Bush en zijn running mate op campagne

De strijd om Minnesota

Minnesota krijgt al het lekkers. De staat, die tien stemmen in het college van kiesmannen heeft te vergeven, is hopeloos verdeeld. Afgelopen weekeinde bezochten president Bush en running mate Edwards deze swingstaat daarom voor de zesde keer.

MINNESOTA – Al weken krijgt de noordelijke midweststaat Minnesota een vorstelijke behandeling van beide partijen. Ooit waren de Democraten er oppermachtig. Maar vier jaar geleden won Gore de staat met slechts twee procent verschil. Twee jaar later boekten Republikeinen aanzienlijke overwinningen bij tussentijdse verkiezingen. De twee senaatszetels zijn nu verdeeld: één Democraat en één Republikein. Nu draait de strijd om vier procent van de kiezers die hun keuze nog niet hebben bepaald.

Minnesota, kortom, is swing state bij uitstek. Miljoenen dollars spenderen de landelijke partijen om tientallen televisiespotjes per dag te laten uitzenden. Honderdduizenden in de uitgestrekte «Twin Cities», gevormd door Minneapolis en hoofdstad St. Paul, hebben een bord in de tuin gezet met de naam van hun kandidaat. En ook buiten de stedelijke agglomeratie doen meer vrijwilligers dan ooit hun best potentiële stemmers te overtuigen, te registreren en naar de stembus te krijgen. De Democratische partij heeft maar liefst twintig kantoren op het platteland, vijftien meer dan in 2000.

Er is ook hulp van buitenaf. Grote bedrijven als KLM/Northwest Airlines, Deloitte&Touche en PricewaterhouseCoopers stortten aanzienlijke bedragen in de campagnekas van de lokale Republikeinen. Voor de Democraten kwamen R.E.M en Bruce Springsteen afgelopen dinsdag de gemoederen in St. Paul ophitsen met een «campagneconcert». Volgens de Republikeinse gouverneur, een levenslange fan, zal zijn grote idool gelijk krijgen: Freedom Will Reign (een songtitel) – maar dan wel dankzij «W» Bush.

En de gigantische universiteit in Minnea polis werd afgelopen vrijdag bezocht door Michael Moore, die er met zesduizend studenten keek naar het tweede Kerry-Bush-debat. De cineast gooide bij iedere «leugen» van Bush honderd dollar in een hoge hoed. Buiten het universiteitscomplex demonstreerden tientallen jonge Republikeinen. «Er behoort aan deze universiteit geen plaats te zijn voor de anti-Amerikaanse smaad van een onpatriottische ophitser», verklaarde hun woordvoerder. Binnen beloofde Moore iedere stem tegen Bush te belonen met chocolade en schoon ondergoed. De opzet slaagde: daags daarna meldde zich een Republikeinse organisatie die Moore wil aanklagen wegens omkoping. Enkele jaren geleden was immers al een politicus veroordeeld voor het uitdelen van twinkies op de dag van de verkiezingen.

Terwijl Moore in de hoofdstad schoon ondergoed aanbiedt, organiseert de organisatie «Minnesotans voor Kerry/Edwards» in verscheidene wegrestaurants en clubhuizen een «debate watch party». In de Chinese eetgelegenheid King, in de verre buitenwijk Maple Grove, zijn er rond de zeventig inwoners op afgekomen. De meeste van de veelal oudere dames blijken thuis niet te kunnen kijken omdat hun echtgenoot de televisie heeft afgesteld op de belangrijke wedstrijd die de Twins, de plaatselijke baseballtrots, spelen tegen de New York Yankees. In een serie van vijf wedstrijden wordt bepaald wie door mag naar de finale van de wereldseries. Anita Gray, uit Littlefork: «Ik moest me duizend keer verontschuldigen dat ik niet naar de Twins-wedstrijd ging kijken. Zij zeggen dat ik me moet laten nakijken, maar ik heb dit debat echt nodig.»

Onder het neon, naast een groot aquarium, zitten ook enkele jonge vrijwilligsters. Ze blijken de campagnestaf van Deborah Watts te vormen, een gisse, zwarte vrouw die een uiterst populaire Republikeinse afgevaardigde uit Washington probeert te verjagen. Na het debat klimt ze op de tafel voor een bevlogen speech, waaruit ogenblikkelijk ook haar kansloze positie blijkt. De partij heeft haar geld aan een uitdaagster in een ander district gegeven, met meer kansen. Voor de nominatie van Watts zijn geen primaries gehouden: niemand anders was gek genoeg om het tegen de veertien jaar lang zittende Republikein Jim Ramstad op te nemen.

Er heerst grote concentratie onder de Kerry-aanhangers in restaurant King. Af en toe slaakt iemand een eenzame kreet als: «That’s rich men talking!» En wanneer Bush in het debat zegt: «That’s what liberals do, run up the federal budget!» roept een grote zwarte mevrouw: «Go liberals go!» Het wekt hilariteit. Jarenlang hebben ze zichzelf liberal genoemd, om nu mee te maken dat dit woord inmiddels een scheldwoord is geworden.

Zelf let ik speciaal op de oren van de president. Op het hoofdkantoor van de Kerry-campagne in Minneapolis had een overtuigde Democraat zich erover verbaasd dat ik «het nieuws» nog niet had gehoord. In het eerste debat had Bush zich laten influisteren via een minuscuul zendertje achter of in zijn oor. De ontvanger was duidelijk te zien: op zijn rug, onder zijn overhemd. Waarom had hij anders van die rare plotselinge stiltes laten vallen en had hij ineens gezegd, midden in een betoog waarin hij niet werd onderbroken: «Let me finish!» Ook was er een «echo» van zijn woorden te horen. Dat was gewoon, praatte de vrijwilliger enkele websites na. Maar in het eerste debat had er één geklonken nog voordat Bush had gesproken. Waar was die stem vandaan gekomen?

Ik kijk nauwkeurig, maar ik zie niets. Mijn buurman moet erom glimlachen. «Ik heb nog nooit zo veel paranoïde onzin gehoord als in deze verkiezingen.»

De volgende dag stroomt de Bush-aanhang samen op een sportveld voor de lagere school van Chanhassen, een buitenwijk waar Republikeinen in grote meerderheden verkiezingen winnen. «We bidden vandaag voor George Bush», gaat een blonde dominee voor, «en we wenden ons tot U in nederigheid, want zonder U kunnen we helemaal niets.» Daarna zweept een christelijke rockband de massa op met strakke, lompe popmuziek. Hoewel de muziek schatplichtig is aan de tegenbeweging uit de jaren zeventig brult de leadzanger iets door de microfoon over familiewaarden. «Niet alle rockers zijn Democraten!» Een man met Bush-buttons en een cowboyhoed zegt nauwelijks hoorbaar voor zijn buren: «Maar de goede helaas wel.»

Na de pledge of allegiance is het de beurt aan plaatselijke Republikeinen om de troepen in de stemming te brengen. Randy Kelly, de Democratische burgemeester van St. Paul die enkele maanden geleden naar het kamp Bush is overgelopen, verguist zijn oude partij: «Hun belangrijkste woordvoerder is Michael Moore.» Een raadslid, ook op het podium: «De Democraten hebben deze verkiezingsstrijd vervuild, ze zijn gemeen, ze zijn leugenachtig en we zullen ze verslaan.» Maar daarvoor moeten de grondtroepen van Chanhassen wel in beweging komen: «Bel vrienden, neem ze mee naar de stembus, ga langs de deuren.»

De toeschouwers reageren lauw. Ze blijven vooral verwachtingsvol in de richting van het schoolgebouw kijken. Daarop staan twee scherpschutters die opzichtig met hun geweren pronken. Het gaat om de deur daaronder. Wanneer de president daar uiteindelijk te voorschijn komt, barst de menige van extase. Er wordt gesprongen, gejoeld en gegild. Het blijkt al snel dat Bush dit publiek ook uit Pinkeltje had kunnen voorlezen, het juicht en klapt zo vaak als de president het toestaat. Ook lacht de massa precies op de daartoe geëigende momenten. Men pikt direct de zin op die Bush tijdens het debat voor het eerst voor Kerry in plaats van Bin Laden reserveerde: «Hij kan rennen, maar hij kan zich niet verschuilen.» Op Bush’ aangeven scanderen de fans het herhaaldelijk, volledig in de maat. Bush, in het voor hem kenmerkende staccato: «I like to be with people.» Hij benadrukt de relatief lage werkloosheid in Minnesota en viert het feit dat een recordaantal mensen in Amerika een eigen huis bezitten. «Een eigen huis hebben is toch het mooiste dat er is. Dat je tegen een bezoeker kunt zeggen: ‹Welkom in mijn eigen huis.› Fantastisch gewoon.» Waarna hij opmerkt dat slechts vier senatoren hem zowel de autorisatie tot geweld gaven als hem de middelen ontzegden om de legers uit te rusten met een extra tachtig miljard. Vol gespeelde verbazing: «Kerry en Edwards zijn twee van die vier!» Aan het slot van de 35 minuten durende speech wijkt de woede voor optimisme en geloof in eigen kunnen. «Wij Amerikanen kunnen alle concurrentie aan zolang iedereen volgens dezelfde regels speelt», aldus Bush.

Buiten de veiligheidspoorten scanderen Kerry-supporters intussen anti-Bush-leuzen. Ze staan keurig op de stoep. De fanatiekste Bush-aanhangers schreeuwen terug, terwijl ze zich netjes opstellen tegenover de veelal piepjonge demonstranten. Tussen ze in staan agenten opgesteld, strak in het gelid. Minutenlang schreeuwen de politieke tegenstanders tegen elkaar in, en steken hun politieke tekstborden in de lucht, zonder dat iemand aanstalten maakt tot slopen of knokken.

Tegelijkertijd gaat onder de Kerry-aanhang in de stad het gerucht dat Bush naar het baseballstadion komt om de eerste worp te verrichten van de volgende wedstrijd van de Twins tegen de Yankees. Direct trekken medestanders van Kerry, waaronder diens Vanessa en Alexandra Kerry, naar het stadion om te protesteren tegen Bush. Daar blijken de mannelijke fans in de rij voor het loket niet gediend van de bontgekleurde stoet. Middelvingers gaan in de lucht en de zin «Four more years» dreunt over de parkeerplaatsen rondom het stadion.

Het bericht blijkt overigens onjuist. Geen Bush en tot overmaat van ramp verliezen de Twins in de laatste inning, nadat ze met 5-1 voor hebben gestaan. In een café wordt gescholden en zelfs gehuild. Het seizoen is afgelopen. Na van de schrik te zijn bekomen, probeert een sportliefhebber te verklaren waarom het televisiedebat, een dag eerder, voor hem niet belangrijk was: «De verkiezingsstrijd is net als de Vikings tegen de Green Bay Packers (de streekderby: de Packers komen uit de buurstaat Wisconsin, de Minnesota Vikings spelen in de tweelingstad – pvo). Je hoort bij de ene of de andere. Waarom doet niet ter zake. Ik hoor in het Bush-kamp, en bij de debatten hoop ik alleen maar dat mijn kandidaat wint. Als hij verliest, dan baal ik, maar ik ga heus niet opeens voor de vijand juichen.» Op de achterruit van zijn auto prijkt de bekende oranje sticker: «Sportsmen for Bush». Over de verkiezingskwesties is hij duidelijk: «Ik ben pro-life, alle andere onderwerpen vind ik van minder groot belang.»

Ook de volgende ochtend, enkele uren voordat John Edwards in de stad arriveert, wordt duidelijk hoe onwrikbaar de keuze is van grote blokken kiezers. Bijna tweeduizend evangelische christenen zijn bij elkaar gekomen in een kerk in Brooklyn Parc, een van de buitenwijken van de stad. Het gebouw is vier jaar geleden opgeleverd. Aan het plafond hangen alle tracks van een professioneel theater. De gospelband wordt elektronisch versterkt, met een drummer en zijn instrument in een doorzichtige plastic kooi, om de gelovigen een geluid te bieden dat zo vloeiend mogelijk is gemixt met gitaar en bas. De kerkgangers lezen de teksten van een groot projectiescherm. Nadat een rondtrekkende verkondiger van het Woord in een uitbundige vertelstijl heeft verhaald van een bijna-doodervaring, legt een kerkganger bij de koffie uit dat de «but-factor» in het verkiezingsdebat te groot was. «Op de vraag naar stamcelonderzoek», legt hij uit, «zei Kerry omstandig dat hij begrip had voor de positie van de vragenstelster, maar daar liet hij direct op volgen: ‹Maar…› Dan weet ik als evangelisch christen genoeg. Het was dapper van Bush dat hij de moderator onderbrak om zijn punt te willen maken. Hij liet zien een echte leider te zijn die zich niet laat piepelen door wie of wat dan ook.»

Even onwankelbaar is de democratische aanhang die dezelfde dag de verkiezingsrally bezoekt waar John Edwards spreekt. Dit keer geen gebed, maar wel een pledge of allegiance, voorgegaan door een jonge, zwarte Irak- veteraan. Tijdens de rest van de bijeenkomst zal hij glazig naar de hossende menigte blijven kijken. De muziek in deze sportzaal van een middelbare school in Maple Grove is beter. Er zijn aanzienlijk meer mensen gekomen – elfduizend, schat de politie – dan naar de Bush-bijeenkomst. En minder veiligheidsmensen. Meer dan de helft daarvan luistert buiten de school via microfoons naar Edwards’ toespraak. Ze zijn jonger én ouder dan de dertigers en veertigers bij Bush, maar gemiddeld even dik. Ook is het publiek etnisch iets gemengder, alhoewel ook hier overwegend blank.

Bush riep in Chanhassen over zijn opponent: «Hij vertrouwt de overheid, ik vertrouw jullie.» Edwards zegt veertig kilometer verderop: «Bush kiest voor de multinationals, ik kies voor jou.» De uitzinnige menigte scandeert minutenlang: «Four more weeks!», klapt langdurig na oneliners als: «Outsource George Bush» en: «Amerika moet zijn belofte waarmaken het beste land ter wereld te zijn.» Orgastisch gebrul bereikt de gelikte Edwards («Silky Pony» is zijn bijnaam onder Republikeinen) als hij, in een gespeeld Texaans accent, herinnert aan de opmerking van Bush tijdens het verkiezingsdebat van vrijdag: «My time up yet?» De 51-jarige Edwards, met het uiterlijk en de glimlach van een filmster van vijfentwintig, spreekt de hoop uit dat in Amerika opnieuw «het speelveld» eerlijk wordt ingericht, «opdat iedere Amerikaan bij geboorte over dezelfde kansen en mogelijkheden beschikt». Bij Edwards echter niet het Republikeinse optimisme over Amerika en de vrije markt, maar verontrustende feiten: «Vijf miljoen mensen hebben in de afgelopen jaren hun gezondheidszorgverzekering verloren, waardoor een record van 45 miljoen onverzekerden is bereikt. Vier miljoen Amerikanen zijn onder de armoedegrens gezakt; 1,6 miljoen zijn hun baan in de privé-sector kwijtgeraakt.»

«Dit was de beste campagne speech die ik ooit heb gehoord en ik ga al vijftig jaar naar dit soort bijeenkomsten», zegt een Democraat met een strooien hoed, een dun baardje en een bord met de tekst «Veterans For Kerry». De bezoekjes van Bush en Edwards, die beiden voor de zesde keer dit jaar Minnesota aandoen, zijn bedoeld om het enthousiasme van de fanatieke basis van de partij te vergroten of op peil te houden. Bijkomend voordeel is dat de campagnekas wordt gespekt met de verkoop van vlaggetjes, buttons, T-shirts en borden voor in de tuin. Bij de Bush-rally blijkt de button met «After all: who would Osama vote for?» populair. En eentje met een gele smiley en de tekst «Annoy a liberal: work hard and be happy». Bij Edwards dragen twee meisjes van zeventien en achttien een button op hun broek, vlak onder een blote buik: «Hot Chicks Dig Edwards» staat erop. «Mijn vader zal het prachtig vinden», giechelt de jongste, die nog niet mag stemmen: «hij is een overtuigd Democraat.» Haar moeder niet. «Tja, die is CEO bij een farmaceutisch bedrijf, wie kan het haar kwalijk nemen?» Haar vriendin heeft nog niet beslist. Dat komen de actiegerichte vrijwilligers in de rij niet vaak tegen: een zwevende kiezer in het wild. Ze storten zich op haar, en gooien er hele flarden van de speeches van Edwards en Kerry uit. In het kort: gays, guns and God zijn van de tegenstander, sociale en economische rechtvaardigheid is het wapen der Democraten.

Daarna weet het meisje wat ze gaat doen: het is Kerry geworden. Dat betekent weer één zwevende kiezer minder. Nog drie procent van het electoraat in Minnesota te gaan.