W.N.P. Barbellion, Laatste dagboek

De strijd met het lichaam

W.N.P. Barbellion
Laatste dagboek
Vorroux, 172 blz., e 24,-

«Gisteren voor het eerst sinds vijf maanden naar buiten geweest. Een prachtige aprildag, warm, een vogelkoor op volle sterkte, de geur van viooltjes, van houtrook – en de oorlog was voorbij. Ik voelde dat ik als een eerbaar mens een staartmees in zijn veren kon kijken zonder ineen te krimpen. De lucht spande zich boven me – zwermen witte vogels dreven in een zee van blauw – en mijn hart trilde een beetje en heel even stroomde er wijn door mijn aderen, totdat de realiteit zich onontkoombaar over me heen drapeerde als een vloek. Ik zou er liever niet aan herinnerd zijn maar het gevoel hoe mooi de wereld is zwiepte over me heen in een machtige vloed.»

Een dergelijke lyrische ontboezeming lijkt ons al snel een beetje overdreven, een beetje geëxalteerd, en daar houden wij tegenwoordig niet van. Goed, deze dagboekaantekening dateert van 8 april 1919, toen er dikwijls nog veel hoogdravender werd geschreven, maar toch. Wie goed leest heeft echter al in de eerste zin iets geconstateerd dat tot nadenken stemt, dat mogelijkerwijs een verklaring vormt voor de wat opgewonden toon. De schrijver is vijf maanden lang, sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog, niet buiten de deur geweest. Bovendien ervaart hij «de realiteit» als een vloek. Er is met deze man dus iets aan de hand.

Wie het tien jaar geleden verschenen Dagboek van een teleurgesteld man (De Arbeiderspers) heeft gelezen, weet dat Barbellion leed aan een zeldzame en virulente vorm van multiple sclerose, waaraan hij een half jaar na bovenstaande dagboeknotitie zou overlijden. Barbellion – de voorletters stonden voor Wilhelm Nero Pilatus – was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings (1889-1919), een uiterst getalenteerde zoöloog met literaire ambities, die al jong wordt geconfronteerd met een ziekte die hem stukje bij beetje afbreekt. Zijn dagboeken laten de voortdurende strijd zien tussen wat hij wil («Ik was al ambitieus voordat ik een broek aankreeg») en wat zijn lichaam hem toelaat.

Dit levert genadeloze observaties op van anderen, die in zijn ogen vaak niets kunnen of veel te weinig doen met de hun geschonken mogelijkheden, maar vooral van zichzelf. Wanneer zijn Journal of a Disappointed Man in maart 1919 wordt gepubliceerd, met een voorwoord van de wereldberoemde H.G. Wells, zeggen enkele vrienden dat zij hem in dit boek niet herkennen. «Maar dat komt doordat ik mijn kleren heb uitgedaan en ze me in mijn nakie niet herkennen! Mijn dagboek is een naakttekening van mijzelf.»

Aan het einde van dat dagboek had hij geschreven dat de auteur eind 1918 was overleden. In werkelijkheid leefde hij nog bijna twee jaar en was hij tot enkele maanden voor zijn dood in staat zijn dagboek bij te houden. Dit Laatste dagboek valt dus te lezen als een post scriptum bij het Dagboek van een teleurgesteld man, dat zijn ontwikkeling beschrijft vanaf zijn dertiende jaar. Wie dat eerste dagboek niet kent doet zichzelf ernstig tekort, maar dat moet niemand ervan weerhouden dit Laatste dagboek te lezen.

Aangrijpend is zijn beschrijving van zijn geworstel in bed, waar het soms meer dan een uur duurt voordat hij zijn benen uit de knoop heeft gehaald of zich op een andere zijde heeft gewurmd, waarbij hij wordt geplaagd door de meest virulente spasmen. Uiteraard heeft deze ellende gevolgen voor wat er zich in zijn hoofd afspeelt. «Er zijn dagen waarop ik het opgeef, elk aards verlangen vrijwillig van me werp, waarop elke draad die me aan het leven bindt is doorgesneden. Ik verlang ernaar vrij te zijn en hak en snij als een gek om me heen, buien van razernij waarin ik mezelf op luide toon uitvloek, buien die afgewisseld worden met vlagen van apathie, waarin ik onverschillig sta tegenover iedereen (…). En steeds vraag ik me af waar ik me in godsnaam druk om maak. Ik bekijk het menselijk leven en de menselijke besognes met een onmenselijke afstandelijkheid, maar nog niet vanuit het rijk der engelen. Ik ben noch het een, noch het ander, noch dood, noch levend: een non-descript schepsel in niemandsland. En, zoals geldt voor ieder die de middenweg bewandelt, kan geen van beide kampen enig enthousiasme opbrengen om mij op te eisen.»

Heel lang houdt het wachten op de publicatie van zijn eerste dagboek, en het fantaseren over de reacties, hem in geestelijk opzicht op de been. «Slechts één enkele dunne draad verbindt me nog met het bestaan en dat is de nieuwsgierigheid naar het voorwoord van H.G. Wells, een stukje ijdelheid dat weggehoond moet worden.» Maar in werkelijkheid laat het leven zich niet zo gemakkelijk loskappen, zeker niet nadat in 1917 zijn dochtertje is geboren: «Wat ik altijd heb gevreesd is werkelijkheid geworden – de liefde voor mijn dochtertje. Weer een verbindingsdraad met het leven die doorgesneden moet worden. Ik wil ‹het lied van trippelende voetjes over de vloer› horen. Gedachten aan haar vervullen me met een ondraaglijke droefheid. O vergeef me, vergeef me!»