Interview Rolan van Dongen

De student die Bouterse velde

Niet de topadvocaat Gerard Spong, maar een eenvoudige rechtenstudent gaf de aanzet tot de vervolging van Desi Bouterse in Nederland wegens de decembermoorden. Een ontmoeting met een anonieme pionier.

Een studentenflat aan de rand van Amsterdam. Een piepkleine kamer met een bord halfbeschimmelde bami op de stoel, een paar lege colaflessen, rondslingerende kranten. Kortom: een studentenkamer als elke andere. Het verschil is dat in deze kamer de aanzet werd gegeven tot wat gerust een revolutie in internationaal-rechtelijk opzicht mag worden genoemd.

Hier schreef Rolan van Dongen (26), student rechten aan de Vrije Universiteit, de doctoraalscriptie die de Surinaamse ex-dictator Desi Bouterse verleden week fataal werd. Van Dongen bedacht als eerste de juridische redenatie die verleden week maandag leidde tot het besluit van het Amsterdamse Hof om Bouterse te vervolgen vanwege het martelen en vermoorden van vijftien politieke tegenstanders op 8 december 1982. Met zijn scriptie opende hij een gezichtspunt dat tot die tijd was ontgaan aan twee toch niet de minste advocaten van Nederland, Jurjen Pen en Gerard Spong.

Spong en Pen waren namens nabestaanden van de decemberslachtoffers al jaren in de weer om Bouterse in Nederland wegens moord veroordeeld te krijgen. Veel succes boekten zij niet.

De zaak dreigde onder meer vast te lopen op de vraag of Bouterse tijdens de moord partij van 1982 nu wel of niet de Nederlandse nationaliteit bezat en zodoende voor een Nederlandse rechter kon worden gedaagd. Probleem daarbij was dat het archief van de Surinaamse Burgerlijke Stand in Paramaribo medio jaren tachtig geheel was uitgebrand. Uitsluitsel was zo moeilijk te verkrijgen. De zaak zat zodanig in het slop dat raadsman Spong zijn aanvankelijke enthousiasme al had laten varen. Totdat hij en Pen kennisnamen van Van Dongens scriptie. De advocaten wijzigden de strategie van hun juridische jacht op de slager van Fort Zeelandia radicaal. Zoals Van Dongen voorstelde, klaagden zij Bouterse niet langer aan wegens moord, maar op grond van het Folterverdrag, een internationale overeenkomst uit 1984, dezelfde verdragstekst die de Chileense potentaat Augusto Pinochet eerder dit jaar heel wat benauwde uurtjes in Londen bezorgde

In december 1999 bracht Pen de scriptie van Van Dongen in bij het Amsterdamse Hof. Nadat het gerechtshof advies had ingewonnen van de Zuid-Afrikaanse rechtsgeleerde C.J.R. Dugard, hoogleraar volkenrecht in Leiden, die de door Van Dongen uitgezette lijn verder onderbouwde, besloot het in te stemmen met de aanklacht namens de nabestaanden Hoost en Wijngaarde. Weliswaar wacht de Amsterdamse rechtbank eerst af wat er gebeurt met het gerechtelijk vooronderzoek dat in Suriname is ingesteld naar de decembermoorden. Maar als men er in Paramaribo, ondanks het gloednieuwe gerechtsgebouw dat vice-premier Els Borst verleden week vrijdag cadeau gaf, toch niet uitkomt, dan kan Nederland alsnog vragen om uitlevering van Desi Bouterse en hem op grond van het Folterverdrag vervolgen.

Het was een spectaculaire uitspraak, volgens sommigen zelfs het begin van een nieuw tijdperk. De raadsman van Bouterse, mr. A. Moszkowicz, profeteerde woelige tijden. In zijn pleitnota van september jongstleden probeerde Moszkowicz het hof nog te overtuigen van de verregaande politieke implicaties.

Moszkowicz: «U gaat verzoeken krijgen tot het berechten van in ieder geval (voormalige) machthebbers uit landen waarmee Nederland nauwe binding heeft, onder meer Zuid-Afrika, Japan, Indonesië, Turkije. Ik zie u dan ook niet afwijzend kunnen reageren op een verzoek tot vervolging van de vader van Máxima Zorreguieta.» Aan het slot van zijn pleidooi voor het hof gaf de raadsman van Desi Bouterse zijn kwelgeest Van Dongen ook nog een veeg uit de pan: «U gaat een internationaal precedent van ongekende omvang scheppen, daartoe aangespoord door een student die vond dat er maar eens mee moest worden begonnen.»

Van Dongen, inmiddels gecontracteerd door het Openbaar Ministerie in Amsterdam, kreeg van voorzitter Hermans van het Amsterdamse gerechtshof een compliment voor zijn inbreng in de zaak. Hermans zei zich te verheugen dat studenten zich bezighouden met relevante juridische vraagstukken. Verder kreeg hij van Pen de kans om bij het proces aanwezig te zijn. «Een heel aparte sensatie om de zwaargewichten van de Nederlandse advocatuur aan het werk te zien», aldus Van Dongen, die de gebeurtenissen van de afgelopen week omschrijft als «beslist niet slecht voor mijn eigendunk»

Met eigen ogen kon de student zien hoe de groten van de advocatuur te werk gaan. Zo zag hij mr. Moszkowicz met veel gevoel voor retoriek en woordspelletjes enkele pogingen doen zijn scriptie de grond in te boren. «Het viel me op hoe listig dat gaat, soms op het randje. Maar ja, dat is nu eenmaal het beroep van een advocaat.»

Zelf voelt hij niet voor de advocatuur. «Het Openbaar Ministerie is een mooie organisatie om voor te werken. Ik heb het idee me hier meer thuis te voelen dan in de advocatuur.» Wie weet, grapt hij, krijgt het OM straks ook Gerard Spong in de gelederen. Spong is nu benoemd tot speciaal adviseur van het Surinaamse Openbaar Ministerie die de decembermoorden onderzoekt. Misschien krijgt hij de smaak zo te pakken dat hij de definitieve overstap waagt.

Van Dongen, zoon van een Surinaamse moeder en een Nederlandse vader, bracht een belangrijk deel van zijn jeugd door op de Nederlandse Antillen. In Suriname is hij slechts een keer, als kleine jongen, op vakantie geweest. Een bijzonder emotionele band met Suriname heeft hij dan ook niet, zegt hij. Zijn Surinaamse «roots» waren in ieder geval niet de reden om zich te storten op het dossier-Bouterse. Van Dongen: «Ik zie het toch vooral als een puur juridische uitdaging. Emoties spelen geen rol. Bij mijn familie ligt dat anders. Zo heb ik een tante die in 1983, vlak na de decembermoorden, met haar gezin uit Suriname is gevlucht. Die voelt zich echt persoonlijk bij de kwestie van de vervolging van Desi Bouterse betrokken.»

Van Dongen raakte geïnteresseerd in de zaak-Bouterse toen een van zijn professoren tijdens zijn college inging op de kritiek die indertijd werd geuit op minister Van Mierlo. Van Mierlo had als minister van Buitenlandse Zaken geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om Bouterse tijdens een verblijf in Brazilië te laten arresteren en uit te leveren teneinde in Nederland terecht te staan in de zogeheten CoPa-zaak. Van Dongen: «Voor mij was het reden om een dossier over Bouterse op te stellen. Doel was eigenlijk me in te werken in het uitgebreide dossier van de CoPa-zaak. Maar ik bleef steken bij het begin van mijn onderzoek: de decembermoorden. Het bleek dat daar zo veel mogelijkheden lagen dat ik aan die hele CoPa-zaak niet meer toekwam.»

Toen er vanuit Spanje een verzoek tot uit levering aan Engeland kwam om Pinochet te vervolgen wegens marteling, maakte Van Dongen de koppeling met de zaak-Bouterse. Nauwgezet analyseerde hij de uitspraak van de Britse Law Lords van 24 maart 1999, waarin een meerderheid van het hoogste Britse rechtscollege oordeelde dat Pinochet op grond van het Folterverdrag inderdaad aan Spanje kon worden uitgeleverd. Hoewel Pinochet later op basis van een beslissing van de Britse minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw op humanitaire gronden naar Chili werd teruggestuurd, schiep de uitspraak van de Britse rechters een belangrijk internationaal precedent. In feite borduurde het Amsterdamse Hof verder op de Britse lijn, zij het dat men nog verder ging door het verdrag ook op feiten uit 1982, dus voor de totstandkoming van het Folterverdrag, van toepassing te verklaren.

Het Amsterdamse Hof beschouwt de misdrijven tijdens de decembermoorden als misdrijven tegen de menselijkheid, omdat «zij zijn begaan op een systematische manier volgens een tevoren beraamd plan door de militaire autoriteiten, aan wie Bouterse leiding gaf, en gericht waren tegen een groep burgers, met het doel bekentenissen te verkrijgen of om leden van de burgerbevolking te intimideren of te dwingen».

Het VN-verdrag inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, kortweg het Folterverdrag, dateert uit 1984. Nederland is sinds 20 januari 1989, toen het overging tot ratificatie, ook partij. Het verdrag richt zich specifiek op mishandeling of uitlokking daarvan door overheidsfunctionarissen. Uitgangspunt is dat folteraars nergens ter wereld een rustplaats mogen vinden. In de memorie van toelichting van de uitvoeringswet van het verdrag verklaarde Nederland het onverdraaglijk te vinden dat folteraars die door hun regime worden beschermd vrijelijk over de wereld kunnen reizen.

Verwezen wordt onder meer naar de Amerikaanse zaak Filartiga versus Peña-Irala. Dr. Joel Filartiga begon in 1960 een kliniek in een arme wijk van Ybycui in Paraguay, waar dictator Alfredo Stroessner met harde hand heerste. Het werk van Filartiga werd door de au to riteiten als subversief aangemerkt, met als gevolg dat zijn zoon Joelito door het hoofd van de politie Américo Peña-Irala werd gearres teerd om te worden gemarteld en gedood. Peña-Irala werd jaren later tijdens een bezoek aan de VS herkend door leden van een mensenrechtenorganisatie, die aangifte deden bij de politie. De Zuid-Amerikaanse folteraar werd uiteindelijk veroordeeld tot een schadevergoeding (het ging om een civiele procedure).

Van Dongen: «Die zaak is zeer belangrijk geweest bij de totstandkoming van het Folterverdrag, dat ervan uitgaat dat folteraars waar ook ter wereld kunnen worden vervolgd vanwege misdaden tegen de menselijkheid. Elk land dat het Folterverdrag heeft geratificeerd, kan in principe iedere folteraar waar ook ter wereld voor het gerecht dagen. In Nederland kent men het opportuniteitsbeginsel, hetgeen inhoudt dat het Openbaar Ministerie het recht heeft om van vervolging af te zien. Dat heeft eerder al eens tot de nodige commotie geleid toen een Chileense ober in het Amstel Hotel in Amsterdam plotseling ex-dictator Pinochet voor zich zag. Die ober ging toen ook over tot aangifte, maar de Nederlandse justitie achtte het toen kennelijk niet opportuun om tot vervolging over te gaan. Om te bepalen of Nederland al dan niet vervolgt, zijn er nadere criteria vastgelegd. Inzake Bouterse noemt het hof in zijn uitspraak ook nadrukkelijk het Nederlandse belang.»

Inderdaad wijst het hof op de historische banden tussen Nederland en Suriname. «In Nederland bevindt zich een grote, uit Suriname afkomstige bevolkingsgroep. De gebeurtenissen van december 1982 hebben bij deze groep, maar ook bij veel Nederlanders, een schok veroorzaakt. Er zijn aanwijzingen dat minstens een der slachtoffers, maar mogelijk meer, de Nederlandse nationaliteit bezat. Ten slotte wonen klagers, verwanten van twee van de slachtoffers, in Nederland.» Dat zijn de overwegingen die bij het hof doorslaggevend zijn om tot vervolging van Desi Bouterse wegens de decembermoorden over te gaan.

Inmiddels is er veel kritiek op deze uitspraak gekomen. Niet alleen van Bouterses raadsman Moszkowicz, die zoals gezegd profeteerde dat Nederland straks op grond van deze jurisprudentie ook de vader van Máxima als medeplichtige aan de «Vuile Oorlog» in Argentinië in de boeien zal moeten slaan. Ook in de hemisferen van het Openbaar Ministerie is lang niet iedereen er gelukkig mee. Velen voorzien niet alleen grote politieke problemen, maar ook bezwaren van praktische aard. Zo verkondigde hoogleraar internationaal strafrecht G. Strijards, tevens adviseur van het college van procureurs-generaal, de uitspraak van het hof «uiterst merkwaardig» te vinden

Eerder schreef Strijards op verzoek van het Openbaar Ministerie een advies waarin werd betoogd dat Nederland helemaal geen rechtsmacht heeft om Bouterse te vervolgen. Dat advies kwam te laat bij het hof binnen om in de besluitvorming te worden meegenomen, en dat stak. Strijards is ervan overtuigd dat de Hoge Raad straks het besluit van het Amsterdamse Hof ongeldig zal verklaren. Volgens hem handelt het hof in strijd met het «legaliteitsbeginsel»: de decembermoorden werden in 1982 gepleegd, terwijl Nederland het Folterverdrag pas in 1989 ratificeerde.

Bouterse kan niet achteraf worden vervolgd vanwege daden die bij het begaan ervan nog niet strafbaar worden gesteld. Rolan van Dongen: «Dat kan echter wel degelijk. Het hof gaat er uiteindelijk vanuit dat folteren al voor het Folterverdrag strafbaar was. Het Folterverdrag is in de ogen van het hof slechts een bevestiging van wat al gewoonterecht was sinds het tribunaal van Neurenberg en diverse belangrijke internationale verdragen. Daarom kan ook een daad uit 1982 worden berecht.»