeds anders op te splitsen of samen te vloeien in uitgesleten, kolkende bochten en stille poelen.

Na gezwommen te hebben in de razendsnelle stroompjes lazen wij elkaar voor, zittend op de grote stenen langs het water. Het jonge meisje las voor uit Edgar Allan Poe. Ze deelde de nieuwsgierigheid van haar vader naar de motieven van mensen, de manier waarop zij zich in hun denken en handelen opstellen en hoe zij op zichzelf terugkijken. Toen zij eens last kreeg van de blakerende zon suggereerden wij om wat klei uit een haast droog kreekje op haar gezicht te smeren als bescherming en bij wijze van schoonheidsmasker. Zij bedekte vervolgens haar tengere figuurtje als voor een rituele dans langzaam aan van top tot teen met een glanzende grijze laag. De vette klei die al snel door de zon gebakken leek, voegde zich om haar heen als een tweede huid. Daar stond zij dan in een strijdvaardige pose in de stenen gedaante van Artemis, klaar voor de jacht. Als zij zou gaan bewegen ging de klei krakeleren en afbrokkelen, dan was de betovering verbroken.

Ik heb haar samen met haar toegewijde vader een zevental jaren meegemaakt, zo vergezelde zij ons ook wel eens op onze wandelingen, fiets- en schaatstochten, we hadden haar leren schaatsen. Bij Jacqs kinderboek Het geheim van de bolhoeden met tekeningen van Siegfried Woldhek over een jongetje dat kan toveren als een moderne alchemist en met een grootvader als uitvinder van apparaten, was zij zijn gids. Zo leverde zij ideeën voor spannende momenten in het verloop van de vertelling. In enkele verhalen en in zijn gedichten liet Jacq soms beelden verschijnen die voortgekomen waren uit gemeenschappelijke ervaringen tijdens hun reizen.

Tot ze plotseling en zonder enige verklaring uit zijn leven verdween. Haar vertrek was voor iedereen in zijn omgeving een compleet raadsel. Nooit is dat precies opgehelderd, nooit heeft hij geweten waarom.

mee die verband hielden

De bibliofiel uitgegeven dichtbundel Klaaglied om Ka schreef Jacq in Les Couès in 1996. Die gedichten zijn daarna ook opgenomen in zijn bundel Inktvraat uit 1998. In de dubbelzinnige wereld van Ka verschijnt zij als schim van het meisje van klei, ‘in een ommezien hard, al bij de eerste vluchtbeweging krakelerend’. ‘De stroom is niet meer dan een leikleurig onbegaanbaar pad’, wat achterbleef waren de ‘leesbare sporen van stenen en leem’ in een kaal landschap waaraan zich de verlatenheid gehecht had. De kern is de intensiteit van het verdriet om het gemis van zijn geliefde dochter, de levende afwezige waarvan in het schrijven de aanwezigheid opgeroepen wordt in de vorm van de onzichtbare mythische dubbelganger Ka.

Na ons eerste bezoek aan Les Couès zijn Jacq en ik er vele jaren maandenlang naartoe gegaan om daar beiden te werken, maar ook om te genieten van alles wat het huis en de omgeving ons te bieden hadden. Daar ontwikkelde hij de gewoonte om verdeeld over de dag op verschillende plekken neer te strijken met achtereenvolgens zijn dagboek en notitieschriften, de lectuur en ‘het serieuze schrijfwerk’. Tegen het einde van de middag begonnen wij, luisterend naar muziek die wij altijd bij ons hadden, al aan de voorbereidingen van onze ‘experimentele’ maaltijden, stapten we op de fiets om naar een mooie plek of een dorp te rijden als daar markt gehouden werd, of we daalden af naar de oase in het dal, ‘in de schoot van de Asse’.

Voor het schrijven van de roman Weg van de pijn verkoos Jacq voor de benodigde concentratie de hele schrijfperiode alleen en op ascetische wijze in Les Couès door te brengen. Kort voor de voltooiing las hij mij het boek in z’n geheel voor, zoals hij daarna met meer boeken deed, om het ritme van de taal te kunnen proeven, de timing van de zinnen en de spanningsboog over langere passages uit te testen. Ook inhoudelijk stond hij dan open voor commentaar.

In dezelfde periode 1996/97 waarin hij aan de dichtbundel Inktvraat werkte, schreef hij voor mij een bundel met 29 gedichten waaronder een groot aantal liefdesgedichten die indirect via de vertaalslag van de poëzie verwijzen naar onze belevenissen in Italië en Frankrijk. Hierin toont de rivierbedding van de in geheimzinnige kronkels lustig voortstromende Asse zich van haar bekoorlijke kant, bloemrijk als na een onweersbui en biedt zij op indringende wijze de ruimte voor liefdesavonturen met een soms mythologische gevoelswaarde. Deze intieme gedichten schreef Jacq in een oogstrelend handschrift op delicaat papier met daarin geperste bloemblaadjes, gebundeld in een okerkleurig boek.

met een land of een plaats waar we heen gingen

Onze reizen zigzag door Europa waarbij Jacq op een enthousiasmerende en vindingrijke manier onverwachte initiatieven nam, kregen dan door het inslaan van ongeplande wegen een totaal andere wending. En waar wij ook gingen, de literatuur was altijd een leidraad. Ofwel door de boeken die we lazen, waar we over spraken en die Jacq mij voorlas, ofwel door werk dat op reis geklaard moest worden. Hij nam altijd boeken mee die verband hielden met een land of een plaats waar we heen gingen en in die keuze was Jacq enorm creatief en avontuurlijk zoals in alles, zo ook in zijn schrijven.

De grote constante naast al zijn andere werk was het schrijven van essays voor De Groene Amsterdammer en voor het literaire tijdschrift Raster. Hij zette zich daar volledig voor in en zo was hij op een parallel spoor steeds gericht op het verzamelen van materiaal rond de themanummers die hij bedacht. Ons museumbezoek, concerten, theater, films en documentaires behoorden daar ook toe. In het verlengde daarvan sterkte het maken van zijn vele essaybundels hem in het onderhouden van zijn dagelijkse discipline, in ‘de moed van alledag’. Zo diende het werken aan zijn vertalingen tegelijk als aanjager voor ingewikkelder werk. Veertien jaar geleden vonden wij onze ideale werkplek waar ook de geneugten des levens gesavoureerd konden worden. Het kleine huis ligt midden in de bossen, aan een vijver met bosbeekje dicht bij het ruige gebied van de Veluwe. Ook daar stapelden onze boeken zich op als voedsel voor de geest.

Toen Jacq daar in 2001 zijn omvangrijke leesonderzoek begon naar de literatuur van overlevenden en slachtoffers van de Duitse vernietigings- en concentratiekampen en de sovjetstrafkampen ging hij als een soort detective te werk. Zijn bevindingen, die culmineerden in zijn boek Over kampliteratuur, namen Jacq tijdens het schrijven ervan zo in beslag dat hij mij in de vier jaar dat hij eraan werkte tijdens lange wandelingen talloze verhalen vertelde over de auteurs die in het schrijven met maximale inzet een middel vonden de kampen te overleven: ‘Vergeet niet dat behalve iemands kampervaringen, ook zijn voorgeschiedenis belangrijk is en daarna ook de verwoestende uitwerkingen van het kamp op iemands verdere leven.’ Uit de kampliteratuur blijkt dat mensen in extreme omstandigheden in staat zijn zich op te splitsen en naar zichzelf te kijken, ze vragen zich af: waar gaat het om? Wat staat er op het spel? Wat zal ik er ooit over vertellen? Door die afstand slagen zij erin de kampwereld te doorstaan. Zij konden het onzegbare verstaanbaar maken, het onvoorstelbare in beeld brengen en door de transformatie in de taal grip krijgen op het ongrijpbare.

Het gaat om de manier van kijken. Alle belangrijke schrijvers over het kampleven, zoals Sjalamov, Lipper en Antelme, zijn waarnemers. Ze richten zich ter plekke op de vreemde omgeving en behouden door de distantie in het schrijven van hun verhaal de scherpte van de observerende blik. Gustav Herling, van wie Jacq Een wereld apart vertaalde, was ook zo’n beschouwer die dankzij zijn observatievermogen, de gruwelijke verhoren in de gevangenis, de beklemming en raadselachtigheden in de motieven voor marteling en de vormen van geweld en angst onder de kampbewoners zo onder woorden kon brengen dat zijn verhaal hem een tegenwicht bood tegen die geïsoleerde ‘andere’ werkelijkheid.

Twee jaar terug zei Jacq: ‘Het leven heeft mij in de nek gebeten’; hij raakte linkszijdig verlamd. Door zijn hartfalen kreeg hij een invasie van levensbedreigende ziektes te verduren. ‘Mijn lichaam is mijn vijand geworden.’ Maar door zijn enorme geestkracht en gemotiveerdheid lukte het hem, letterlijk, weer op de been te komen. Na maanden hard oefenen bereikten we afgelopen zomer dat Jacq 150 meter lopend kon overbruggen, weer kon traplopen en zelfs fietsen. Zo maakten wij samen een fietstocht door de goud doorschenen herfstbossen. Dankzij de herkregen energie en de grote bewegingsvrijheid die wij hierdoor veroverden was het weer mogelijk geworden onze favoriete uitstapjes ook per auto te maken, de blik naar buiten te richten en opnieuw plezier te krijgen in het leven en dat betekende voor hem dus ook in het schrijven. Aangezien hij nu niet meer als een razende met tien vingers kon typen, nam hij de pen niet alleen meer voor zijn notities ter hand. Hij hanteerde vanaf toen een wonderpen met een scanapparaatje die de geschreven tekst via een vertaalprogramma op de computer in Word kon vertalen. Zo schreef hij een dik schrift vol met kort proza, met tamelijk verstilde overpeinzingen en beschouwingen over zijn waarnemingen.

Cruciaal was het moment dat hij besloot zijn singuliere personage Meneer Taats als schrijver te introduceren, zijn spitsvondige gevoel voor humor vol ironie voerde de boventoon. Met associatieve woordcombinaties verlustigde hij zich in het via de band becommentariëren van zijn eigen situatie. Hij schreef: ‘Ik heb zin mijn pen achterna te gaan. Vooruit ga je gang, ik volg wel, welke kant het ook uit gaat.’


Johanneke van Slooten is essayist, prozaïst en beeldend kunstenaar