De stroppenkaart van het gvb

AMSTERDAM, halverwege de avond. Een passagier van lijn 3 wroet in zijn zakken naar een strippenkaart die hij niet vindt. In zijn mond houdt hij een dampende kroket geklemd. Conducteur John gebaart hem door te lopen.

‘Relaxed!’ zegt de passagier. 'Op lijn 10 at ik een broodje krab. Werd de tram stilgezet! Riep de conducteur dat we niet verder gingen.’
Conducteur John, later: 'Ik heb fanatieke collega’s, hoor! Die worden regelmatig met een bloedneus hun tram uit geslagen.’
Op de halte Overtoom stapt een oude man in. Hij aait John over de bol. 'Hoe is het, jongen? Leuk baantje gevonden?’
De tram trekt hard op.
De oude man smakt tegen de achterruit. Even hard veert hij weer overeind als lijn 3 vol in de remmen gaat. Een vrouw die wilde oversteken. Als een bezetene trommelt zij op de deur. Ze schopt tegen de tram, haar mond beweegt wild. John steekt zijn armen machteloos in de lucht.
SINDS 1993 IS de conducteur weer terug op de Amsterdamse tram. Voordien was de wereld goed en reed niemand zwart. Dat bleek een vergissing. En nu zitten de conducteurs weer in hun hokje te stempelen en kleingeld terug te geven. Nog niet op alle lijnen, maar wel op de meeste.
De Amsterdamse conducteur. Ooit de legendarische drager van de zogenaamde Amsterdamse humor: 'Stap u in, dame, of zoek u de restauratiewagen?’ Sinds de herinvoering is de conducteur in het algemeen donker van huidkleur, niet zelden vrouwelijk van geslacht en in alle gevallen tot voor kort een uitzichtloos geval van langdurige werkloosheid.
Het hele conducteursproject berust op een vernuftig Amsterdams ambtenarenplan op grond waarvan het de gemeente noch het gemeentevervoerbedrijf geld kost. Via de Melkertregeling draait het ministerie van Sociale Zaken op voor de kosten. Dat lijkt voor iedereen voordelig. Maar is het dat ook voor de verse conducteurs die de tramlijnen bemannen en bevrouwen?
Zo heel happig zijn de langdurig werklozen nu ook weer niet. Op 1 april van dit jaar zouden alle tramlijnen verconducteurd moeten zijn. Dat lukt niet. Daarvoor komt de tram nog altijd driehonderdvijftig werkwillige werklozen tekort.
Conducteur Draco, 34 jaar en van Surinaamse afkomst, rijdt vanavond op lijn 3. Hij pakt zijn wisselgeld en zijn kaarten bij elkaar, hij steekt een sigaret op en neemt plaats in zijn hokje. De passagiers kijken vreemd op van de sigaret die in Draco’s mondhoek bungelt. Met een schok zet lijn 3 zich in beweging. De askegel valt van de sigaret in het geldlaatje.
De klantvriendelijkheid waar het bedrijf gedurende de opleiding zo op hamert, is bij Draco inmiddels enigszins verzwakt. 'Waarom ik werk? Nood breekt wet. Ik heb een dochtertje dat moet eten. Dat lukt nauwelijks met dit salaris. Ik draag het bedrijf geen warm hart toe. Ik word gediscrimineerd vanwege die rottige Melkerttitel. Na een Melkertbaan kun je de normale arbeidsmarkt wel vergeten. Toen ik ging solliciteren bij de NS, werd het gesprek subtiel afgekapt toen ik ze vertelde dat ik ervaring als conducteur had.’
Draco probeert op een eerste rit nog wel klantvriendelijk te zijn. De moed zinkt zodra de deuren openzwaaien en gestalten zich naar binnen hijsen die zijn begroetingen niet beantwoorden. Abonnementhouders klappen razendsnel portemonnees open en dicht, de rest legt zwijgend geld neer. 'Als u de zonegrens overschrijdt is het vier gulden vijftig. Moet u ver?’ Het hoofd schudt. Op een fout stempel volgt luid misbaar, dat aanhoudt tot Draco een correctiestrookje te voorschijn haalt.
Tijdens zijn laatste rit is Draco naar eigen zeggen 'een mechanische pop’.
Ondanks het tekort van driehonderdvijftig nieuwe conducteurs - op de in totaal negenhonderdvijftig die er nodig zijn - spreken bijna alle betrokken instanties van een groot succes. Toch maar mooi zeshonderd uitkeringen minder. Toch maar mooi zeshonderd mensen meer aan het werk. En bovendien: het einde van het zwartrijden.
Maar wie het oor goed bij het vervoerbedrijf te luisteren legt, bemerkt de onderhuidse en soms ook opwakkerende wrevels. De conducteurs zien zichzelf als tweederangs. De bestuurders - wél in vaste dienst - weten met hun nieuwe collega’s niet goed raad. In de kantine van de remise Lekstraat zitten de, doorgaans gekleurde, conducteurs veelal aan de ene tafel en de, doorgaans blanke, bestuurders aan de andere.
Natuurlijk, er zijn ook tevreden Melkertconducteurs. René Voss (40) komt nog maar net van de opleiding. Hij noemt zichzelf een 'fanaat’, die altijd al conducteur heeft willen worden. ’s Ochtends haalt hij met genoegen zijn uniform van het knaapje. Eenmaal in de cabine geniet hij van de karakteristieke tramgeluiden, die Draco voornamelijk storen. De openschuivende geldla, het schuren van de rails in de bochten en het geklepper van de verende trede als de passagiers uitstappen. Binnenkomers spreekt hij liefdevol toe. Kinderen en oude dames genieten zijn speciale aandacht. Zelfs de norse kantoorklerk in de ochtendspits groet hij opgewekt. 'Houdt u vast’, zegt Voss steevast voor de tram zich in beweging zet. Melodieus roept hij halten om. Een paar keer per dag veegt hij met een doek het vingervet van zijn toonbank. Niemand die in het voorbijgaan zo enthousiast naar een collega zwaait als hij.
Op mensen als Voss mikt het project. In 1993, als het project begint, is de belangstelling groot. Al gauw blijken er ook nadelen aan het werkende leven te kleven. Als Melkertconducteur mag je niet meer dan honderdtwintig procent van het minimumloon verdienen. En omdat een melkeriaan niet langer dan 32 uur werkt, zakken sommigen die hun huursubsidie verliezen zelfs onder het laagste inkomen.
Dan lonkt de bijstand weer.
Pas na drie jaar mag er van Melkert tot honderddertig procent van het minimumloon betaald worden. Amsterdam juicht. Totdat blijkt dat de stad zelf de toeslag moet betalen. In plaats van extra geld krijgen de conducteurs extra vrije tijd. Een staking is het gevolg. De stad bindt in, tot ongenoegen van de politieke partijen.
Ferry Houterman, woordvoerder namens de VVD: 'Wij hadden ze liever op honderdtwintig procent gehouden. Hadden we meer mensen kunnen inzetten. Het is verdomd leuk werk. Mensen met karakter grijpen de kans ook wel voor honderdtwintig procent. Die blijven niet thuis achter de geraniums zitten.’
Conducteur John: 'Mijn salaris schommelt tussen de zeventien- en achttienhonderd gulden.’ Regelmatig permitteert hij zich de luxe van ziekmelding. 'Ik denk al gauw: vandaag even niet.’
OMDAT ER VAN de wervingsmethode die de arbeidsbureaus hanteren volgens het GVB niet genoeg motivatie uitgaat, heeft het vervoerbedrijf de recrutering sinds kort in eigen hand genomen. Projectmanager Gerrit Verheul: 'We hebben met een stand op de huishoudbeurs gestaan. En er is een voorlichtingscamper ingericht waarmee we de Albert Cuypmarkt op gaan en naar allerlei festivals in de Bijlmer. Daar treffen we onze doelgroep.’
Ervaring heeft hem geleerd dat meer inschrijvingen niet direct tot meer conducteurs leiden. 'Het zijn langdurig werklozen, vaak mensen in een sociaal isolement die hun leven niet op orde hebben. Zeventig procent zit in de schulden. Het merendeel is allochtoon. Die lijden in Amsterdam nog altijd onder een uitvretersstigma. Met het GVB-uniform kunnen ze een signaal afgeven aan de omgeving. De buren zullen zeggen: verrek, die werkt.’
En even later mogelijk: verrek, die werkt niet meer, want de uitval onder verse conducteurs bedraagt niet minder dan tien procent per maand. Verheul: 'Het is een zwaar beroep en de financiële prikkel is klein. Helemaal als je zwart naast je uitkering kunt klussen. Daarom neem ik mijn petje af voor de conducteurs bij ons in dienst.’
ZELF SNIJDT Verheul een thema aan waarover binnen het vervoerbedrijf veel, maar niet graag openlijk gesproken wordt. Hij kan er begrip voor opbrengen, zegt hij, dat nogal wat nieuwe conducteurs 'snoepen uit hun depot’. Uit de geldla met de dagopbrengst dus, en van het geld waarmee de conducteurs zelf hun nieuwe kaartvoorraad moeten afrekenen. Verheul: 'Als je gebukt gaat onder een stevige Wehkamp-schuld, in het krijt staat bij de kredietbank in Tiel en je kinderen hebben honger, dan is het toch geen misdrijf als je een greep uit de kas doet? De verleiding is groot. Sommigen spreken in de supermarkt het depot al aan voor een kratje pils. Dan gaat het van kwaad tot erger.’
Zelfs dan blijft het GVB barmhartig. Verheul: 'We ontslaan pas bij veelvuldige recidive. Daarvoor stelt de afdeling schuldsanering ze onder curatele. Kunnen ze wel doorwerken.’
Die afdeling schuldsanering staat onder leiding van Paul van Lith. Hij zorgt ervoor dat de schuldenlast van de conducteurs wordt kwijtgescholden. Financiële middelen put hij uit het 'sociaal voorzieningsfonds’. Dat is het fonds waarin oudere GVB-werknemers sinds jaar en dag een vrijwillige bijdrage storten om een collega bij calamiteiten uit de brand te helpen. Dat hun spaarcenten zijn aangewend om de verse Melkerts te zuiveren van een onzorgvuldig verleden heeft kwaad bloed gezet bij de oude garde. Het fonds is intussen diep in de rode cijfers gezonken.
DENNIS BOSCH is lijnchef. In de remise Lekstraat spreekt hij zijn vrees uit voor de gevolgen. 'Er is een geheim rapport over. Iedereen voelt op zijn klompen aan wat de strekking daarvan is. Zeventig procent van de conducteurs heeft schulden, sommigen tienduizenden guldens. Waarschijnlijk is het geld op. Ik weet van een conducteur die een beroep deed op het fonds, want z'n vrouw was net bevallen. Ze hadden geen wiegje. Oké, moet kunnen. Maar waar kwam dat kind in te slapen? In de doos van een breedbeeldtelevisie!’
Hij weet het ook wel, zegt hij: voor veel langdurig werklozen geldt dat, zodra ze werk hebben, de schuldeisers als gieren op ze af komen. Deurwaarders, huisartsen, postorderbedrijven en kennissen met pistolen. Maar toch: 'Het kan niet. We zijn een vervoerbedrijf. Geen kredietbank.’
Een bestuurder in het wachthuisje van lijn 25 verwoordt een onder zijn collega’s tamelijk wijd verbreide onvrede: 'We halen ze uit het slop, geven ze kleren en te vreten. Ondertussen lopen ze rond met een zaktelefoon. We zijn te royaal geweest, het fonds is op. Straks brandt mijn huis af, en wat dan? Met mij zijn velen inmiddels gestopt met doneren.’
De verzamelde conducteurs rond de tafel in de kantine Lekstraat reageren verbluft. Conducteur Johan: 'Ik dacht dat we collega’s waren. We werken even hard. Toch gaapt er een enorme kloof in salariëring. Als de bestuurders wat meer afstaan via dat fonds, kunnen wij erop vooruit gaan. Voor veel van ons is het GVB de laatste mogelijkheid om uit de schulden te geraken.’
Conducteur Carry: 'Ik vind dat schuldenaars geholpen moeten worden. Anders grissen ze hun depot maar leeg. Er zijn hopeloze gevallen bij. Die vereffenen de ene schuld met de andere. Die worden echt wel weggestuurd. Pas geleden nog 36 om die reden.’
Johan: 'Er wordt vaak laatdunkend over ons gedaan. Niet alleen door passagiers, ook door mensen binnen het bedrijf. Alsof we nooit naar school zijn geweest. Maar neem dat blondje daar. Die is met een diploma van het schoonheidsinstituut gekomen.’
En conducteur Draco zegt: 'Ze beschouwen de Melkertconducteurs niet als volwaardige werknemers. Zelfs een banenpoolende conducteur geniet meer respect in hun ogen. Die krijgt het dubbele betaald, terwijl hij exact hetzelfde werk doet als wij. De ongelijkheid zit overal. Ook in ontspanningsmogelijkheden. We werden bijvoorbeeld niet op de hoogte gesteld toen alle GVB'ers meededen aan de IJsselmeerloop.’
In de remise zegt lijnchef Dennis Bosch dat een conducteur zich onderweg ontzettend veel moet laten welgevallen. Zijn stem gaat bijna verloren in het kabaal van de werkplaats, waar monteurs met lasbrillen een tram voorzien van een conducteurscabine. Dat kost 75.000 gulden per stuk. Dat geld komt van het agressiefonds, door de regering ingesteld om agressie in de samenleving tegen te gaan.
Bosch: 'Mensen schelden onze conducteurs uit voor “Melkertgek”, of ze gaan met hem op de vuist. Een zwartrijder wordt door de conducteur aangesproken. Of hij even wil betalen. Zwartrijder is boos en slaat de conducteur voor hij uitstapt op zijn oog. Gebeurt regelmatig. De conducteur in shock. We halen hem van de tram en als hij niet naar het ziekenhuis moet, drinken we een kopje koffie met hem.’
Bosch en Verheul zijn het erover eens dat een conducteur niet overmoedig moet worden in zijn strijd tegen de zwartrijder. 'Hij hoeft zich niet voor drie gulden op z'n bek te laten slaan. En een zwerver die even zijn handen komt warmen, hoeft er echt niet uit. In de overige gevallen kan de conducteur een beroep doen op de bijzondere opsporingsambtenaren van de afdeling Ondersteunende Taken (OT).’
Dat zijn ideeën vanuit kantoor, niet vanuit de praktijk, zeggen de conducteurs in het wachthuisje van lijn 3. De een: 'Het is levensgevaarlijk om de regels te handhaven. Officieel mogen wij een burger niet eens om zijn plaatsbewijs vragen, we zijn niet bevoegd. Hij kan ons zo voorbij lopen. De meeste conducteurs laten een wanbetaler of een amokmaker mooi zitten. Die willen gezond thuiskomen. Slechts enkelen grijpen in of schakelen Ondersteunende Taken in. Die krijgen de klappen. Als je dit werk naar behoren uitvoert, lig je elke dag in het ziekenhuis.’
Zijn vrouwelijke collega: 'Je hebt gelijk. Ik werk hier twee jaar. Een mafkees laat ik gaan. Je moet veel door de vingers zien.’
En een derde zegt: 'Zwartrijders denken vaak dat ze me in de maling hebben genomen. Zo is het niet. Ik heb ze wel door, maar ik zeg er niets van.’
De eerste weer: 'Een gevarentoeslag is op zijn plaats. Wat moet ik doen als drie man me in elkaar stompen? Ondersteunende Taken oproepen? Ik ben dood voordat die er zijn.’
De vrouwelijke conducteur: 'Je moet keihard zijn in dit vak. Ik heb lesgegeven aan moeilijk opvoedbare kinderen, dat scheelt. Lastpakken krijg ik er wel uit. Door de microfoon zet ik ze voor schut. Maar waar blijf ik als ze vervolgens de tram bekogelen met stenen?’
De derde: 'OT kwam gewoon niet opdagen toen ik met een zwartrijder de tram had stilgezet. Na een half uur besloten we maar weer verder te gaan. Sindsdien laat ik iedereen door. Al laten ze me een rol wc-papier zien.’
Ondersteunende Taken is ondergebracht in het historische Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade. Inspecteur Harmsen betreurt het dat sommige conducteurs vastbesloten zijn geen gebruik te maken van zijn dienst. 'Onverstandig van ze.’
De kritiek van de conducteurs dat OT vaak partij zou kiezen voor de reiziger, legt Harmsen naast zich neer. 'Wij komen als derde, onafhankelijke partij ter plekke. We dragen een oplossing aan en het kan gebeuren dat we zeggen: er is niet voldoende juridische grond, dus u zit fout, conducteur. Dan moet de tram verder met de betreffende passagier én de conducteur. Conducteurs moeten niet denken dat wij uitsmijters zijn. Soms is een conducteur zo teleurgesteld dat hij uitstapt.’
EEN MAANDAGMORGEN in de winter van 1998. Een nieuwe lichting kandidaat-conducteurs meldt zich in het instructielokaal, een opleiding van twee maanden in het vooruitzicht. Lessen kaartsoorten, straatnamen, routes. Bekroond met een examen. 'Er komt een buitenlandse matroos de tram in. Heeft die vrij reizen of niet?’ Dat soort vragen.
Vandaag zijn er twaalf nieuwe kandidaat-conducteurs, etnisch rijk geschakeerd. Chermain komt van de grote vaart en zegt dat hij op de tram het zeemansgevoel hoopt terug te winnen. Jerry is als ex-postsorteerder, ex-magazijnknecht en ex-heftruckchauffeur op zoek naar een baan met vastigheid. Ron hoopt 'een beetje AOW’ op te bouwen. En Hans bekent dat hij zich tot voor kort in het voorportaal van de hel bevond. Aan gokken, coke en drank heeft hij vrouw en huis verloren. 'Ik woon’, zegt hij, 'in een pension. En ik heb zeventigduizend gulden schuld.’
In een belendend lokaal speelt een groep die halverwege de opleiding is een rollenspel. Acteur René van Eersel bootst de praktijk na. Behalve lastige klant is hij ook nog racistische bestuurder.
Kandidaat Leo wordt naar voren geroepen.
De acteur probeert vreemdelingenhaat in Leo los te weken. 'Hé Leo, wat vind je daar nou van, al die zwarten in je tram? Hé, weet je waarom een Surinamer uit zijn bek stinkt? Hij is te lui om een scheet te laten.’
Leo kan een glimlach niet onderdrukken, wat hem in de nabespreking duur komt te staan. Je lachte, Leo! Je bent een racist, zeggen de medecursisten boos.
Die middag volgt de persoonlijke presentatie. Verheul en Bosch zijn aanwezig om de manschappen te inspecteren. Een voor een verschijnen de kandidaten voor het GVB-tribunaal. Even is het plechtig stil. Dan geeft de kandidaat zich luid weeklagend rekenschap van een lui verleden. Levensverhalen worden schroomloos opgebiecht. Stemmen slaan over, tranen worden weggepinkt. De toeschouwers moedigen aan en applaudisseren. Ten slotte wordt een emotionele eed van trouw afgelegd aan het GVB. Namens het vervoerbedrijf knikken Bosch en Verheul instemmend.
Niet zo fris
Conducteur Edwin (30): 'Je hebt geluk dat je me treft op deze vroege dienst. Meestal meld ik me ziek. Dat is een beetje uit de hand gelopen. Bedrijfsarts niet gebeld, chef niet op de hoogte gesteld. Ik moet acht dagen terugwerken. Ik verdien zestienhonderd gulden in de maand. Dertienhonderd gaat naar schuldeisers. Die zijn voor een deel tevreden gesteld met een bijdrage uit het voorzieningsfonds. Driehonderd houd ik over om van te leven. Ik heb geen telefoon, geen bed, geen wasmachine. Een gouden ketting en een ring slapen op het pandjeshuis. Ik moet dit twee jaar zien vol te houden, dan ben ik compleet gesaneerd. Maar wie zegt dat er geen schulden bij komen? Als ik langs de etalages ga is de verleiding groot. Ik ben het dealersleven gewend. Ik smeet met geld. Snelle auto’s, veel vrouwen. Ik handelde in de Bijlmer en op de Zeedijk. Tot ik gepakt werd, drie jaar terug. Ik zat een junk achterna die me had willen beroven. Ineens doken twee agenten op, drukten me tegen de grond. Ik heb een tijd vastgezeten. Toen ik vrij kwam heb ik gezegd: zo wil ik niet verder. Gelijk ging ik naar het arbeidsbureau. Ik heb net zo lang gebedeld tot ze me inschreven voor conducteur. Er volgde een intakegesprek bij het GVB. Het maakte niet uit dat ik achter de tralies had gezeten. Je bent lang niet de enige, zeiden ze. Vanuit de tram zie ik soms vrienden uit mijn vorige leven op een straathoek sukkelen met balletjes. Dan voel ik me goed. Even maar. Een conducteur is ook maar een slaaf in dit bedrijf. Die chef moet gaan oppassen voor mij, ik laat niet meer met me sollen. Hij wantrouwt me omdat ik een depot-tekort heb gehad. Af en toe is er ineens een inspectie. Ik had achthonderd te min. Die maand is het van mijn loon afgehouden. Grote problemen met de huisbaas. Ik heb droog brood gegeten. Vriendin over de rooie. En die chef blijft maar zeiken. Dat hij me het liefst wil ontslaan. Misschien is dat het beste. Kan ik me weer concentreren op mijn business. Ik doe nu nog wat kleine zaakjes ernaast. Kan niet anders. Ik heb drie zoontjes, verdeeld over drie moeders. Die willen dat ik ze opzoek. En niet met lege handen. Met dit salaris kan ik nog geen knuffel voor ze kopen.
Ik heb het netjes geprobeerd. Gesolliciteerd op de bus. Je dossier ziet er niet zo fris uit, zeiden ze. En met de band. We hebben een paar cd’s opgenomen. Je hoort verdriet in mijn stem sinds ik hier werk. Tot nu toe ben ik er alleen nog maar bij ingeschoten. Door mijn baan moet ik veel optredens afzeggen. Ik kan niet mee op tournee door Suriname. Soms ga ik direct na afloop door naar de remise als ik vroege dienst heb. Dan lig ik te snurken in mijn hokje. Schrik ik wakker als er mensen op de deur bonzen.’