Zomerlezen: De mannenleeslijst (4)

De strijd van het ongedierte

Direct na verschijning in 1952 was Franz Kafka’s Brief aan mijn vader al voer voor psychologen. In het relaas toont Kafka zich de zoon die gedoemd is zoon te blijven, en nooit een man zal worden. Maar is de aanklacht niet veel dubbelzinniger? Of zelfs spottend bedoeld?

Ca. 1896 © S. Fischer Verlag

Als vader was je te sterk voor mij, schrijft Franz Kafka in zijn Brief an den Vater. Hij zet zichzelf neer als zwak, angstig, aarzelend, onrustig en stelt dat hij niet kan tippen aan zijn vader ‘wat betreft kracht, gezondheid, eetlust, stemvolume, welbespraaktheid, zelfingenomenheid, zelfverzekerdheid, uithoudingsvermogen, tegenwoordigheid van geest, mensenkennis, een zekere gulheid’ – het is nogal een rijtje, waar hij ook maar meteen de zwakheden aan toevoegt waartoe zijn vaders temperament en driftbuien hem drijven.

Even later beschrijft hij hoe hij alleen al door de lichamelijkheid van zijn vader wordt verpletterd. Hij haalt de herinnering op aan hoe ze zich vaak samen uitkleedden in het kleedhokje van het zwembad. ‘Ik mager, zwak, tenger, jij sterk, groot, breed.’ Buiten het hokje was het niet beter: ‘Ik aan jouw hand, een klein geraamte, onzeker met mijn voeten op de planken, bang voor het water, niet in staat jouw zwembewegingen na te doen die je me met de beste bedoelingen maar in feite tot mijn diepe vernedering steeds maar weer voordeed.’

Wie man wil worden, moet zich tot de vader verhouden. Moet volgens het boekje van Freud vadermoord plegen om zelf vader te kunnen worden. Kafka’s Brief an den Vater (in de Nederlandse vertaling van Willem van Toorn Brief aan mijn vader, waardoor het universele van ‘de’ vader verdwijnt) is het oerboek van de zoon die niet tegen de kracht van zijn vader op kan. En omdat die, laat Kafka ook al snel weten, de ‘maat der dingen’ is, gaat het in de brief om meer dan een specifieke zoon die een jammerklacht schrijft over een specifieke vader; het gaat om een universeel conflict.

Tegelijkertijd is de brief weldegelijk aan zijn concrete vader, Hermann Kafka, gericht, al worstelen Kafka-kenners nog steeds met de vraag wie de werkelijke geadresseerde is – zijn moeder, die de brief volgens Max Brod, Kafka’s beste vriend en beheerder van zijn nalatenschap, aan haar man had moeten doorgeven, een derde persoon, een onbekende lezer, of misschien Kafka zelf. Zijn vader heeft het epistel hoogstwaarschijnlijk nooit onder ogen gehad. Vast staat wel dat de 36-jarige Franz Kafka de brief tussen 10 en 20 november 1919 met de hand schreef en er later een getypte versie van maakte, die 45 pagina’s telt. Hij werd postuum in 1952 uitgegeven.

Directe aanleiding voor de brief was de verbroken verloving met de verlegen naaister Julie Wohryzek. Zijn vader was daar fel tegen. Het was te voorspellen, schrijft Ernst Pawel in zijn Kafka-biografie, dat Hermann het vooruitzicht dat zijn zoon – een schlemiel maar toch altijd nog een doctor in de rechten – zou trouwen met de dochter van een eenvoudige schoenmaker en huismeester van een synagoge als een aanslag op zijn eigen moeizaam verworven status zou zien (Hermann was in grote armoede opgegroeid, liep als zevenjarige al met een handkar door de dorpen van Zuid-Bohemen, maar had zich weten op te werken tot geslaagde winkelier). Wat Kafka onderschatte, was hoe kwetsbaar hij nog was voor het negatieve oordeel van zijn vader.

In zijn brief haalt hij zijn vaders reactie op zijn trouwplannen op. ‘Je zei zoiets tegen me als: “Ze heeft waarschijnlijk een of andere geraffineerde blouse aangetrokken, zoals Praagse jodinnen dat zo goed kunnen, en daarna heb jij natuurlijk besloten met haar te trouwen. En liefst zo snel mogelijk, over een week, morgen, vandaag.”’ En hij beschrijft hoe vernederd hij zich voelt, hoe de minachting van zijn vader hem diep raakt.

Een gezin stichten, kinderen krijgen en grootbrengen in deze onzekere wereld, dat is, noteert Kafka even daarvoor, het allerhoogste waarin een mens kan slagen. Zijn huwelijkspogingen, die hij tegelijk bestempelt als ‘grandioze pogingen’ om aan zijn vader te ontkomen, lopen uit op ‘even grandioze’ mislukkingen. Hij is de zoon die gedoemd is zoon te blijven, nooit echt volwassen, nooit echt man.

Brief aan mijn vader was meteen voer voor psychologen, die er de fnuikende oedipale structuren in terugzagen die het moderne gezin voor kinderen tot een hel maakte. De vader wordt ook neergezet als een tiran die vanuit zijn leunstoel de wereld regeert en onbeperkt vertrouwen in zijn eigen mening heeft. ‘Jouw mening was de enige juiste, elke andere was idioot, overspannen, mesjokke, niet normaal.’ Het was niet zo dat hij zijn kinderen sloeg, maar zijn geschreeuw was intimiderend genoeg. Kafka beschrijft hoe zijn vader in zijn winkel schreeuwt, scheldt en tiert tegen zijn personeelsleden, die hij als ‘betaalde vijanden’ bestempelt. Zelf rekent hij zich tot het kamp van het personeel.

De Kafka in de brief is een typische antiheld die in alles botst met heroïsche mannelijkheid

Tegenover de tirannie staan angst, apathie, het onvermogen zelf überhaupt maar iets te willen. Kafka geeft in zijn brief de blauwdruk van het conflict met de sterke vader waar zo veel moderne zonen in de literatuur en in de werkelijkheid onder gebukt gaan. Er wordt in gerept over de teleurstelling die de zoon bij de vader bewerkstelligt, de ondankbaarheid, want hij heeft door de opoffering van de vader toch maar mooi een jeugd zonder armoede en ontberingen gehad. Dat leidt weer tot een cocktail van schuldgevoel en schaamte, van gevoelens van minderwaardigheid en machteloosheid. De brief geeft een pijnlijke analyse van de wisselwerking tussen macht en volgzaamheid, tussen de heersende vader en de slaafse zoon.

Kafka haalt een voorval uit zijn vroege jeugd aan om de krachtige, driftige opvoedingsmethode van zijn vader te illustreren. Hij zeurt een keer de hele nacht om water en zijn vader haalt hem uit bed, draagt hem naar de gaanderij van de binnenhof en laat hem daar in zijn hemd voor een dichte deur staan. ‘Jaren later leed ik nog onder de angstaanjagende voorstelling dat deze reusachtige man, mijn vader, de hoogste instantie, haast zonder reden binnen kon komen om mij uit bed te halen en naar de gaanderij te dragen en dat ik dus in zijn ogen niets voorstelde.’

Het is allemaal heel jammerlijk, dit relaas van een gemangelde zoon. De Kafka-geleerden zijn het erover eens dat Kafka een verstoorde relatie met zijn vader had en dat zijn schrijverschap daardoor getekend werd. Kafka haatte zijn vader, maar Brief _aan__ mijn_vader is een veel dubbelzinniger geschrift dan veelal wordt aangenomen. Dat zit hem in de literaire vorm van de brief, vol retorische trucs, heen en weer springen in de tijd, overdrijvingen, zowel van de almacht van de vader als van de eigen minderwaardigheid, de valse bescheidenheid en de tegenstrijdigheden. De brief is veel meer dan het zomaar de frustratie van zich afschrijven; hij is een algemeen protest tegen de sociaaldarwinistische wereld van de vader waar het recht van de sterkste geldt. De Kafka in de brief is een typische moderne antiheld die in alles botst met heroïsche mannelijkheid.

In zijn tweedelige Kafka-biografie stelt Reiner Stach dat de brief niet helemaal serieus genomen moet worden. Kafka kende volgens hem het werk van Freud en dreef daar de spot mee. Neem alleen al dat zogenaamde trauma op de gaanderij. In zijn beschrijving daarvan heeft Kafka het over ‘zeuren’ om water, wat iets anders is dan echte dorst. Hij voegt er ook nog aan toe dat hij vast geen dorst had, maar deels jengelde om te ergeren en deel uit verveling. En hij heeft ook maar ‘een poosje’ op de gaanderij voor die dichte deur gestaan. Dat klinkt toch niet direct als de stof waar jeugdtrauma’s uit gemaakt worden.

De scène in het zwembad klinkt al overdreven, maar als het over de tafelgewoonten van zijn vader gaat is het helemaal over de top. ‘Aan tafel mocht je je alleen met eten bezighouden, maar jij maakte je nagels schoon en knipte ze, sleep potloden, maakte met je tandenstoker je oren schoon. Alsjeblieft vader, begrijp me goed, dat zouden op zichzelf onbetekenende details zijn geweest, maar ze maakten me neerslachtig doordat jij, de voor mij zo maatgevende man, je zelf niet aan de geboden hield die je mij oplegde.’ Onbetekenende details? Het gedrag aan tafel van de vader is ronduit walgelijk, en de nederige manier waarop Kafka daarover verhaalt is onwaarachtig. Hij drijft onmiskenbaar de spot met de ‘totaal maatgevende man’.

Die spot blijkt niet alleen uit de overdrijving, maar ook uit al die keren dat Kafka stelt dat zijn vader natuurlijk geen enkele schuld draagt, dat hem uiteraard niets te verwijten valt, dat hij volstrekt onschuldig is en dat hij in feite ‘te goed’ is geweest voor zijn zoon. Kafka refereert aan de ironie van de vader, die het beste de superioriteit uitdrukt die hij tegenover zijn zoon voelt. Zijn vermaningen hebben zo een vorm als: ‘Kun je dat niet zus of zo doen? Dat is je zeker al te veel? Daar heb je natuurlijk geen tijd voor?’ Het is een ironie van likmevestje. Daar plaatst Kafka in zijn brief zijn eigen superieure ironie tegenover, om zijn eigen superioriteit te benadrukken.

Misschien moet dat ook de conclusie zijn van Kafka’s klaagbrief: hij is een zoon die zoals zo veel hedendaagse zonen helemaal geen vader wil worden omdat hij op de bekrompen, wrede en verwaande mannelijkheid van zijn vader neerkijkt. Dat blijkt ook uit het einde van de brief, waarin hij zijn vader een denkbeeldig antwoord laat formuleren en waarin deze aangeeft dat de zoon de strijd helemaal niet wil aangaan, althans niet de strijd van man tot man. Zijn strijd is eerder die van het ongedierte, ‘dat niet alleen steekt maar ook meteen bloed zuigt om in leven te blijven’. In zijn brief, concludeert de vader, parasiteert de zoon nog op hem.


Frans Kafka, Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap, _vertaald door Willem van Toorn, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2019

Welke idealen van mannelijkheid liggen in klassiekers besloten? De Groene onderzoekt het in ‘De Mannenleeslijst’. Komende weken herlezen we onder meer Karakter van Bordewijk, Notes of a Native Son van James Baldwin en Twee vrouwen van Harry Mulisch.