De strijd gaat door

Schrijven of schieten? heet de interviewbundel waarin de Vlaamse auteur Fernand Auwera (1929-2015) een dertigtal Nederlandse schrijvers uit Noord en Zuid aan de tand voelde over hun literaire engagement. Let wel, het was 1969, de kruitdampen in de straten van Parijs waren net opgetrokken en bij ons bereikte het studentenprotest zijn kookpunt. Geen van de ondervraagden leek de tweede optie, schieten, ooit serieus te hebben overwogen, hoewel een enkeling, althans symbolisch, in de buurt komt. Harry Mulisch sprak de woorden: ‘Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezighouden met het schrijven van romans. Dan zijn er echt wel belangrijker dingen te doen.’

Small hh 47845988
José Eduardo Agualusa geeft de politieke ontwikkelingen soms een duwtje © Philippe Matsas / Leemage / HH

Oorlog is het nog steeds, en niet minder ver van ons bed dan een halve eeuw geleden. Toch lijkt een boek met een krijgshaftige titel als die van Auwera alleen als satire nog denkbaar. Schrijvers concentreren zich liever, en terecht, op de wereld die ze uit eigen ervaring kennen. Maar dichter bij de brandhaarden, in Latijns-Amerika en Afrika, ziet die wereld er nu eenmaal anders uit en wordt het kunstenaarschap problematischer. Daar is de vraag of doorgaan met schrijven – van fictie – nog wel moreel acceptabel is nog steeds, of opnieuw, actueel. In Het genootschap van onvrijwillige dromers, de meest recente roman van de veel gelauwerde Angolees José Eduardo Agualusa (1960), is het zelfs het hoofdthema.

Het bedoelde ‘genootschap’ bestaat uit vier personen die elkaar min of meer toevallig ontmoeten. Hun relatie tot de droom is telkens heel verschillend. Bij de een gaat het om nachtmerries over een gewelddadig verleden, bij de ander om neurowetenschappelijk onderzoek, bij een derde om een kunstenares die haar eigen dromen, waarin ze zelf altijd naakt optreedt, ensceneert en fotografeert, bij een vierde, de eigenlijke hoofdpersoon, een journalist, heeft het dromen plaatsgemaakt voor onderzoek naar geheimzinnig verdwenen vliegtuigen. Deze laatste, Daniel Benchimol, was in zijn jonge jaren milieuactivist, begaan vooral met de vervuiling van de oceanen. Ooit was hij twee maanden aan boord van de Rainbow Warrior, kort voor de trawler van Greenpeace door de Franse geheime dienst in de haven van Auckland tot zinken werd gebracht. Bij die aanslag, schrijft Agualusa, is een vriend van Benchimol om het leven gekomen, ‘de Portugese fotograaf Fernando Fernandes’.

De gedroomde val van de oude dictator is een paar maanden na publicatie realiteit geworden

Dan is het al duidelijk dat het boek het midden houdt tussen het surrealisme van het experiment, het toeval en de droom enerzijds en het realisme van het politieke engagement anderzijds, een genre dat we vooral kennen van Zuid-Amerikaanse grootheden als Márquez, Cortázar en Vargas Llosa. Het belangrijkste strijdtoneel is Luanda, hoofdstad van Angola, maar verplaatst zich ook naar Zuid-Afrika en Cuba; talloze concrete verwijzingen naar politiek en cultuur geven het boek een intellectuele context van kosmopolitische allure. Centraal staat de recente geschiedenis van Angola: de koloniale Portugese overheersing, de bevrijdingsstrijd in de jaren zeventig, de daarop volgende burgeroorlog en de veertigjarige dictatuur.

Dat Agualusa de reële politieke ontwikkelingen desgewenst een duwtje geeft, is al vroeg duidelijk, bijvoorbeeld als hij de omgekomen ‘Portugese fotograaf Fernando Fernandes’ noemt en niet, conform de buitentekstuele realiteit, Fernando Pereira, Nederlandse fotograaf van Portugese afkomst. Maar die duw komt niet van Daniel Benchimol, die ‘het ideaal van een schoon milieu’ weliswaar niet heeft opgegeven, maar wel ‘het militante actievoeren’. Die rol is nu weggelegd voor zijn dochter Karinguiri. Samen met zes vrienden – zij noemen zich The Magnificent Seven – heeft zij een belangwekkende conferentie met ludieke middelen verstoord. De jongelui hebben de oude dictator het spreken onmogelijk gemaakt en hem met bloed bevlekte briefjes van duizend dollar naar het hoofd gesmeten. ‘Het geld was vals, het bloed niet.’

Nu zitten ze in de gevangenis, waar ze in hongerstaking zijn gegaan. Benchimol bezoekt zijn dochter en probeert haar vergeefs op andere gedachten te brengen. Zij heeft het vastberaden idealisme van de jeugd, maar ook van de ‘bekeerling’, want zij is de kleindochter van een corrupte, ultraconservatieve man die in de laatste jaren van het eenpartijstelsel en de centraal geleide economie, dus tijdens de communistische dictatuur, ‘op mysterieuze wijze’ rijk is geworden.

Zodoende is dochter Karinguiri opgegroeid in twee verschillende werelden, eerst die van de extreem rijken, later die van de ‘bohemien kunstenaars die ’s zaterdags bij elkaar kwamen in hun appartementen om te drinken en te blowen en te praten over plannen en projecten die ze nooit zouden verwezenlijken’. Het Angola van de armen, het Angola van de overweldigende meerderheid, heeft Karinguiri pas laat leren kennen. Haar vader mag het dromen hebben verleerd, zij allerminst, zij zet haar dromen om in half-symbolische, half-reële revolutionaire daden. En ze verwijt haar vader – niet geheel onvoorspelbaar – dat die zich thuis opsluit met zijn boeken; als journalist bezoekt hij liefst schrijvers en kunstenaars van elders, vrienden in de arme buurten heeft hij niet. Zo wordt het politieke conflict ook een generatieconflict.

De epiloog geeft de politieke situatie van 2 maart 2017 weer. De protesten hebben geholpen, de president is op de vlucht naar Rusland, maar aangezien de generaals de macht hebben overgenomen zijn de vooruitzichten nog steeds niet rooskleurig. ‘De strijd gaat door.’ En hóe, althans buiten het boek. In een soort tweede epiloog, een ‘aantekening van de vertaler’, lezen we niet alleen dat het verhaal van The Magnificent Seven geënt is op het feitelijke protest van een kleine groep jongeren, maar ook dat de gedroomde val van de oude dictator een paar maanden na publicatie van Het genootschap van onvrijwillige dromers via verkiezingen realiteit is geworden. De nieuwe president van Angola kiest voor openheid, hij is – vooralsnog – een verademing. Dat – een verademing – is ook een goede kwalificatie voor dit even speelse als spannende boek van Agualusa, die gelukkig ook in tijden van oorlog ‘gewoon’ romans is blijven schrijven.