De nieuwe sociale kwestie: TIJD

De strijd om vrije tijd

We lopen sneller over straat, multitasken ook als de computer uitstaat en werken via mobieltje en laptop onbetaald over. Stress bestrijden? Neem de tijd. Maar verwacht niet dat je die zonder slag of stoot krijgt.

Van een atoombom op Los Angeles tot aanslagen op een zwarte presidentskandidaat en hemzelf: special agent Jack Bauer (Kiefer Sutherland) moet het binnen het tijdsbestek van één dag zien te voorkomen in de sinds 2001 lopende televisieserie 24. Daarbij schuwt de liefhebbende huisvader martelmethodes niet. Het kwam hem op een vergelijking met een nazi van het type Eichmann te staan door de filosoof Slavoj i‑ek.

De ethische discussies zijn niet het enige wat de met een Emmy en een Golden Globe bekroonde productie 24 interessant maakt. Het is de tijd die fascineert. Net als tal van populaire computergames verloopt 24 in real time. Een minuut in de serie duurt werkelijk een minuut, een seizoen precies 24 uur. De actie wordt onderbroken door een zwart scherm met enkel de oplichtende cijfers en het nerveuze getuut van een klok. De van hot naar her hollende hoofdrolspelers zijn bovendien vaak parallel te volgen dankzij een split screen. Op twee, drie of vier gelijktijdig zichtbare beelden bellen ze ook nog eens mobiel, communiceren ze via bewakingscamera’s en gebruiken ze gps-technologie. Jack Bauer en zijn vriendjes hebben het, kortom, nogal druk.

Maar 24 is meer dan een illustratie van de haastige 24-uursmaatschappij. De serie is gebaseerd op een postmodern tijdsbegrip. Het postmodernisme heeft het einde van de geschiedenis en de grote verhalen verkondigd, en daarmee ook de toekomst in de zin van een ‘alternatief einde’. In 24 is dus geen plaats voor een historie of toekomstvisie. Er is geen ‘voor’ of ‘achter’, alleen maar heel veel ‘naast elkaar’. Een bomvol heden dus. Of beter, tal van parallelle hedens, geïllustreerd door de split screen-montage.

Dat alles sneller gaat, is niet alleen een stokpaardje van zeurende hangouderen of zweverige yogafanaten. Het jachtige gevoel wordt ondersteund door vrachtladingen aan meer of minder serieuze cijfers en onderzoeken. Een kleine greep. Sinds 1950 zijn we meer dan vijftig procent sneller gaan praten. We slapen zo’n anderhalf uur minder dan een eeuw geleden. Volgens de Britse psycholoog Richard Wiseman zijn voetgangers in grote steden in het afgelopen decennium tien procent sneller gaan lopen. The Economist meldde enige tijd geleden dat werknemers door het gebruik van mobiele telefoon en laptops aanzienlijk meer overwerken, onbetaald welteverstaan.

Door de nieuwe informatietechnologie vervaagt de grens tussen werk en vrije tijd. En dat leidt tot stress en onvrede.

Het is niet enkel een kwestie van ‘te weinig tijd’. Het probleem is behalve kwantitatief ook kwalitatief. We leven onder een nieuw ‘tijdsregime’, met alle problemen van dien. De mens heeft God pas een goede honderd jaar geleden de wacht aangezegd en de eeuwigheid verruild voor de tijdelijkheid. Nu is ook dat perspectief bij het grofvuil gezet. Onze maatschappij is er een van tegelijkertijdigheid.

Hoe zijn we in dit doldwaze stadium beland? De moderne geschiedenis wordt gekenmerkt door versnelling. Maar die neemt uiteenlopende vormen aan.

De boeren in de Middeleeuwen hadden een cyclisch tijdsbesef, aldus de antropoloog Benedict Anderson in zijn bekendste werk Imagined Communities. De seizoenen, dag en nacht, kortom de natuur gaf het levensritme aan. In de zomer was het druk en waren de dagen lang. Er was sprake van een intensievere tijdsbeleving: tijdsverdichting. In de rustige winter was er tijdsverdunning. Dat vertrouwde ritme leek zich te herhalen tot in de eeuwigheid. Je zou met een knipoog naar Marx van een primitief communistisch tijdsregime kunnen spreken, een maatschappij waarin tijd nog niet schaars gemaakt is.

Daar kwam langzaam verandering in met de opkomst van de steden, handel en industrie, uitmondend in de industriële revolutie. Voorwaarde voor loonarbeid, waarbij werknemers meer en meer per uur betaald werden, was een meetbaar, lineair tijdsregime. Kalenders en klokken dus, die de dagen, uren en minuten meten. Het kostte de nodige moeite dat de arbeiders door de strot te duwen. Met een vaste baan kregen ze weliswaar ook vrije tijd, maar zegt dat woord al niet alles over de ‘onvrije’ werkdag?

Nadat de cyclische tijd was vervangen door een ‘homogene’ tijd volgde in het begin van de twintigste eeuw weer een nieuw tijdsregime. Door het fordisme werd de tijd niet zozeer objectief bepaald, als wel door het tempo van de lopende band. Een druk op de knop volstond om die snelheid op te voeren. De elementaire tijdseenheid in belangrijke delen van de maatschappij was daarmee niet langer het uur of de minuut, maar boud gezegd de tijd die het kostte om één T-Ford te produceren.

Inmiddels zijn we beland bij het postfordistische tijdsregime. De huidige versnelling van het maatschappelijk leven is niet het gevolg van het nóg harder laten draaien van de machines, maar van een revolutie in efficiëntie. Flexibilisering, outsourcing en het _just-in-time-_principe hebben alle nog bestaande gaatjes in de tijd opgevuld. Productieprocessen verlopen zoveel mogelijk parallel in plaats van na elkaar. Daar bovenop is er de enorme vooruitgang op het gebied van informatietechnologie. Internet en mobiele communicatie verkorten de tijd die nodig is voor tal van handelingen, van een internationale vergadering tot het overschrijven van geld.

Deze ontwikkelingen hebben zich niet tot de werkvloer beperkt. Het just-in-time-principe heeft zijn huis-tuin-en-keukenvariant met de _instant-_maaltijd. En de op alle grote treinstations aanwezige _To go-_formule van Albert Heijn, naar eigen zeggen ‘een winkel voor mensen die midden in de 24-uurseconomie staan’, zegt het al: kopen en wegwezen. Eten doe je in de ‘lege tijd’ dat je onderweg bent, tussen de mobiele-telefoongesprekken door.

Kortom, we hebben het nieuwe tijdsregime geïnternaliseerd. Een prikklok is voor de hoger opgeleide werknemers niet meer nodig. Ze hebben er eentje in het hoofd. Hoe ver die internalisering gaat, blijkt uit het toegenomen gebruik van de taal van het bedrijfsleven als we over onze eigen tijd spreken. We besteden, besparen, bezitten, investeren en verspillen tijd.

Het staat buiten kijf dat flexibilisering, werken in projectgroepen en de nadruk op eigen verantwoordelijkheid het werk uitdagender maken. Maar die nieuw verworven vrijheid is betrekkelijk. Sociologe Patricia van Echtelt concludeerde onlangs in haar promotieonderzoek dat de mogelijkheid om de eigen werktijd zelf flexibel in te delen overwerk stimuleert. Dat is niet omdat werknemers zo dol zijn op hun baan. Het werkplezier in de door Van Echtelt onderzochte organisaties was helemaal niet zo groot en zeker geen reden om langere dagen te maken. Van Echtelt spreekt dan ook over ‘de tirannie van de kleine beslissingen’: ‘Elke dag neem je de beslissing nog even iets af te maken na werktijd, maar al die kleine beslissingen bij elkaar opgeteld leveren een resultaat op waarvoor je eigenlijk helemaal niet had willen kiezen.’

De aangedragen oplossingen zijn legio. Antropoloog Hylland Eriksen opperde in NRC Handelsblad het idee van een e-mailvrije dag. Een heuse _slow-_beweging dringt aan op onthaasting. Als dat niet vanzelf wil vlotten, kun je het altijd nog kopen, zo blijkt alleen al uit de florerende _wellness-_branche. Het aantal bedrijven op het gebied van fitness, sauna’s en kuuroorden is sinds 2001 met een derde toegenomen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De achterliggende gedachte is niet zelden dat werknemers die weten hoe te ontspannen daarna met extra energie weer aan de slag kunnen. Even ‘de tijd nemen’ blijkt niet eenvoudig. De geboden medicijnen blijven te veel aan de oppervlakte. Bijvoorbeeld omdat stress louter als een individueel probleem wordt gezien – nog zo’n uiting van de internalisering van het tijdsregime. Of het is de voortschrijdende technologie die als het Kwaad wordt neergezet.

Maar tijd is ook een uiting van sociale verhoudingen en daarmee onderwerp van politieke strijd. Tijdstrijd is namelijk niet iets nieuws. Voor lopendebandwerkers in de twintigste eeuw was het de voortzetting van de klassenstrijd in de vierde dimensie. De Italiaanse arbeiders in de auto-industrie verhieven langzaam werken tot kunst, met een enorme aantasting van de winsten tot gevolg. In het Rusland onder Brezjnev, waar de arbeiders wel geld kregen maar er amper iets voor konden kopen, was het niet anders. ‘Zij [de bazen in het Kremlin] doen alsof ze ons betalen. Wij doen alsof we voor hen werken’, luidde een spreekwoord in die tijd. Zo gezegd, zo gedaan. De vrouwen werkten tot aan de lunch, om vervolgens in de baas zijn tijd boodschappen te doen en andere zorgtaken te verrichten. De mannen zagen dat ze na de lunch alleen terugkwamen op het werk en trokken hun conclusies. Toen in 1982 Andropov een campagne tegen lijntrekken begon, werd bij razzia’s tijdens de matinees in bioscopen duidelijk waar zij al die tijd hadden uitgehangen.

De moderne tijdstrijd is zelfs hard op weg de sociale quaestie van de 21ste eeuw te worden. Nu al behoren de verhoging van de pensioenleeftijd, de lengte van de werkweek en de consumptieloze zondag tot de meest omstreden politieke issues. In Zuid-Europa staat de siësta onder druk en worden de lunchpauzes korter, naar Angelsaksisch voorbeeld. Dat is geen triviale kwestie. Niet voor niets is het recht op een uitgebreide maaltijd in de bedrijfskantines een van de belangrijkere issues binnen de Franse vakbeweging. Zonder gezamenlijke schaft valt het fundament onder een collectieve organisatie weg, iets wat pijnlijk zichtbaar is in tal van Nederlandse bedrijven waar het broodje kaas totaal geïndividualiseerd wordt verorberd boven het eigen bureau.

De weerzin tegen de haastmaatschappij biedt overigens wel mogelijkheden tot nieuwe allianties, reikend tot ver voorbij de snel in aantal afnemende traditionele arbeiders. In een periode waarin het de onderste helft van de maatschappij aan een gedeelde identiteit ontbreekt, zijn tijdgebrek en stress de factoren die de schoonmaker aan de IT’er binden. Deelname aan de tijdstrijd is bovendien laagdrempelig. Sterker nog, zonder het te beseffen kan men erbij betrokken zijn. Het winkelend publiek dat stilstaat op de roltrap in de V&D pleegt bijvoorbeeld al passief verzet. De roltrap werd rond de vorige eeuwwisseling ontworpen om meer mensen sneller te verplaatsen. Wat een grote sprong voorwaarts moest zijn, werd een stap terug. In plaats van door te lopen bleven de gebruikers massaal stilstaan en uitrusten.

Tijdens de Parijse Commune in 1871 en de revolutie van 1830 trachtten opstandelingen de tijd zelfs stil te zetten. Met een dramatisch gebaar schoten de rebellen in het broeierige Parijs van de negentiende eeuw op de klok van het Hôtel de Ville. Wie echt de tijd wil nemen, moet met meer komen. Maar het achterliggende idee is prachtig. Werkelijke vrijheid, dat is zelf bepalen hoe lang een uur of een dag duurt.

De foto bij dit artikel maakt deel uit van de tentoonstelling van het werk van Jacques Henri Lartigue in het Foam Fotografiemuseum, van 22 juni t/m 26 augustus