De roerige Kamerverkiezingen van 1956

‘De stukken vlogen ervan af’

De politiek van de jaren vijftig zou saai en gedegen zijn. Nou nee hoor. De verkiezingscampagne van zomer 1956, waarin het vooral rooms tegen rood was, wordt gezien als de hardste campagne van de twintigste eeuw.

Medium opening 030026001198
Op ­campagne voor de Tweede-Kamer­verkiezingen van 1956 © Bert Sprenkeling / MAI

Wie aan de Nederlandse politiek in de jaren vijftig denkt, denkt al snel aan vadertje Drees, verzuiling en hondstrouwe burgers. Achter dat beeld van stabiliteit en saaiheid ging soms echter een heel andere werkelijkheid schuil, namelijk van harde strijd, persoonlijke verdachtmakingen en soms zelfs gewelddadige incidenten. De campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 13 juni 1956 kan zelfs worden beschouwd als de hardste campagne van de twintigste eeuw.

Decennia nodigen uit tot clichévorming en het gebruik van simpele adjectieven als ‘swinging’ (sixties) of ‘roaring’ (twenties). Van alle decennia uit de twintigste eeuw zijn de jaren vijftig misschien wel het meest onderwerp geweest van simplistische typeringen. Wie over de jaren vijftig leest, stuit steevast op negatief geladen begrippen als benepen, schraal, stil en saai, maar ook op positievere oordelen als gezellig, overzichtelijk, veilig en gewoon.

Als het gaat om de Nederlandse politiek van die jaren bestaat het hardnekkige beeld van een door enkele saaie, gedegen regenten geleid land met een veilig in zuilen opgeborgen, apathische en gezagsgetrouwe bevolking, waar wijsheden golden als ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’ of ‘zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’. Verkiezingen hadden veel weg van volkstellingen omdat ze nauwelijks tot grote veranderingen leidden. Wie er ook lijsttrekker was, Ommen stemde massaal chu, Rotterdam-Zuid was van de pvda, op Urk was de arp de grootste en in het Brabantse Wanroy haalde de kvp steevast 98 procent. Als er al een keer een politiek schandaal was, zoals de befaamde Greet Hofmans-affaire, dan werd dat achter gesloten deuren geregeld door een commissie van wijze mannen.

Premier was de oerdegelijke sociaal-democraat Willem Drees, die volgens een hardnekkige mythe twee Amerikaanse diplomaten bij hem thuis ontving met thee en mariakaakjes. Andere grootheden uit die tijd waren Joseph Luns, de boomlange minister van Buitenlandse Zaken, landbouwminister Sicco Mansholt, de gehaaide leider van de Katholieke Volkspartij professor Romme, de onwrikbare protestantse leiders Tilanus (chu) en Schouten (arp) en professor meester P.J. Oud, het boegbeeld van de nog zeer deftige vvd van die jaren.

De Nederlandse politiek van de jaren vijftig vormde voor de politicoloog Arend Lijphart het voornaamste bewijs voor zijn theorie dat ook verdeelde samenlevingen, zoals de Nederlandse, zeer vreedzaam kunnen zijn. Daarvoor was het echter wel nodig dat de elites van de verschillende volksdelen op verstandige en beheerste wijze met elkaar konden overleggen zonder al te veel last te ondervinden van hun achterban. En dat was precies wat in het Nederland van de jaren vijftig leek te gebeuren.

De ogenschijnlijk zo stille wateren van de jaren vijftig hadden diepe en verraderlijke gronden. Vanuit hedendaags perspectief lijkt de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen van 13 juni 1956 inderdaad te getuigen van een dodelijke saaiheid. In vergelijking met de landelijke verkiezingen van 1952 waren de verschuivingen minimaal. De Partij van de Arbeid gold als de grote winnaar omdat zij omgerekend ‘maar liefst’ vier zetels won en uitkwam op vijftig zetels, waarmee ze groter was dan de Katholieke Volkspartij, die slechts één zetel won en op 49 zetels kwam. De protestantse partijen, chu en arp, verloren lichtjes, respectievelijk één en twee zetels, en de sgp was zoals altijd stabiel. Ook de vvd haalde vrijwel hetzelfde percentage als in 1952 en bleef gelijk.

De electorale teloorgang van de Communistische Partij van Nederland zette wederom door: van de tien zetels die de cpn in 1946 had behaald waren er nog maar vier over. Sinds het uitbreken van de Koude Oorlog rond 1948-1949 golden de communisten als geïsoleerde paria’s en een mogelijke vijfde colonne die scherp in de gaten werd gehouden. Hoe fel het anticommunisme in Nederland was bleek enkele maanden na de verkiezingen opnieuw. Op 4 november 1956 werd het communistische partijkantoor Felix Merites in Amsterdam bestormd door een woedende menigte als reactie op de Russische inval in Hongarije.

Het enthousiasme voor deelname aan de verkiezingen was in 1956 aanzienlijk kleiner dan tegenwoordig. Er hadden zich maar twee nieuwe partijen ingeschreven, de Nationale Unie en de Nederlandse Oppositie Unie. Met een even nationalistisch als conservatief programma probeerden beide partijen stemmen te winnen van de boze burgers van die jaren, met name oud-Indië-gangers, kleine boeren en oud-nsb’ers. Zo veel waren er daar ook weer niet van, want beide partijen haalden niet eens de kiesdrempel.

Saaiheid troef dus, zo lijkt het zeker vanuit hedendaags perspectief, maar hoe anders werd dat toen ervaren. Daags na de verkiezingen sprak een politiek commentator van het Algemeen Handelsblad over ‘een verkiezingscampagne, waarbij de stukken eraf vlogen’ en ‘een heftige, verbitterde strijd’ waarin vooral de kvp en de pvda elkaar ‘messcherp bevochten’. Uit de commentaren van andere kranten sprak vooral opluchting dat de verkiezingsstrijd voorbij was, want deze was bepaald niet fraai geweest, zo luidde het strenge oordeel. Zowel katholieken als sociaal-democraten hadden soms ‘unfair’ campagne gevoerd.

Medium avs117487  invnr 60418
1956 © druk/ontwerp: Samson / Atlas van Stolk, Rotterdam

Misschien wel het meest opvallende aan de harde strijd tussen pvda en kvp was dat de twee partijen al tien jaar lang samenwerkten in de zogenaamde rooms-rode coalitie. Als zodanig hadden de partijen Nederland door een moeilijke periode heen geloodst van wederopbouw en de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Wat de samenwerking ingewikkeld maakte, waren niet alleen de niet geringe ideologische verschillen, maar was vooral dat pvda en kvp electorale concurrenten waren. De in 1946 opgerichte pvda richtte zich anders dan voorloper sdap veel meer ook op katholieke kiezers. De partij wilde een ‘doorbraakpartij’ zijn waarin progressieve kiezers van alle levensbeschouwingen een plek konden vinden.

Vooral katholieke arbeiders in Noord-Brabant, Twente en Limburg waren een interessante want zeer omvangrijke doelgroep. Als de pvda in staat was deze groep te winnen, was ze in één klap de veruit sterkste politieke partij in Nederland, zo rekenden de partijstrategen zich rijk. Om dit alles mogelijk te maken voerden de sociaal-democraten actiever dan ooit campagne in Limburg en Brabant, terwijl tevens een Katholieke Werkgemeenschap was opgericht.

Dat alles was tegen het zere been van de Katholieke Volkspartij, die als vanouds pretendeerde alle katholieken te vertegenwoordigen, dus zowel de middenstander, de fabrikant en de boer als de arbeider. Dat zorgde voor een permanente spanning, want deze groepen hadden vooral op sociaal-economisch terrein nogal uiteenlopende verlangens. Door de concurrentie van de pvda aan de linkerkant en de Katholieke Nationale Partij (een rechtse afsplitsing) aan de rechterkant had de kvp in 1952 twee zetels verloren. In die tijd voelde dat voor veel katholieken als een regelrechte schok.

De bisschoppen verboden katholieken om naar de Vara te luisteren en ‘Het Vrije Volk’ te lezen

Het Nederlandse episcopaat besloot daarop zijn macht te laten gelden en vaardigde in 1954 een mandement uit genaamd De katholiek in het openbare leven van deze tijd. Daarin riepen de bisschoppen katholieken op trouw te blijven aan hun partij en zuilorganisaties: het luisteren naar de Vara, het lezen van Het Vrije Volk en het lidmaatschap van de socialistische vakbond nvv werden verboden. Katholieke leden van de pvda werden gemaand deze partij te verlaten, ‘uit grote bezorgdheid voor het zieleheil van hen die tot nog toe aan Ons bisschoppelijk vermaan geen gehoor hebben gegeven’.

De kvp vatte het mandement op als aanmoediging om iedere poging van haar sociaal-democratische regeringspartner om katholieke kiezers te lokken als een soort diefstal te beschouwen. Daarentegen zag de pvda in 1956 meer dan ooit kansen om de gewenste doorbraak in het zuiden te bewerkstelligen. De sociaal-democraten hadden de inmiddels zeventigjarige Drees overgehaald nog één keer als lijsttrekker op te treden. Net als in 1952 prijkte het vertrouwenwekkende gezicht van de populaire premier groot op het affiche, terwijl de partijnaam met moeite te vinden was. De foto van Drees verscheen overal in het land en zijn naam sierde zelfs een speciale verkiezingshelikopter, die de partij had ingezet om aan te tonen dat de pvda ‘met haar tijd mee’ ging.

Deze personalisering, die ten onrechte vaak als een 21ste-eeuws fenomeen wordt beschouwd, was eveneens te zien bij de vvd, die alles gooide op lijsttrekker Oud, bij de cpn, die de bekende verzetsheld Gerben Wagenaar naar voren schoof, en zelfs bij de kvp, waar Romme als enige lijsttrekker optrad. Met huis-aan-huis-pamfletten waarin Romme als echtgenoot, grootvader, professor en politicus werd afgebeeld probeerde de kvp haar lijsttrekker te verkopen. Dit was nog niet zo eenvoudig, want de sluwe Romme was typisch het soort politicus dat beter tot zijn recht kwam achter dan voor de schermen. De pvda probeerde de campagne dan ook te ‘framen’ als een strijd tussen het warme vadertje Drees en de koele professor Romme.

De kvp daarentegen wilde de campagne terugbrengen tot een strijd tussen christendom en socialisme. Wat dat laatste betekende had de partij duidelijk gemaakt in een tamelijk opzienbarend pamflet getiteld Overwinning ’56 (O’56), dat al in de zomer van 1955 bij parochiekerken was uitgedeeld. Op het pamflet was te zien hoe katholieke instellingen als de kro en het Katholiek Onderwijs in vlammen opgingen met daaronder de tekst: ‘Als de rode haan victorie kraait’. Met andere woorden: de coalitiepartner van de katholieken was er eigenlijk op uit om de katholieke zuil te vernietigen. Daarnaast speelde de kvp in Limburg en Brabant in op regionalistische sentimenten door de sociaal-democraten af te schilderen als ‘Hollanders’ die geen oog hadden voor de lokale tradities en cultuur.

Vooral Limburg werd vanaf de lente van 1956 het toneel van een keiharde verkiezingscampagne, waarbij de nodige incidenten voorkwamen, variërend van het besmeuren van posters, vechtpartijtjes tussen activisten, het verstoren van vergaderingen en het annuleren van overeenkomsten voor zaalhuur. Niet alleen de lokale partij-activisten van de pvda kregen te maken met tegenstand, maar ook de partijtop. Zo werd op een verkiezingsbijeenkomst van de pvda in Venlo, waar ook Drees aanwezig was, een stinkbom gegooid. In Roermond werd dezelfde Drees het spreken onmogelijk gemaakt door het gejoel van een grote groep scholieren met kvp-vlaggen en claxons. Toen de premier eindelijk aan zijn rede wilde beginnen stond hij in het donker: de lichtkabels waren doorgesneden. Dezelfde avond sprak een geschrokken Drees in Maastricht, beveiligd door enkele kloeke leden van de plaatselijke arbeidersmuziekvereniging Ster der Toekomst. Daags erop klaagde Het Vrije Volk over nazi-methoden en een gebrek aan democratisch besef bij katholieken. Luchtiger van toon was het rijmpje dat de krant plaatste:

De KaaVeePeese humor is
In Limburg op zijn best
Ze zetten Drees in duisternis
Een stinkbom doet de rest

Na gil en claxoneermisbaar
Wordt er sportief gejoeld
Je moet wel dor zijn als je daar
Het grapje niet van voelt’

Als wraak verstoorden sociaal-democratische activisten een heilige processie in Heerlen door langs de weg posters van Drees op te plakken. Naar aanleiding van de scholierenactie in Roermond stelde pvda-partijvoorzitter Vermeer: ‘Ze hebben daar altijd van kinderexploitatie gehouden, zoals in de fabrieken van Regout’, een verwijzing naar de eind negentiende eeuw op kinderarbeid draaiende Maastrichtse Sphinx-fabriek. Vermeer kon voorts niet nalaten zijn gehoor eraan te herinneren dat kvp-leider Romme een minder roemrucht oorlogsverleden had dan Drees. Terwijl Drees in concentratiekamp Buchenwald was opgesloten, schreef Romme een brochure over een nieuwe grondwet waarin allerlei democratische rechten en burgerlijke vrijheden zouden worden ingeperkt.

De harde verkiezingscampagne van 1956 lijkt het beeld van stabiliteit en consensus te weerleggen. Van een vreedzame coëxistentie was in ieder geval bij katholieken en socialisten geen sprake. Tegelijkertijd bevestigt deze hele episode in zekere zin het door Lijphart gecanoniseerde beeld. Wie namelijk had gedacht dat na het campagnegeweld de samenwerking tussen kvp en pvdavoorgoed van de baan was, had buiten de flexibiliteit van de toenmalige politieke leiders gerekend. Zeker, er was wantrouwen gezaaid en er moesten enkele plooien worden gladgestreken, maar na vier maanden kwam er gewoon een nieuwe rooms-rode coalitie. Drees werd weer premier, Luns kreeg Buitenlandse Zaken, Sicco Mansholt Landbouw, Romme bleef fractievoorzitter en met Marga Klompé mocht er voor het eerst een vrouw aan de regeringstafel plaatsnemen.

Medium avs002125  invnr 53111
Op 18 mei 1956 zou de PvdA in Thorn met een geluids­wagen een verkiezingstoespraak laten horen. De plaatselijke KVP riep de bewoners op dit volkomen te negeren © Leo Jordaan / Atlas van Stolk, Rotterdam

Deze opvallende uitkomst van alle polarisatie van de voorgaande maanden werd door de Nederlandse kiezers schijnbaar gelaten aanvaard. Vast en zeker voelden ook toen sommigen zich bestolen of verraden, maar hun onvrede bleef in huiskamer of kroeg hangen. Websites of radioprogramma’s waar het ongenoegen kenbaar kon worden gemaakt bestonden niet en kiezersonderzoeken en opiniepeilingen waren nog zeldzaam. Toch bleek al vrij spoedig dat de verhoudingen tussen kvp en pvdabekoeld waren geraakt door alle gebeurtenissen van de voorgaande jaren. Anders dan de voorgaande rooms-rode coalities had het kabinet-Drees IV geen duidelijk gezamenlijk doel meer voor ogen, waardoor de onderlinge irritaties steeds sterker werden.

In december 1958 barstte de bom naar aanleiding van een tamelijk onbeduidende discussie over belastingen. De pvda stapte uit de coalitie, waarmee een einde kwam aan twaalf jaar rooms-rode samenwerking. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1959 verloor de pvda twee zetels. De kvp bleef gelijk. De vvd won enkele zetels na een harde campagne tegen de spilzieke socialisten. Onder leiding van Jan de Quay leidde een nieuwe coalitie van kvp, chu, arp en vvd Nederland de jaren zestig in.

Afgaande op de clichés betrad Nederland toen een geheel nieuw tijdperk, de hippe jaren zestig vol experimenten en harde confrontaties tussen rebellen en het gezag. Net zo min als de jaren vijftig kunnen worden samengevat met simpele adjectieven als saai en schraal kunnen de jaren zestig worden teruggebracht tot rebellie en veranderzucht. Zo was de verkiezingscampagne van 1963 een stuk saaier dan die van 1956 en hadden de politieke leiders van die jaren minder uitstraling dan hun voorgangers in de jaren vijftig.

De overgang van het ene naar het andere decennium was vooralsnog weinig meer dan een louter kalendarisch feit. Dat het oppervlakkige decenniumdenken zich, ondanks alle aantoonbare gebreken, toch in een grote populariteit mag verheugen had volgens historicus Hans Righart dan ook vooral een psychologische oorzaak. ‘Zo lijkt het er even op dat niet wij sterfelijk zijn, maar de Tijd’, aldus de auteur van enkele boeken over de jaren zestig.