Kenneth Roth over mensenrechten

‘De strijd valt niet meer terug te draaien’

Jurist Kenneth Roth maakte Human Rights Watch van een bescheiden ngo tot de meest zichtbare mensenrechtenorganisatie ter wereld. Hij heeft twijfels over het Nederlandse mensenrechtenbeleid. En hij wil de nieuwe machten van de wereld aan zich binden.

HET WAS een pijnlijke schrobbering, eind januari, voor een land dat zichzelf ziet als robuuste voortrekker op het terrein van mensenrechten en andere verheven zaken wereldwijd. Nog maar een paar jaar geleden stelde Nederland de Mensenrechten Tulp in, een staatsprijs voor personen die ‘uitzonderlijke moed’ hebben betoond bij het bevorderen van mensenrechten. Maar als we Lotte Leicht mogen geloven, de directeur van het Europese hoofdkantoor van Human Rights Watch, heeft Nederland de statuur niet om zo'n prijs te mogen uitrijken. 'Nederland stond jarenlang bekend als een land dat altijd en overal pal stond voor mensenrechten. We hebben het gevoel dat er verandering is’, aldus Leicht, op bezoek in de Tweede Kamer. 'Nederland lijkt niet meer deel uit te maken van de groep verlichte Europese landen, maar behoort nu tot een kleine groep landen die zig-zagt op het terrein van mensenrechten.’
De directe aanleiding voor deze uithaal was de Nederlandse blokkering van een EU-verklaring waarin het Israëlische nederzettingenbeleid zou worden veroordeeld. Maar Nederland wekte al eerder de indruk de mensenrechten minder hoog op te nemen. Zo haalde minister Rosenthal in 2011 de uitreiking van de Mensenrechten Tulp terug van de Ridderzaal naar een zaaltje in zijn ministerie en was hij zelf niet aanwezig. Rosenthal deed vervolgens uitspraken die suggereerden dat mensenrechten waren gezakt op Nederlands prioriteitenlijstje ('Je kunt niet overal voortdurend mee bezig zijn’) en hij lanceerde een nieuwe mensenrechtentheorie die er in praktijk op leek neer te komen dat China niet meer moet worden aangesproken op zijn mensenrechtensituatie.
Er was dus genoeg stof voor conversatie toen Kenneth Roth, de algemeen directeur van Human Rights Watch, begin februari in het Torentje een gesprek had met premier Rutte en minister Rosenthal. 'Traditioneel was Nederland een sterke bondgenoot van ons in de strijd voor mensenrechten. We zijn bezorgd om bepaalde signalen dat dat niet meer zo is’, zegt Roth in een interview kort na het gesprek. 'Maar Rutte en Rosenthal deden erg hun best om te benadrukken dat Nederland geen afstand neemt van mensenrechten. We’re not backing away, herhaalden ze. Al blijven we van mening verschillen over bepaalde zaken.’ Drie zaken, met name: de Nederlandse houding ten opzichte van mensenrechtenschendingen door Israël, Rosenthals 'receptortheorie’ en het feit dat Nederland een EU-vertegenwoordiger voor mensenrechten tegenhoudt. 'Rutte en Rosenthal zeiden dat ze best Israël willen veroordelen voor de bouw van nieuwe nederzettingen, maar dat ze mensenrechtenschendingen van beide zijden willen veroordelen’, aldus Roth. 'Als dat werkelijk de enige motivatie van Nederland is om EU-verklaringen tegen te houden, dan kunnen we daarmee leven, maar ik betwijfel eerlijk gezegd of dat zo is. “Naar beide kanten kijken” moet geen excuus worden om geforceerd te zoeken naar iets aan Palestijnse kant dat analoog is aan de nederzettingen. Want dat is er gewoon niet.’
De EU-vertegenwoordiger voor mensenrechten is net zo'n soort probleem. 'Volgens Rutte en Rosenthal moet de buitenlandvertegenwoordiger van de EU over mensenrechten praten en komen mensenrechten op het tweede plan als een speciale gezant dat moet doen’, zegt Roth. 'Volgens die redenering houdt Nederland de gezant juist tegen omdat het mensenrechten zoveel gewicht wil geven in het Europese beleid. Dat is een nogal ambigu argument. Ik wil niet vooraf al te kritisch zijn, maar the proof is in the pudding.’
Rutte zweeg vooral toen het over de 'receptortheorie’ van mensenrechten ging, een stokpaardje van Rosenthal. De minister legde het in zijn onderhoud met Roth nog eens uit, maar die lijkt niet erg onder de indruk. 'Het was mij eerlijk gezegd niet duidelijk of minister Rosenthal helemaal had doordacht wat de twee uitgangspunten van zijn theorie precies betekenen. De theorie lijkt me nog niet helemaal uitgewerkt’, zegt hij. 'Volgens Rosenthals theorie moet mensenrechtenbeleid twee pijlers hebben: ten eerste moet je zelf doen wat je uitdraagt en ten tweede moet je bij het bevorderen van mensenrechten voortbouwen op tradities die in een land zelf bestaan. Met het eerste zal iedereen het eens zijn, dus het is een wat leeg statement. Wat het tweede betreft: ook als ze lang ingesleten zijn, kunnen tradities strijdig zijn met mensenrechten. Respect voor tradities moet geen excuus worden om mensenrechtenschendingen te negeren. Ik heb Rutte en Rosenthal gezegd dat die benadering het gevaar in zich draagt van cultuurrelativisme.’ Cultuurrelativisme: dat verwijt zagen Rutte en Rosenthal vast niet aankomen.

KENNETH ROTH, zoon van een gevluchte joodse Duitser die zich in New York vestigde, is bijna twee decennia voorzitter van Human Rights Watch (HRW). Na zijn rechtenstudie aan Yale werd hij openbaar aanklager en verdiende zijn sporen onder meer in de Iran-Contra-affaire. Roth werd meer en meer naar mensenrechten getrokken door juridisch onderzoekswerk in Polen en Haïti en sloot zich in 1988 aan bij HRW. Vijf jaar later werd hij directeur. Sindsdien heeft HRW een sterke groei doorgemaakt. Pas eind jaren tachtig werd de organisatie formeel opgericht; daarvoor bestonden er een paar jaar losse ngo’s, zoals Americas Watch en Asia Watch. Na de oprichting heette HRW lang een 'Amerikaanse ngo’ te zijn. Maar dat is verleden tijd. Onder Roth’ bestuur groeide het budget van HRW achtmaal, onder meer door zeer omvangrijke giften van filantroop/speculant George Soros. HRW werd ook een internationale organisatie met kantoren in twaalf landen en onderzocht de mensenrechtensituatie in steeds meer staten. En HRW werd steeds zichtbaarder, onder meer door de belangrijkste strategie die de organisatie hanteert: regeringen onder druk zetten via naming and shaming in de media. En ook Roth werd zichtbaarder; het tijdschrift Foreign Policy schaart hem bij de honderd belangrijkste 'mondiale denkers’, 'omdat hij de spierballen terugbracht in mensenrechten’.
Roth is een magere, rustige man, opener en soepeler in de omgang dan je op basis van de strenge foto’s zou verwachten die in HRW-rapporten of bij zijn vele opinieartikelen staan. Het interview vindt plaats in het Amsterdamse Hotel Americain, tussen de afspraak in het Torentje en een rond hem gebouwd avondprogramma in De Balie in. Roth praat en denkt snel, vaak wil hij halverwege de vraag al met zijn antwoord beginnen. Zijn tanige vingers spreidt hij regelmatig uit in een karakteristiek gebaar, als een waaier. En hij laat vaak een lach doorschemeren. Het meest amuseert hem de vraag of hij zich de vaak scherpe, persoonlijke kritiek aantrekt die hij uitlokt met zijn standpunten. Over Israël bijvoorbeeld, altijd goed voor een storm. Of over Bush junior: hij riep eens Canada op om Bush te arresteren wegens opdracht geven tot marteling.
Roth ervaart het groeiende gewicht van HRW aan den lijve. 'We komen nu veel sneller binnen bij staatshoofden en hoge functionarissen dan eerst, omdat er in de wereld wordt geluisterd naar wat HRW zegt en rapporteert. Wijze regeringen spreken met ons, omdat we dan beter hun positie begrijpen en zich dat kan vertalen naar onze rapporten. Elk land geeft erom hoe het wordt gezien in de buitenwereld.’ Mensenrechten bevorderen hield lange tijd in: westerse regeringen bewegen om ontwikkelingslanden onder druk te zetten. Maar HRW is een nieuwe koers ingeslagen.
'De macht in de wereld is verschoven. Wij willen ervoor zorgen dat mensenrechten evenzeer onderdeel worden van het binnenlands en buitenlands beleid van de nieuwe machten als van westerse landen’, zegt Kenneth Roth. 'Wij proberen te zorgen dat landen als Brazilië, Zuid-Afrika, India en Japan niet alleen de mensenrechten binnen hun grenzen verbeteren, maar ze ook onderdeel maken van hun buitenlands beleid. Neem de situatie in Zimbabwe: het land dat de meeste invloed op Zimbabwe heeft is niet de VS of Rusland, maar Zuid-Afrika. In Sri Lanka is dat India, en zo zijn er meer voorbeelden. In die nieuwe machten moet je dus ook invloed uitoefenen. In de VN geldt hetzelfde. Als de Veiligheidsraad stemt, willen Rusland en China liever niet alleen staan. Dus we proberen landen te beïnvloeden die zich voorheen makkelijk lieten overhalen om met Rusland of China mee te stemmen. We willen de nieuwe machten op het wereldtoneel eraan herinneren dat zij zich in hun buitenlands beleid niet meer als dictaturen kunnen gedragen. Ze moeten weten dat ze bekeken worden.’
HRW doet dat doet met name door rapporten op te stellen via lokale informanten en organisaties en daarmee media-aandacht te zoeken. Tijdens de Arabische lente bewees die aanpak zijn waarde. HRW was een van de weinige bronnen van betrouwbare informatie tijdens de eerste weken van de opstand in Libië; HRW-rapporten werden aangehaald door grote media, door regeringen, de VN en door het Internationaal Strafhof. Ook in Egypte en Syrië gaf HRW vroeg en gedetailleerd getuigenissen van mensenrechtenschendingen die de internationale media bereikten en daardoor het gedrag van het Egyptische leger in de schijnwerper zetten. 'De Arabische lente was een beweging van burgers, maar wij zijn succesvol geweest in het verdedigen van de politieke ruimte waarin demonstranten zich in verschillende landen bewogen. We lieten autoriteiten weten dat ze bekeken werden’, aldus Roth.

DE AANSLAGEN van 11 september 2001 betekenden een stap terug voor mensenrechtenorganisaties, omdat in veel landen het geloof postvatte dat mensenrechten moeten worden afgewogen tegen veiligheid. Maar dat was alleen een tijdelijke terugval, zegt Roth. 'Onder burgers is de openheid voor mensenrechten weer zoals eerst. En regeringen, die hebben altijd al redenen gehad om mensenrechten te negeren: economisch gewin, veiligheid of wat dan ook. Mensenrechten zijn nu eenmaal inherent ongemakkelijk voor regeringen; ze zijn een obstakel om dingen snel gedaan te krijgen.’
Sommige regeringen bestrijden mensenrechtenorganisaties daarom direct. 'Een aantal Afrikaanse dictaturen probeert bijvoorbeeld mensenrechten af te schilderen als een westers dictaat, een nieuw imperialisme - alsof Afrikanen houden van onvrijheid en marteling. Andere regeringen grijpen hard in tegen lokale ngo’s, die vaak de informatie leveren waar internationale ngo’s op leunen. Maar als ik kijk naar de mondiale langetermijntrends, dan zijn die overwegend positief. Kijk naar Latijns-Amerika: twintig jaar geleden waren de meeste landen daar militaire dictaturen, nu zijn de meeste een democratie. In sub-Sahara-Afrika, Oost-Azië en Zuidoost-Azië zie je een groei aan respect voor mensenrechten. Oost-Europa: totaal anders dan twintig jaar geleden.
Het slechte nieuws is dat er nog steeds veel plaatsen zijn waar de situatie slecht blijft, zoals Centraal-Azië. Plaatsen met meer geweld, zoals Oost-Congo en Soedan, regeringen die afglijden, zoals Ethiopië en Rwanda. Maar daar staat weer de Arabische lente tegenover. Sommige mensen zeggen: er zijn meer mensenrechtenschendingen in Arabische landen dan een jaar geleden, dus de Arabische lente is kennelijk slecht. Maar dat is een zeer ondynamische manier om naar de zaken te kijken. Opeens zijn er tienduizenden mensen op straat die hun rechten zóeken, ópeisen. Natuurlijk is er verzet; dat is wat repressieve staten doen. Maar de demonstraten zijn in opmars, de trend is naar meer positieve regimes. We zitten in het midden van een strijd, en die is soms erg grimmig. Maar die strijd valt niet meer terug te draaien.’