De draaglijke lichtheid van Milos Forman

‘De stupiditeit van het socialistisch realisme was ongelooflijk inspirerend’

De in april overleden Tsjechische filmregisseur Milos Forman (86) werd geboren op het levensgevaarlijke kruispunt van de Europese geschiedenis van de vorige eeuw. Hoe de meervoudige Oscarwinnaar zijn slachtofferrol wist om te buigen tot een leerproces memoreert mede-Praagse Lente-vluchteling Martin Simek.

29 maart 1976, Hollywood. Milos Forman ontvangt met zijn zoons een Oscar voor One Flew over the Cuckoo’s Nest uit handen van William Wyler en Diane Keaton © ABC via Getty Images

Dit jaar is mijn Amsterdamse huisarts overleden. En deze maand vijftig jaar geleden werd de Praagse Lente verplet onder de rupsbanden van de Russische tanks. Die gebeurtenissen hebben voor mij met elkaar te maken.

Paul van der Veen hoefde ik niet uit te leggen wat communisme was. Hij was twee, drie jaar ouder dan ik en stond vlak voordat de sovjettroepen Praag binnenvielen met zijn broer en hun lelijke Eend op het Rode Plein voor het Kremlin. Op de cruciale dagen waren zij erbij in Praag als sympathisanten van onze poging een einde te maken aan de misdadige communistische dictatuur door hem hartelijk te omarmen. Een typische Soldaat Svejk-truc. ‘Het communisme met het menselijke gezicht’, was het paard van Troje waarmee wij hoopten het systeem van binnenuit te kunnen verslaan.

Wij Tsjechen leefden altijd onder de knoet van een of andere numeriek sterkere buurman. We waren de Russen, de nazi’s en de Habsburgers spuugzat. Ik weet nog hoe Paul me tijdens een wandeling liet zien waar Napoleon in Amsterdam gelegerd was. Ik was jaloers. Een Franse bezetter, wat chique. Daarmee vergeleken waren onze bezetters boerenheikneuters met een geweer.

Tussen mijn negentiende, het jaar waarin ik in Nederland aankwam, en mijn 23- of 24ste, heb ik het lot van mijn geknechte vaderland en mijn heldenrol bij de Praagse Lente ik weet niet hoe vaak beschreven en soms een tikkeltje opgeblazen, als de luisteraar een leuk meisje was.

Ik wilde met deze verhalen bewondering en medelijden wekken bij mijn generatie Nederlanders, die de hongerwinter en de waterramp alleen nog van horen zeggen kende. Vandaag, een halve eeuw later, wek ik medelijden zonder me daar extra voor te hoeven inspannen. Mijn hart krijgt hooguit nog aandacht van een vrouw in een witte jas. Van eentje kreeg ik bloedverdunners.

Het commentaar van Paul mijn huisarts was: ‘Natuurlijk is het goed, Martin, dat je je bloed verdunt. Zo krijg je in plaats van een hartaanval een hersenbloeding.’ Zo was Paul, heerlijk.

Toen ik hem vier dagen voor zijn dood thuis aan zijn bed bezocht vroeg hij nog hoe het met mijn gezondheid ging, om me voor het laatst gerust te kunnen stellen. ‘Nee Paul, vandaag is het jouw beurt’, zei ik genereus. ‘Mijn behandelend arts heeft me opgegeven’, zei hij, ‘dus heb ik nu een ander. Die ziet het helemaal zitten met mij. De eerste heeft natuurlijk gelijk, maar ik geloof de tweede toch liever.’

Hoe voelde het communisme? Echte ellende is veel meer dan de som der ongemakken.

En ongemakken zijn de meest intense ervaring waar negentig procent van de mij omringende westerse medemens zich op baseert. Hoe leg je ellende uit?

Ongeveer in dezelfde periode als Paul overleed Milos Forman in Connecticut. Er is geen beter iemand om het verschil voelbaar te maken tussen passief speelbal zijn van het lot of de kansen benutten die in een flits langskomen. Om aan het leven toch, ondanks bergen tegenspoed, een eigen wending te geven.

Terwijl ik in het naoorlogse Tsjechoslowakije van 1948 werd geboren, had Milos Forman met zijn geboorte in 1932 in het vooroorlogse Tsjechoslowakije aanvankelijk meer geluk dan ik. Ons vaderland was in het interbellum eventjes vrij en voortvarend, zowel cultureel als economisch. Maar veel belangrijker dan democratie of zelfs het hobbelpaard dat Milos van zijn ouders kreeg, was voor hem het bioscoopbezoek op zijn vierde. Hij vergaapte zich aan de feestelijk uitgedoste notabelen van het stadje Cáslav, die een enorme zaal op het grote plein vulden. Toen het licht uit ging geschiedde een wonder. Uit een gaatje niet groter dan een munt kwam een lichtbundel uit de muur, die het pikdonker doorkliefde en beelden toverde op het witte doek waar iedereen naar opkeek.

Vreemde beelden, van dorpelingen die hun monden openden en sloten als vissen. Er kwam geen geluid uit. Vanachter het gaatje in de muur hoorde het jongetje Forman slechts de projector brommen. Tot opeens alle mensen om hem heen begonnen te zingen en dat bleven doen, anderhalf uur lang. Iedereen kende Prodaná Nevesta (De verkochte bruid), Smetana’s patriottistische opera waarvan de beelden hier werden vertoond, uit het hoofd. En nog iets wonderlijks: terwijl de dorpelingen op het doek vrolijk lachten en dansten, klonk door het gezang in de zaal ook gesnik. Het nakomertje van een docent van de pedagogische academie en een pensionhoudster kon niet weten dat over de bergen in Duitsland Adolf Hitler op dat moment dreigde het Tsjechische Sudetengebied met een overheersend Duitstalige bevolking in te nemen.

De situatie was voor de familie Forman extra hachelijk, want het familiepension Rut lag in Sudetenland. Niet lang daarna, nadat Hitler op de conferentie van München in 1938 Sudetenland cadeau had gekregen van Frankrijk en Engeland, nam vader Rudolf Forman een lotsbepalende beslissing. Hij sloeg het aanbod af van zijn vrienden in Engeland en Zweden om die kant op te vluchten met het hele gezin.

‘Mijn omzwervingen met de koffer waren de beste voorbereiding op mijn latere professie’

Milos Forman zei erover: ‘Mijn ouders zijn slachtoffer geworden van hun vaderlandsliefde.’

‘In Cáslav ben ik geboren, in Cáslav leef ik en in Cáslav zal ik sterven’, zei zijn vader.

Helaas kreeg Rudolf Forman zelfs daarin geen gelijk, want hij stierf in 1944 in het concentratiekamp Mittelbau-Dora en zijn vrouw Anna Forman in 1943 in Auschwitz.

Nadat de Gestapo haar man had afgevoerd, besloot Anna Forman met haar jongste zoon naar het familiehotelletje in Sudetenland te verhuizen, omdat onder de lamp de meeste schaduw is, zoals een oude Tsjechische volkswijsheid luidt. Ze hadden geen cent. En dus kocht ze zes ‘lilliputek’, mini-kipjes, de enige kipsoort waarvan je de eieren niet met de bezetter hoefde te delen. Het ontbijt van de kleine Milos was iedere dag eieren voor hij naar de Duitse school vertrok.

Zijn klasgenoten deden of hij niet bestond, ook als ze woordenloos stenen naar hem gooiden, in doodse stilte, alsof ze hem in een stomme film hadden opgesloten. Tot hij in zijn maag werd getroffen en op de grond bleef liggen. De pijn was echt. Zijn hond Rek (‘held’ in het oud-Tsjechisch) was er nog slechter aan toe. Rek had die ochtend alle lilliputeks verscheurd en was in handen van een Duitse boer gevallen, omdat moeder Forman hem had geruild voor zes nieuwe kippetjes. Milos vocht als een leeuw met de boer om zijn hond terug te krijgen, maar hij had net zo weinig kans als zijn vaderland tegen Duitsland. Toen hij een paar dagen later het bord met de eieren van de nieuwe kippetjes gretig aflikte vroeg hij zich af: ‘In wat voor wereld ben ik terechtgekomen?’ Het was een belangrijk moment in zijn bewustwording.

Misschien al die dag, op zijn negende, besluit Milos Forman dat hij de realiteit altijd meer aandacht zal geven dan de fantasie. En de realiteit blijft zich opdringen, ook als hij, inmiddels weer terug in zijn ouderlijk huis in Cáslav, op de zolderverdieping in bed ligt met hoge koorts. Voor het huis hoort hij een auto stoppen. Een ongewone gebeurtenis in 1942 in Cáslav. En dan dreunen zware stappen door het huis, deuren worden open- en dichtgeslagen. Uiteindelijk gaat ook de deur van zijn kamertje op zolder open. In de deuropening staat zijn moeder met een glas water en een pilletje. ‘Kom, pak aan’, zegt ze. Hij sleept zich naar haar toe. Achter haar een strenge, lange, afstandelijke man. Zijn moeder blijft Milos aankijken. Hij slikt braaf het pilletje, al heeft hij er net eentje van haar gehad, en drinkt het glas leeg, terwijl zijn moeders ogen hem proberen – zo lijkt het hem – te waarschuwen voor iets verschrikkelijks. Dan doet ze de deur achter zich dicht. En weer die stappen en deuren die worden dichtgeslagen. De auto rijdt weg. Stilte. Doodse stilte. De tienjarige Milos trekt de deken over zijn hoofd.

Vanaf die 7de augustus 1942 leeft Milos Forman tot 1976, als hij in Amerika vijf Oscars krijgt voor zijn film One Flew over the Cuckoo’s Nest, praktisch uit de koffer. Daarin zit alles wat hij bezit. De rest, en dat is natuurlijk veel meer, zit vooral in zijn hoofd en hart. Cuckoo’s Nest verdient 108,9 miljoen dollar in 1976. Maar zo ver is het nog lang niet. De wees Forman moet eerst de oorlog zien door te komen.

‘Zoals ik trok van familie naar familie’, vertelde hij er later over, ‘besefte ik al snel dat het helpt als je je geliefd weet te maken. Ik hielp in het huishouden, in de winkels en probeerde vooral niemand te irriteren. Ik kwam erachter dat opstandig zijn en om je heen schoppen een enorme existentiële luxe is. En zo groeide ik op tot diplomaat. Ik leerde de gedachten van mensen lezen en hun humeur inschatten nog eerder dan zij zelf beseften wat ze eigenlijk wilden. Ik merkte op dat ze vaak niet geloven in wat ze doen en dat er een grotere of kleinere kloof gaapt tussen wat mensen van zichzelf denken en wie ze werkelijk zijn. Mijn omzwervingen met de koffer waren de beste voorbereiding op mijn latere professie.’

Na de oorlog krijgt Milos van iemand een krantenknipsel. Het gaat over de op te richten school voor oorlogswezen in het kuuroord Podebrady vlak bij Praag. Het moet een jongensschool worden, een internaat, naar Engels kostschoolmodel. Milos meldt zich direct aan, wordt uitgenodigd voor een gesprek en in september 1945 mag hij daar beginnen.

Het eerste wat hem opvalt in Podebrady is dat hij een van de weinigen is zonder vader en moeder. De meeste vaders zijn minister of diplomaat, leden van de oude Praagse elite, of nieuwe communistische carrièremakers die op een signaal uit Moskou wachten om de macht over te kunnen nemen. De school in een koninklijk kasteel uit de vijftiende eeuw dat uitkijkt over het stadje is het beste wat Milos kon overkomen.

Hier sluit hij belangrijke vriendschappen, leert onder anderen Vaclav Havel kennen, de latere dissident-president, maar vooral zichzelf. Tijdens het meest stupide spelletje, ‘Cepice’, bijvoorbeeld. Het doel is een hoofddeksel tegen de muur gedrukt te houden zonder je handen daarbij te gebruiken. Moeilijk is het niet, uitsluitend een zaak van doorzettingsvermogen. Milos is dan ook onverslaanbaar. Tot hij een kleine, iele tegenstander met pientere ogen treft die net als hij van geen opgeven wil weten. Ze kletsen tijdens de finale van Cepice heerlijk urenlang met elkaar. Vlak voor de avondklok, hun schouders zijn inmiddels beurs van het drukken tegen de muur, tellen ze tot drie en laten gezamenlijk de petten vallen. Die kleine, vindt Forman, is een geniale verteller. Hij heet Ivan Passer en je vindt zijn naam op de aftiteling van de vier eerste Forman-films als mede-scenarioschrijver. ‘Ivan kwam uit een familie die zo rijk was dat op sommige Tsjechische bankbiljetten de handtekening van zijn opa stond’, was Formans typering. De ergst denkbare komaf dus, met de dreigende communistische machtsovername in het verschiet. Ivan Passer was behalve heel rijk ook een rebel, heeft Forman over hem gezegd. Een echte held. ‘Dankzij Ivan kwam ik erachter dat ík geen held ben. En ook dat ik het niet erg vind. Omdat echte helden, degenen die domweg niet anders kunnen, het zichzelf en vaak ook anderen verrekte moeilijk maken.’

In februari 1948 plegen de Tsjechoslowaakse communisten de door Moskou geregisseerde staatsgreep. De prestigieuze school van Podebrady krijgt er een nieuwe leerling bij, een domkop. Zo dom dat hij er zelf geen last van heeft. Eda hoort überhaupt niet thuis op de middelbare school, maar daar denkt zijn vader, lid van het centrale comité van de communistische partij, anders over. En omdat de school de vader nodig heeft krijgt Eda altijd voldoendes waar hij niets voor hoeft te doen, zelfs niet overschrijven. De medestudenten hebben enorm de pest aan de in wezen onschuldige zoon van de foute vader, maar ze kunnen het niet laten merken. Dus plassen ze twee keer per week tijdens het gezamenlijke douchen op Eda. Ze houden hun plas speciaal op voor dat feest en zodra Eda zijn ogen dichtknijpt en zijn gezicht inzeept, omsingelen ze hem en gaan allemaal tegelijk af. Ze lachen en Eda ook. Het water is warm, plas is warm, hij merkt er niets van. Twee keer per week voelt Eda zich one of the boys. Tot die ene keer dat het lachen verstomt. De deuren van de doucheruimte gaan open, alleen Forman plast onbekommerd door. Professor Masák, eentje van de nieuwe communistische lichting, doet de deur weer dicht. Een paar dagen later wordt Forman uit de klas gehaald. Hij moet verschijnen voor de directeur die hem ooit had aangenomen. Hij krijgt een papier toegeschoven om te ondertekenen. ‘Bij deze verklaar ik dat ik van school wil gaan.’

Milos, de diplomaat, wil nog in gesprek. ‘Meneer de directeur, ik zit fout, maar laten we het vanuit een breder perspectief bekijken’, zegt hij. Verder komt hij niet. Hij wordt met zachte stem onderbroken. ‘Milos, luister goed. Verdwijn en laat geen spoor achter.’ Forman buigt zich over het papier en tekent. ‘Bedankt meneer’, zegt hij. De directeur adviseert hem nog om niet eens naar de klas terug te keren om zijn spullen te pakken. Forman schiet naar de slaapzaal, in tien minuten is zijn koffer gepakt en hij rent het kasteel uit. Door zijn hoofd dreunt de zin ‘laat geen spoor achter’.

In Praag zijn de sterren Forman gunstig gezind. In een handomdraai vindt hij een gymnasium waar hij alsnog eindexamen mag doen. De goede directeur van zijn vorige school had zijn curriculum blijkbaar opgeschoond. Doordat hij snel vrienden maakt, mag hij meespelen met een amateurgezelschap in een musical over het leven van de middeleeuwse Franse dichter François Villon. Het wordt een van de succesvolste voorstellingen van het land. Professionele gezelschappen moeten zich van de partij wijden aan socialistisch-realistische rijstebrij die niet om aan te zien is en dus blijven de zalen leeg.

Forman ziet de toekomst plotseling helemaal voor zich. Hij wil toneel studeren, de regie-opleiding. Hij twijfelt er geen moment aan dat hij aangenomen zal worden. Het applaus van de volle zalen sterkt hem in de overtuiging. Maar dan.

De Franse schrijvers worden Forman haast noodlottig, omdat hij de decadenten bewondert. ­Baudelaire, Rimbaud, Verlaine

De voorzitter van de toelatingscommissie vraagt: ‘Kameraad Forman, beeldt voor ons de strijd voor de wereldvrede uit.’ De brief met zijn afwijzing valt op zijn deurmat. Snel-snel zoekt hij naar faculteiten die nog studenten aannemen, om maar niet twee jaar in militaire dienst te moeten. Hij schrijft ze alledrie aan. En hij heeft al weer geluk: het wordt de opleiding dramaturgie van de filmacademie.

Op de school wordt lesgegeven – en dat is de ironie van het lot – door de beste Tsjechische kunstenaars, die onder normale omstandigheden zouden schrijven en films maken. Nu rest ze niets anders dan in de luwte van de filmacademie te wachten tot de ergste stalinistische poolwind voorbij is. De jongste van de leraren is Milan Kundera. Hij geeft literatuur en houdt van Franse schrijvers. Die worden Forman haast noodlottig, omdat hij samen met een bevriende student de Franse decadenten bewondert. Baudelaire, Rimbaud, Verlaine.

Op een dag krijgen Forman en zijn vriend te horen van de studentendecaan, de erudiete professor en schrijver Kratochvil, dat hij ze voor de partijraad moet brengen omdat de rector van de universiteit ter ore is gekomen dat zij de decadente manier van leven nastreven die in scherpe tegenspraak is met de moraal van de nieuwe socialistische mens. Forman ziet zichzelf al in een uniform met een machinegeweer door de korenvelden sluipen.

Hij is boos op zichzelf.

‘Een paar dagen later liet Kratochvil een volksjury over ons oordelen. In verband met de ernst van de materie stelde hij een plek voor waar de Tsjechoslowaakse president Antonín Zápotocký graag kwam. Vandaar dat niemand van de jonge, fanatieke, communistische juryleden durfde te protesteren. Iedereen betrad het chique restaurant op het Praagse kasteel op kousenvoeten. Niemand wist zich raad met de vele vorken en messen.’

De enige die zichzelf blijft is professor Kratochvil, die koelbloedig het jurycollectief naar de conclusie leidt dat kameraad Forman en kameraad Borovec (zijn vriend) nog een kans verdienen om zich te beteren en moreel te groeien. De juryleden nemen het voorstel zonder morren aan.

‘Pas onderweg naar huis heb ik begrepen hoe Kratochvil het eigenlijk voor elkaar heeft gekregen. Door jonge, ongelikte communisten in het chiqueste van het chiqueste te brengen en de plek te bezegelen met de naam van onze arbeiderspresident had hij ze monddood gemaakt. Nooit had ik kunnen geloven dat je het leven zelf zo duivels kunt regisseren.’

Bij het bekijken van oude films op school valt het Forman op dat drama snel gedateerd raakt, in tegenstelling tot lachfilms en documentaires. ‘Daar ergens tussenin moet ik het zoeken, als ik ooit een kans krijg om een film te mogen maken.’

Buiten de faculteit breken de theoretici van het socialistisch realisme zich het hoofd over waar ze de conflicten vandaan moeten halen die drama nodig heeft. Onder het kapitalisme was het makkelijk. Daar ging het conflict telkens weer over de strijd tussen goed en kwaad. Maar het communisme heeft het kwaad uitgebannen en terechtgesteld, zoals Formans klasgenootje Janata, die in 1953 ter dood werd veroordeeld en opgehangen. Omdat het kwaad niet meer bestaat in de socialistische heilstaat bedenken de communisten een verfijnder conflict waar kunst vanaf nu over dient te gaan: dat tussen goed en beter. Iets om wanhopig van te worden, maar de kracht van Forman is nu juist dat hij nooit wanhopig wordt. Hij blijft wachten op zijn kans, hier en daar assisterend bij regie, of meeschrijvend aan een scenario. ‘De jaren vijftig waren voor mijn generatie kunstenaars een zegen. De verveling en de stupiditeit van het socialistische realisme waren ongelooflijk inspirerend.’

Filmposter van Het brandt, mijn liefje, 1967 © Filmové studio Barrandov

Het is inmiddels 1963. De 31-jarige Forman heeft nog steeds niet een camera aangeraakt of twee strookjes celluloid aan elkaar kunnen plakken. De politieke situatie wordt wat gunstiger, Chroesjtsjov heeft in Moskou met Stalin afgerekend en de Tsjechische kameraden volgen voorzichtig. Hij spreekt al zijn spaarcentjes aan, koopt een Oost-Duitse filmcamera en neemt camerales. Helaas is leraar Miroslav Ondricek als pedagoog niets waard. Forman roept bij de lessen tevergeefs: ‘Miroslav, nou ik alsjeblieft!’ Ondricek heeft hem de camera zowat uit handen gerukt en staat hem niet meer af, maar Forman heeft wel de cameraman gevonden waar hij tot Ondriceks dood mee samen zal blijven werken, met als hoogtepunt Amadeus (acht Oscars).

Voor 1968 aanbreekt maakt Forman in zijn vaderland drie films. Twee ervan, Lásky jedné plavovlásky (De liefdes van een blondje) en Horí, má panenko (Het brandt, mijn liefje) worden genomineerd voor de Oscar voor de beste buitenlandse film. De onderwerpen komt Forman op straat tegen. ‘Op een late zaterdagavond kwam ik in het centrum van Praag een jong meisje tegen. Ze sleepte met een afgetrapte koffer, zonder de indruk te wekken ergens naar onderweg te zijn, laat staan haast te hebben. Ze zag er verloren uit. Ik werd nieuwsgierig, sprak haar aan en haalde haar over met mij mee naar huis te gaan.’

Dat meisje dicteert Forman min of meer het scenario voor De liefdes van een blondje. Tegen het onderwerp voor Het brandt, mijn liefje loopt Forman aan in Vrchlabí, een provinciestadje waar hij met Ivan Passer en een ander aan een scenario werkt waar ze hopeloos in zijn vastgelopen. Gefrustreerd besluiten ze naar het bal van de plaatselijke brandweer te gaan, om op andere gedachten te komen. Nou, dat lukt uitstekend. Dat bal wordt de nieuwe film. Een realistische komedie die in 1969 meedingt voor de Oscar.

Geen van de filmers van de Tsjechische Nieuwe Golf was zo geniaal in staat om de onmacht van het totalitaire regime te spiegelen als Forman. Op de dansavond van Het brandt komt de hele communistische maatschappij bij elkaar. Een groep van onbeholpen functionarissen moet de Erebijl van de Brandweer aan de zieke voorzitter overhandigen. En ze zien ook wel iets in een missverkiezing gecombineerd met tombola. Het loopt uit op een fiasco, net zoals het blussen van de brand die de feestavond verstoort.

Met topzinnen als ‘mensen zijn niet dom, mensen weten heel goed dat als ze iets hebben gestolen, ze het niet meer kunnen winnen’ wordt het communistische regime voor de hele wereld belachelijk gemaakt. Dat de film in Tsjechoslowakije wordt verboden draagt alleen maar bij aan zijn succes in het buitenland.

Als de Russen in de vroege ochtend van 21 augustus Praag binnenvallen, blijft Forman in Parijs, waar hij op dat moment te gast is bij de scenarioschrijver Jean-Claude Carrière. Formans echtgenote Vera en de babytweeling reizen hem achterna, maar Vera besluit na een paar maanden terug te keren. Zij is zangeres en zegt niet buiten de taal en het theater te kunnen.

Wanneer One Flew over the Cuckoo’s Nest negen Oscarnominaties krijgt schrijft Forman de Tsjechoslowaakse autoriteiten een nederige brief. Of zijn zoontjes, die hij al zes jaar niet heeft mogen zien, met hem het geluk mogen delen. Opnieuw blijkt dat niets op de kameraden zoveel indruk maakt als succes bij de kapitalisten. Ze laten de jongens gaan. De moeder moet in Tsjechoslowakije blijven, dat spreekt vanzelf. Cuckoo’s Nest wint de vijf belangrijkste Oscars: beste film, regie, script, mannelijke en vrouwelijke hoofdrol.

‘Toen ze mijn naam oplazen, rende ik naar het podium en stak de speech af die ik had voorbereid. Uit de zaal kwam een donderende ovatie. Een tv-publiek van honderden miljoenen zag me staan. Ik had het hoogtepunt van mijn professie bereikt. Verblind door de reflectoren onderscheidde ik met moeite twee kleine jongens in de zaal die hun handjes stuk klapten en straalden. Door hen stroomde mijn bloed en ook het bloed van zij die achter het prikkeldraad zijn gestorven. En het bloed van die oude joodse man die mijn verwekker bleek te zijn geweest en die mij nooit had willen ontmoeten. Maar zodra ik mijn ogen van mijn jongens afwendde, voelde ik weer de kloof die tussen alle mensen is. Ook tussen mij en de juichende zaal. De diepe kloof van het hart, dat altijd een buitenstaander blijft.’ (uit: Milos Forman & Jan Novák, Co ja vím? (Wat weet ik?), 2013)