De stuurloze staat de modelpoliticus dient alleen ideële belangen, maar houdt voortdurend de materiële belangen van alle burgers in het oog

Belangentegenstellingen zijn achterhaald, politici en kiezers zijn tegenwoordig gewoon redelijk. Ze willen slechts dat gezagsdragers onfeilbaar zijn en dat de staat niemand tekortdoet. Vreemd alleen dat er geen besluit meer valt.
DE TIJD DAT de overheid ongestraft haar wil kon opleggen aan de burger is tot nader order opgeschort. De burger neemt tegenwoordig onmiddellijk wraak, althans in democratische landen. Als hij het politieke personeel niet afstraft in het stemhokje of per opiniepeiling, sleept hij de staat wel voor de rechter of de ombudsman.

Desnoods verruilt hij hem voor een particuliere instelling met zachtere betalingsvoorwaarden en een betere service. Het gezag is van de troon gestoten door de neoliberale drievuldigheid van individualisering, privatisering en globalisering. De overheid is een gewone partner in het maatschappelijk verkeer geworden, en dat zal zij weten ook.
Regeringen moeten aan steeds meer morele aanspraken en verwachtingen voldoen om zich in de ogen van de kiezer te bewijzen. De normen voor aanvaardbaar en succesvol overheidshandelen zijn de laatste decennia flink aangescherpt. In sommige landen kwam de overheid voor een lelijke verrassing te staan, zoals in Italië tijdens operatie Schone Handen. Een meerderheid van de bevolking ontstak plots in hevige verontwaardiging over praktijken die tot kort tevoren wijdverbreid en algemeen aanvaard waren. De nieuwe normen van politieke zuiverheid werden hardhandig opgelegd. Twee politieke partijen werden weggevaagd en de voormalige bestuurlijke top werd voor de rechter gesleept.
In de meeste democratieën veroorzaakt deze normverscherping alleen zo nu en dan een politieke oprisping, waarna de bestuurlijke elite zich voltallig aanpast aan de nieuwe norm. Zo'n normatieve oprisping was bijvoorbeeld de rel rond Frits Bolkesteins lobby voor het farmaceutische bedrijf Merck Sharp & Dohme (MSD). Het feit dat hier een nieuwe norm voor politieke zuiverheid werd aangelegd, ging in het tumult enigszins verloren. In hun aandrang om de VVD-leider van ontoelaatbare belangenverstrengeling te beschuldigen, pasten zijn critici namelijk een optische truc toe. Zij stelden Bolkesteins lobbypoging voor als nieuwlichterij, als een brutale schending van reeds lang bestaan de parlementaire mores. Zijn gedrag was niet alleen ‘schaamteloos’ (Algemeen Dagblad), het was ook 'ongehoord’ (de Volkskrant).
De vier grote fracties, samen goed voor twintig commissariaten, begrepen er aanvankelijk niets van. Waarom mocht Bolkestein niet voor MSD doen wat Henk Vos (PvdA) voor Fokker deed? En sinds wanneer was een betaalde nevenfunctie uit den boze? Het kamerreglement laat sinds jaar en dag toe dat kamerleden betaalde nevenfuncties uitoefenen, inclusief die van lobbyist. De enige voorwaarde is dat zulke baantjes worden geregistreerd, zodat heimelijke belangenverstrengeling uitgesloten is. In het afsluitende debat verwierp de Kamer dan ook het SP-voorstel voor een 'aangescherpte gedragscode’. De meerderheid was terecht van mening dat het oordeel over de handel en wandel van een gekozene toekomt aan de kiezer, niet aan zijn collega’s. Dat neemt niet weg dat de nieuwe norm wel degelijk per volksgericht is ingevoerd: geen enkel kamerlid haalt het voortaan in zijn hoofd om 'Beste Els’-briefjes te schrijven.
DE MORELE speelruimte waarvan Bolkestein gebruik dacht te kunnen maken, was nog niet zo lang geleden vanzelfsprekend. In de hoogtijdagen van de verzuiling waren de kamerbankjes volgepakt met vertegenwoordigers van multinationals, vakbonden, standsorganisaties, omroepen en de magistratuur. Wie niet bij zijn achterban op de loonlijst stond, kon er na afloop van zijn ambtstermijn altijd terecht voor een goedbetaalde baan. Het omgekeerde was ook van toepassing. Nog maar tien jaar geleden stond de VVD als verklaarde belangenbehartiger van de grootindustrie lijnrecht tegenover de PvdA als verklaarde belangenbehartiger van de grootste vakbond. Bij de sociaal-democraten was de personele band met de vakbeweging zo hecht dat Wim Kok tot opvolger van Den Uyl werd gekozen. Bij de VVD was de relatie met de werkgevers zo goed dat gesjeesde bedrijfsadvocaten en managers als Korthals Altes en Bolkestein er meteen terecht konden als minister en staatssecretaris.
De conclusie moet zijn dat de politiek niet verloedert, maar dat er strengere en zelfs onwezenlijke eisen aan politici worden gesteld. Kamerleden mogen zich alleen maar bezighouden met het algemeen belang, zo vatte D66-fractieleider Wolffensperger aan het eind van het kamerdebat de communis opinio samen. Het PvdA-kamerlid Oudkerk, tevens huisarts, trof meteen de juiste toon. In een interview met Nieuwe Revu presenteerde hij zich als een ware volkstribuun van de jaren negentig: 'In mijn contacten met de farmaceutische industrie zit ik er voor de burgers van Nederland. Ik ken geen ander belang.’
Bij nader inzien is het belang van 'de burger’ natuurlijk een fetisj. Het algemeen belang is niets anders dan een verzameling van tegenstrijdige deelbelangen. Oudkerk weet ook wel dat de belangen van zijn patiënten in strijd zijn met de belangen van de werknemers en aandeelhouders in de farmaceutische industrie. Zulke belangentegenstellingen zijn in elk politiek debat aan de orde en elk kamerlid moet steeds opnieuw beslissen welk belang het zwaarst weegt.
Maar de kiezer wil bedrogen worden. Hij vraagt om onthechte politici, dus krijgt hij politici die zich opwerpen als vertegenwoordiger van 'de mensen’ en als verdediger van een denkbeeldig algemeen belang. Niet voor niets laat Wim Kok zich tegenwoordig bewieroken als 'premier van alle Nederlanders’. De grondslag van het paarse kabinet is de overtuiging dat belangentegenstellingen in de politiek achterhaald zijn en dat de kiezer slechts gediend is met redelijke afwegingen en onpersoonlijke procedures. Moeilijke beslissingen laat men daarom over aan de rechter, gespecialiseerde ambtenaren of Europese ministerraden. De paarse politicus staat idealiter boven de partijen. Hij verdedigt geen belangen, hij arbitreert.
Deze paradox trad het duidelijkst aan het licht toen staatssecretaris Schmitz, zelf homoseksueel, verkondigde dat zij haar oordeel over het homohuwelijk liet afhangen van de 'maatschappelijke discussie’. Zij was bang dat zij vanwege haar geaardheid zou worden beschuldigd van positieve vooroordelen ten aanzien van homo’s. Alsof een heteroseksuele staatssecretaris geen last heeft van vooroordelen, om maar te zwijgen van de verzamelde theologen, seksuologen en gezinstherapeuten die zich over de 'maatschappelijke discussie’ ontfermen.
DE PERSONALISERING van de politiek, die in de jaren zeventig begon met de overdreven aandacht van de media voor de persoonlijke kwaliteiten van de politicus, bereikt met de eis van politieke onthechting een nieuwe, surrealistische fase. En als de voortekenen niet bedriegen, zal het dwangbuis van de politieke zuiverheid in de toekomst almaar strakker worden aangehaald. Volgens een staatkundige voorhoede die zich zowel bij links als bij rechts breed maakt, is het niet meer voldoende dat de overheid de individuele belangen en verlangens van de burgers tegen elkaar afweegt. Voortaan moet de overheid die belangen en verlangens belichamen om geloofwaardig te zijn.
Een fraai staaltje van deze utopische denktrant viel afgelopen zomer in Frankrijk te beluisteren. Een groep politici en intellectuelen eiste in een manifest een wettelijke quotering van politieke benoemingen: alle vertegenwoordigende organen zouden voortaan voor de helft uit vrouwen moeten bestaan. Op die manier zou de getalsverhouding tussen de seksen worden weerspiegeld in de personele samenstelling van de wetgevende en uitvoerende macht. De overheid zou niet langer 'mannelijk’ zijn, maar een wezen van beiderlei kunne, een hermafrodiet. Het uitgangspunt van deze redenering is dat het politieke standpunt van ambtsdragers ondergeschikt is aan hun geslacht. Des te opmerkelijker was het feit dat enige prominente Franse feministes het manifest ondertekenden. Kennelijk waren ook zij van mening dat politiek handelen eerder een kwestie van genetische en hormonale aanleg is dan van individuele overtuiging.
De slogan uit de jaren zeventig dat het persoonlijke politiek is, werd hier binnenstebuiten gekeerd: de politiek is een mens. De wetgevende en uitvoerende machten leven, denken en handelen als een individu. Wil het overheidshandelen representatief zijn, dan moet de overheid een biologisch afgietsel zijn van de samenleving. 'Vrouwen zijn geen minderheid, nationaliteit of religieuze gemeenschap’, schreef een ondertekenaar van het manifest in een brief aan Le Monde: 'Zij vormen de helft van de mensheid. Het menselijk wezen is ofwel man, ofwel vrouw. De gelijke politieke vertegenwoordiging van man en vrouw is noodzakelijk om dezelfde reden als destijds het universeel kiesrecht. Elke gemeente zou een burgemeester en een burgemeesteres moeten hebben, elk kiesdistrict een mannelijke en vrouwelijke afgevaardigde, en we zouden een president en een presidente van de Republiek moeten hebben. Besluiten zouden in goed overleg moeten worden genomen.’
Zoals bekend heeft deze normatieve razernij in de Verenigde Staten ijle hoogten bereikt. De geïdealiseerde Amerikaanse overheid is all things to all people. Zij belichaamt tegelijk en zonder onderscheid het belang van alle burgers en het belang van elke afzonderlijke burger. Van de Amerikaanse president wordt bijvoorbeeld verwacht dat hij indien nodig militair ingrijpt om het nationaal belang veilig te stellen, maar zonder dat één Amerikaan daarbij het leven laat. Voor dezelfde onmogelijke opgave stond het paarse kabinet tijdens de deelname aan Unprofor. De publieke opinie eiste dat 'onze jongens’ niet in levensgevaar kwamen omdat er in Bosnië geen Nederlands belang op het spel stond èn dat Srebrenica gewapenderhand werd verdedigd omdat de levens van duizenden Bosniërs op het spel stonden.
NIET ALLEEN de staat, ook de gezagsdrager zelf wordt op het procrustesbed van deze absurde moraal gelegd. Gesteund door de media neemt de burger vernietigend wraak voor de bemoeizucht waarmee de welvaartsstaat de laatste dertig jaar in zijn leven binnendrong; hij dringt nu even bemoeizuchtig en veeleisend binnen in het leven van zijn politici. In de Amerikaanse politiek is de vraag of een gekozene zijn mandaat naar behoren vervult bijna geheel verdrongen door de vraag naar zijn levenswandel. Clinton wordt in de rechtszaal en in de publiciteit aangeklaagd wegens financiële en seksuele feiten waarvoor John Kennedy zijn korset niet eens uittrok, laat staan dat ze de publiciteit haalden. De morele vereisten waaraan topfunctionarissen moeten voldoen, zijn zo opgeschroefd dat potentiële kandidaten zich soms niet meer aanmelden. Het treurigste voorbeeld is de gouverneur van New York, Mario Cuomo, die als president een zegen voor het land en de rest van de wereld zou zijn, maar tweemaal van een kandidatuur afzag omdat hij zijn familie niet wilde blootstellen aan het nietsontziende volksgericht van zijn wraaklustige onderdanen.
Amerikaanse politieke marketeers weten ook allang niet meer welk imago ze op een veelbelovende kandidaat moeten plakken. De Amerikaanse modelpoliticus van de jaren negentig staat met twee benen in de samenleving, maar heeft geen enkele maatschappelijke binding die zijn oordeel zou kunnen beïnvloeden. Hij dient alleen ideële belangen, hoewel hij voortdurend de materiële belangen van alle burgers in het oog houdt. Hij is gepassioneerd en vecht voor zijn idealen, maar zijn optreden is onder alle omstandigheden billijk, transparant en procedureel zuiver. En zijn privé-leven moet ook nog voorbeeldig zijn, liefst met terugwerkende kracht.
Meer in het algemeen raast er door de Amerikaanse instellingen een morele zuiveringswoede waarbij links en rechts - respectievelijk gedreven door political en religious correctness - elkaar versterken. De pc-beweging verlangt dat het gezag zich gedraagt als een mythische oermoeder: zorgzaam, onbevooroordeeld, empathisch en ras-, klasse- en sekseneutraal. Deze eisen worden ondersteund door een herschrijving van de geschiedenis waarin de blanke man wordt voorgesteld als de aanstichter van alle kwaad in de wereld. De moral majority eist op haar beurt dat het gezag zich gedraagt als het archetype van de bijbelse koning: kuis, rechtschapen en onverbiddelijk. De rechtvaardiging van de denktanks en organisaties die deze religious correctness propageren, is eveneens onhistorisch. Als ijkpunt hanteren ze de gezinsmoraal uit de jaren vijftig. Sommigen beroepen zich zelfs op het ongerepte idealisme van de Founding Fathers.
Uiteraard voldoet de staat nimmer aan al die buitensporige en tegenstrijdige verlangens. De veeleisende burger wordt onverbiddelijk teleurgesteld, maar in plaats van zijn verlies te nemen, wentelt hij zich in verongelijktheid, schreeuwt verraad en stelt nieuwe eisen. De politicus doet van de weeromstuit zijn best om nog dichter bij de burger te staan, om nog 'gewoner’ over te komen, nog nadrukkelijker zijn feilbaarheid en menselijkheid te tonen. Bill 'I feel your pain’ Clinton is een meester in dit genre en dankt zijn laatste verkiezingsoverwinning voor een belangrijk deel aan zijn schijnbare empathische vermogens.
Deze emotionele identificatie van de politicus met de kiezer is de uiterste consequentie van het proces van personalisering: burger en overheid vallen elkaar ontroerd in de armen. Het gezag wordt medemens, een burger onder burgers. In het strafrecht tekent die institutionele intimiteit zich al duidelijk af. De hedendaagse burger accepteert niet meer dat de overheid rechtspreekt in het belang van de gemeenschap onder de noemer van de openbare orde. Hij eist gepaste wraak en persoonlijke (na)zorg, alsof van de overheid verwacht kan worden dat zij in haar benadering van dader en slachtoffer alle gevoelens toont die normaal gesproken alleen een mens van vlees en bloed kan opbrengen.
DE IRONIE wil dat uitgerekend een Amerikaanse dominee, Reinhold Niebuhr, al in de jaren dertig waarschuwde tegen deze vergaande moralisering van de politiek. Niebuhr kon natuurlijk niet bevroeden dat volgende generaties zouden dromen van een totale identificatie van staat met burger. Hij zette zich af tegen de christelijke en liberale idealisten van zijn tijd, die hoopten op een morele verbetering van de mensheid door toedoen van collectieve instellingen als de parlementaire democratie, het algemeen onderwijs en de Volkenbond. In zijn Moral Man and Immoral Society (1932) maakte hij zo hardhandig korte metten met die illusie dat collega’s zich afvroegen of hij wel een christen was en Britse theologische uitgeverijen weigerden het boek in hun fonds op te nemen.
Niebuhr was van mening dat er scherp onderscheid moest worden gemaakt tussen het morele gedrag van individuen en dat van nationale, raciale of economische groepen. De verfijnde moraal die het individu erop na kan houden, kan niet worden verwacht van een collectief. De staat kan enkel recht doen aan gearticuleerde groepsbelangen, niet aan de morele aspiraties van elk van zijn onderdanen. Zelfopoffering en naastenliefde bijvoorbeeld kunnen niet worden verlangd van een instelling die per definitie geen 'zelf’ en geen 'naaste’ heeft. De staat beschaamt bij voorbaat de individuele moraal, en de natuurlijke verhouding tussen individu en gemeenschap is de confrontatie.
Helaas is Niebuhrs oudtestamentische hardheid niet meer aan zijn landgenoten besteed. Als Bill Gates zijn zin krijgt en de Amerikanen begin volgende eeuw het permanente elektronische referendum via Internet introduceren, dan is de virtuele oplossing van hun dilemma ophanden. Besluiten worden dan genomen door steeds wisselende, anonieme meerderheden. Iedereen is president, niemand is meer verantwoordelijk. Staat en burger gaan hand in hand het Stuurloze Tijdperk binnen.