Heeft de teloorgang van het christendom in Europa het (zelf)vertrouwen in de Europese cultuur ondermijnd?

De succesvolle mislukking van Europa

Waar grote delen van de wereld zuchten onder politieke of religieuze dogma’s, zou Europa zich gelukkig moeten prijzen dat het zijn zekerheden verloren heeft. Waarom dan toch die obsessieve zoektocht naar een gemeenschappelijke identiteit?

Medium 14 05 21 groene europa van dyck

De Stichting Werkelijkheid in Perspectief – een initiatief van Frits Bolkestein, Paul Cliteur en Meindert Fennema – stelt zich ten doel het intellectuele conformisme, of het nu van links of van rechts komt, te doorbreken. Dit voorjaar schreef ze een essaywedstrijd uit rond de vraag: ‘Heeft de teloorgang van het christendom in Europa het (zelf)vertrouwen in de Europese cultuur ondermijnd?’ Uit de 82 inzendingen koos de jury – Ewald Engelen, Marcel Maussen, Gelijn Molier, Jonathan Price en Xandra Schutte – unaniem het essay ‘De succesvolle mislukking van Europa’ van Lodewijk Pessers als winnaar. De tweede prijs gaat naar het essay ‘Erfgenamen van Europa’ van Bas Nabers, dat deze week op de site van De Groene is gepubliceerd. De winnaar werd beloond met vijftienduizend euro; de tweede prijs was tienduizend euro.

Toen de Oostenrijkse graaf Von Coudenhove-Kalergi in 1923 de Paneuropese Unie oprichtte, ontwierp hij ook een bijbehorende vlag. Deze bestond uit een blauw vlak met daarin een rijzende zon: het symbool van de Europese cultuur die de wereld verlichtte. In het centrum van dit geheel plaatste hij een kruis, omdat het christendom volgens hem de pijler was waarop het continent rustte. Het mag, in dat licht bezien, dan ook verbazen dat hij zich in 1953 bereid toonde om een halve maan aan het ontwerp toe te voegen. De Raad van Europa had de vlag namelijk overgenomen, maar het christelijke symbool stuitte op verzet van het nieuwe lid Turkije. Uiteindelijk werd besloten om voor een geheel andere opzet te kiezen: twaalf gouden sterren tegen een blauwe achtergrond. In 1985 heeft ook de (toenmalige) Europese Gemeenschap dit uitgeroepen tot haar officiële embleem.

De vraag rijst waarom het kruis, kennelijk een pijler onder ons continent, niet of nauwelijks werd verdedigd. Hoe kon het dat Von Coudenhove zonder aarzelen plaats inruimde voor een islamitisch symbool op de Paneuropese vlag? Was het een daad van religieuze en culturele zelfverloochening of misschien juist het tegenovergestelde, namelijk een christelijk gebaar par excellence?

Richard von Coudenhove zou ongetwijfeld voor het laatste antwoord hebben gekozen. Volgens hem vormden medemenselijkheid en tolerantie christelijke kernwaarden. Joodse of islamitische invloeden moesten daarom niet worden gezien als bedreigingen, maar worden verwelkomd als potentiële verrijkingen van de eigen geloofstraditie. Ook op andere terreinen droeg hij een open visie uit. Zo prees hij de voordelen van rassenvermenging juist toen onder invloed van het nationaal-socialisme het ideaal van een zuivere Volks- und Rassengemeinschaft tot ontwikkeling kwam.

Zijn geste naar de Turken in de vlaggenkwestie was geen ontkenning van de eigen godsdienstige identiteit, maar juist de ultieme bevestiging ervan. De handreiking zélf belichaamde zijn christelijke geloofsopvatting. Het probleem van deze redenering is echter dat die slechts in beperkte kring begrepen en gewaardeerd zal worden. Daarbuiten zullen dit soort intellectuele fijnzinnigheden eerder worden geduid als tekenen van lafheid of zelfhaat.

Dit is niet alleen de persoonlijke tragiek van Von Coudenhove maar ook, in bredere zin, van het christendom. Juist wanneer het teruggaat naar zijn beginselen door nederigheid en ootmoed te praktiseren, verhoogt het zijn kwetsbaarheid. Machiavelli vatte deze wetmatigheid eens samen in de maxime dat uiteindelijk alleen gewapende profeten erin zullen slagen een geloof duurzaam op te leggen. Dat wil zeggen: zieltjes worden gemakkelijker gewonnen (en behouden) met geweld dan met geestelijke diepzinnigheid. De zwarte bladzijden in de geschiedenis van het christendom hebben Machiavelli’s gelijk op bloederige wijze geïllustreerd. En hetzelfde geldt voor de islam: al sinds de hijra (de uittocht van de profeet Mohammed vanuit Mekka naar Medina) is succesvolle geloofsverbreiding dikwijls het resultaat geweest van gewelddadige campagnes.

Het feit dat het Europese christendom het zwaard heeft moeten verruilen voor het woord is dan ook niet zonder gevolgen gebleven. In de afgelopen twee eeuwen heeft een gestage ontkerkelijking plaatsgevonden die zich doorzet tot op de dag van vandaag. Het verschil met de islamitische wereld, waar het geloof zijn centrale positie vaak heeft weten te behouden, is duidelijk. In 2007 verleidde het kardinaal Simonis tot de veelzeggende oproep aan geloofsgenoten om een voorbeeld te nemen aan moslims. Want, zo voegde hij toe, ‘ik moet de eerste christen nog tegenkomen die voor zonsopgang opstaat om te bidden’.

De kans dat de wens van Simonis in vervulling gaat en het christendom in Europa zijn getaande invloed zal herwinnen, lijkt echter klein. Bovendien is het de vraag of deze teloorgang te betreuren is. Hoe moeten de gevolgen van de ontkerstening worden ingeschat? Verliest ons continent hiermee een deel van zijn identiteit en daarmee van het vertrouwen in de eigen cultuur?

***

Op de vraag wat Europa eigenlijk is, schijnt oud-bondskanselier Helmut Kohl te hebben geantwoord: ‘Het gebied waar gotische kathedralen zijn gebouwd.’ De uitspraak valt op door de geografisch-religieuze verbinding die erin besloten ligt. Vanuit historisch perspectief is deze typering dan ook niet onbegrijpelijk: al bijna duizend jaar is het christendom de dominante godsdienst op (vrijwel) het gehele continent. Ook van buitenaf worden Europa en zijn inwoners niet zelden religieus gedefinieerd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een benaming als ‘Farangi’ (letterlijk: Franken, voorvechters van het christendom) waarmee in verschillende Semitische en Iraanse talen Europeanen worden aangeduid.

Uiteraard kan men hiertegen inbrengen dat Europa een nog langere pre-christelijke geschiedenis kent, waarbij vooral de antieke beschaving van een vormende invloed is geweest. En natuurlijk mogen ook de vroeg-Germaanse en Noordse elementen in onze cultuur (of beter: culturen) niet worden vergeten. Volgens de Franse historicus en filosoof Alain de Benoist kunnen juist deze verdrongen, voor-christelijke tradities inspiratie bieden in de huidige tijd van spirituele verwarring.

Dergelijke pogingen tot culturele ‘duiding’ hebben de laatste jaren ook in ons land steeds meer aandacht gekregen. Zo is het sinds Pim Fortuyn in zwang geraakt om onze beschaving in de ietwat gewrongen typering ‘christelijk-joods-humanistisch’ te vangen. Geert Wilders stelde zelfs voor om deze beschrijving vast te leggen in artikel 1 van de grondwet. Maar ook in andere delen van Europa wordt openlijk met de vraag geworsteld wie we nu eigenlijk zijn en waar onze wortels liggen. Soms leidt dat tot uiterst merkwaardige antwoorden, zoals in Noord-Italië. Daar kent men sinds enige tijd het (vermeend) Keltische ‘ritueel van de ampul’, waarbij Lega Nord-leider Umberto Bossi heilig water uit de Po schept om dat vervolgens uit te storten over de hoofden van de aanwezigen. Uiteraard dragen deelnemers aan de ceremonie bijpassende gewaden en wordt er ondertussen uitbundig gezwaaid met de regionale vlag.

Het probleem met deze uitingen van culturele ‘bewustwording’ is vaak dat ze geen recht doen aan de complexiteit van de materie en bovendien nauwelijks nieuwe inzichten opleveren. Neem de zojuist genoemde typering ‘christelijk-joods-humanistisch’. Hoewel zowel het (in het jodendom wortelende) christendom als het humanisme een rol van grote betekenis heeft gespeeld op het Europese continent kan onze cultuur niet tot deze elementen worden gereduceerd. (Om nog maar te zwijgen van het Keltische karakter dat Noord-Italië zou kenmerken.) Doorgaans zijn zulke stellige etiketteringen dan ook weinig meer dan een (politiek) woordenspel.

Om dezelfde reden is het nauwelijks zinvol om de alles-of-niets-vraag te stellen of onze identiteit (nog steeds) bepaald wordt door het christelijk geloof. Zowel voor de juistheid als onjuistheid van die stelling kan men eindeloos veel argumenten aanvoeren. Van groter belang is het om na te gaan op welke wijze het christendom heeft bijgedragen aan de vorming van het moderne Europa en, vervolgens, of het in de huidige tijd nog een rol te vervullen heeft. Kan het christendom gemist worden zonder dat het continent daarmee in een culturele identiteitscrisis komt te verkeren?

***

Het evangelie, dat oorspronkelijk werd verkondigd in de beperkte kring van Jezus Christus en zijn volgelingen, beleefde in de vierde eeuw een indrukwekkende expansie. Vooral het feit dat de Romeinse keizer Theodosius I de nieuwe religie in 381 tot staatsgodsdienst verhief, heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd: geholpen door de (relatieve) staatkundige eenheid van het Romeinse Rijk kon de leer van Christus zich gemakkelijk over een groot gebied verbreiden.

Deze opmars zou zich in de eeuwen daarna gestaag voortzetten. Hierbij werd de geweldloze boodschap van Christus vaak wijselijk genegeerd. Het interessante was echter dat de kerk zich niet alleen van een militair arsenaal bediende; het geestelijk wapentuig was waarschijnlijk van nog groter belang. Het beste voorbeeld hiervan is uiteraard de voertaal. Door het gebruik van het dode Latijn zorgde de kerk ervoor dat kennis van het geloof voorbehouden bleef aan een beperkte groep van ‘uitleggers’. Immers, de inhoud van de christelijke boodschap was zeker niet ongevaarlijk. Het egalitaire of zelfs anti-autoritaire karakter van de Heilige Schrift, en dan vooral van het Nieuwe Testament, zorgde ervoor dat de geestelijke machthebbers uiterst behoedzaam te werk moesten gaan. Christus’ leer, waarin geldt dat ‘de laatsten de eersten zullen zijn en de eersten de laatsten’ (Mattheüs 20:16), werd daarom niet geschikt bevonden voor ongefilterde verspreiding. Het is dan ook begrijpelijk dat de kerk zich lange tijd fel heeft verzet tegen vertaling van de bijbel in de verschillende volkstalen. Pas met de uitvinding van de boekdrukkunst en daarna de Reformatie in de zestiende eeuw was dat beleid niet langer houdbaar. De katholieke kerk moest met lede ogen aanzien hoe ‘het boek der boeken’ werd ontsloten voor een steeds groter publiek.

Maar ook fysieke wapens werden niet geschuwd. De voorbeelden hiervan zijn wreed en talrijk. Er waren de kruistochten waarbij honderdduizenden soldaten werden ingezet om het christelijke geloof te ‘verdedigen’, voornamelijk tegen moslims in het Heilige Land. Daarnaast vonden er ook vele gewelddadigheden plaats op eigen bodem. In een poging om de zuiverheid van de leer te bewaken, werden rigoureuze methoden ingezet om ongelovigen op het rechte pad te brengen. In de hoge en late Middeleeuwen zijn talloze mensen door het Heilige Officie der Inquisitie aangeklaagd en veroordeeld voor ketterse denkbeelden. Het begrip ‘ketters’ werd daarbij breed uitgelegd. Ook wetenschappelijke ontdekkingen die mogelijke bedreigingen voor de geloofsdoctrine vormden, hebben tot verschillende processen geleid. Het bekendste voorbeeld is ongetwijfeld de veroordeling van Galileo Galilei die openlijk een heliocentrisch wereldbeeld aanhing.

Door strijd en verbrokkeling te veroorzaken heeft het christendom ongewild een bijdrage geleverd aan de intellectuele bloei

Hoewel het christendom, naar zijn aard, slechts aanspraak zou kunnen maken op geestelijk gezag begon de kerk zich al gauw ook wereldlijke macht toe te meten. Al sinds de vierde eeuw verwierven opeenvolgende pausen uitgestrekte gebieden in Italië die later zouden uitgroeien tot de Kerkelijke Staat. Onder de ‘oorlogspaus’ Julius II (1443-1513) zou het territoir zijn grootste omvang bereiken dankzij een reeks succesvolle militaire campagnes. Daarnaast heeft de kerk in de loop van de tijd aanzienlijke vermogens vergaard, onder meer door belastingheffing, dotaties, amortisaties en de handel in aflaten.

Het behoeft geen verder betoog dat de premoderne geschiedenis van het christendom een uiterst bedenkelijke is. Dat neemt niet weg dat vanuit een tactisch oogpunt de verbreiding van het nieuwe geloof respect afdwingt. In een periode van ruim duizend jaar wist het christendom op het gehele Europese continent een controlerende (of tenminste een invloedrijke) rol te verwerven in verschillende opzichten: in geestelijke en wereldlijke zin, in de wetenschap, in de literatuur en in de kunsten. Onder deze omstandigheden kon het gebeuren dat de Europese identiteit in belangrijke mate begon samen te vallen met het christelijk geloof.

Deze ontwikkeling had wellicht de weg kunnen bereiden voor een steeds verder toenemende culturele en misschien zelfs staatkundige eenwording. Maar in tegenstelling tot de dynastieën van, bijvoorbeeld, de Omayyaden, de Ottomanen en de Chinese keizers zou Europa zich uiteindelijk niet laten unificeren. Ondanks de veelbelovende start bleek de kerk niet in staat om haar macht definitief te consolideren en ‘een continent onder God’ te stichten. Door de geleidelijke verzwakking van het christendom en zijn instituties zouden de Europeanen uiteindelijk een andere weg inslaan dan de Arabieren of de Chinezen.

***
Medium 14 05 22 cristo crucificado 2

Hoewel de teloorgang van het christendom misschien een ontwikkeling van de laatste eeuwen mag lijken, gaat deze in feite een stuk verder terug. Al vanaf de elfde eeuw werd de kerk getroffen door een opeenvolging van interne scheuringen – zoals het Oosters Schisma, waarbij de paus in Rome en de patriarch in Constantinopel elkaar excommuniceerden, en later het Westers Schisma, waarbij pausen en tegenpausen elkaar het gezag over de kerk betwistten – die haar ‘universele’ ambities danig begonnen te ondermijnen. Daarnaast kwam het geestelijk gezag steeds vaker in conflict met wereldlijke autoriteiten over verschillende machtspolitieke kwesties. Hierdoor raakte het oude evenwicht tussen ecclesia en mundus, dat in de voorbije eeuwen tot wederzijds voordeel had gestrekt, ernstig verstoord. Deze verdeeldheid zou steeds vaker in het nadeel van de kerk gaan uitpakken.

De bezoekingen hielden hier echter niet op. In de zestiende eeuw keerde een groot deel van de christelijke gemeenschap zich af van de rooms-katholieke kerk uit onvrede over de geloofsleer, wanbestuur en corruptie. En de druk werd nog verder opgevoerd door een reeks van samenhangende ontwikkelingen, zoals de uitvinding van de boekdrukkunst, de opkomst van verschillende intellectuele vrijhavens in Noord-Europa en de accumulatie van nieuwe wetenschappelijke inzichten tijdens de Verlichting. Het leger van ‘gewapende profeten’, dat eens de Blijde Boodschap succesvol had geïntroduceerd op het Europese continent, zou in het tweede millennium steeds meer van zijn wapens moeten inleveren.

Het is juist deze uiteindelijke mislukking van ‘het grote christelijk project’ die een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de vorming van het huidige Europa. Anders gesteld: de belangrijkste verdienste van het christendom is geweest dat het zich uiteindelijk niet ten volle heeft kunnen realiseren en daardoor een verbrokkeld, in plaats van een verenigd, Europa heeft achtergelaten. Uiteraard roept dat de vraag op wat daar dan precies positief aan was. Wat hield deze succesvolle mislukking concreet in?

***

Door welk noodlot komt het toch dat, terwijl er door wiskundigen nooit wordt gestreden over de beginselen van hun wetenschap, ‘het boek dat aan de christenen geopenbaard is en de basis van hun geloof vormt, onbegrijpelijk is en aanleiding geeft tot vele twisten die al zo vaak de aarde met bloed bevlekt hebben?’ Deze passage uit Le christianisme dévoilé (1766) van baron d’Holbach laat goed zien welk proces in gang werd gezet door de ‘succesvolle mislukking’ die het christendom in de loop van het tweede millennium is geworden: als religieus systeem moest het een langzame en pijnlijke ‘ontmanteling’ accepteren, maar tegelijkertijd maakte het daarmee de weg vrij voor een fase van geestelijke bevrijding. Anders gezegd: door te ‘mislukken’ gaf het Europa de gelegenheid te ‘slagen’.

Hoewel de tegenslagen alle een zekere bijdrage hebben geleverd aan de uiteindelijke verzwakking van het christendom lijkt er één van bepalend belang te zijn geweest: de botsing met de wereldlijke machten. Doordat de strijd werd aangegaan met onwelgevallige vorsten en keizers ontstond er een krachtenveld dat voortdurend in beweging was. De vanzelfsprekende verbinding tussen spirituele en temporele macht ging hiermee verloren. De daaropvolgende interne conflicten versnelden deze verbrokkeling. De universele ambities van het christendom konden daardoor niet worden waargemaakt: Europa werd een continent van strijdende kerken en strijdende staten.

Het was juist deze mislukking die onverwacht gunstig zou uitpakken voor de verdere ontwikkeling van Europa: het pad naar een monolithische theocratie raakte onbegaanbaar en wat overbleef was de weg van verscheidenheid en concurrentie. De diversiteit was niet alleen religieus of staatkundig van aard, maar ook cultureel en mentaal. Paradoxaal genoeg, bleek hierin juist de kracht van het continent te liggen. Zo verrezen er in Noord-Europa verschillende vrijhavens waar een ruime(re) mate van uitingsvrijheid gold. Door het bestaan van dergelijke wijkplaatsen voor censuur en repressie konden op ‘de marktplaats der ideeën’ steeds meer stallen worden opgebouwd. Het obscurantisme en de intellectuele verstikking die nu eenmaal met religieus imperialisme gepaard plegen te gaan, kwamen in Europa in toenemende mate bloot te staan aan kritiek.

De zojuist geciteerde passage van d’Holbach is tekenend voor deze tendens: doordat de christelijke leer zijn onaantastbaarheid begon te verliezen, kon het vrije, kritische denken zijn opmars inzetten. Hiermee zou geleidelijk een geestelijk klimaat ontstaan dat gekenmerkt wordt door methodische twijfel en scepsis. In plaats van dogmatiek werd juist de twist en het gezonde wantrouwen een typerende trek van het intellectuele discours. Europa ontwikkelde zich daarmee tevens tot het continent van de ironie, van het niet-letterlijk nemen, van de dubbele bodems, maar ook van de eindeloze zelfreflectie en zelfrelativering. Of, nog sterker gesteld: het werd een imaginair continent, een lieu de la parole: een ‘gespreksruimte’ die zich niet laat afbakenen. Een plek in voortdurende strijd met zichzelf, een mengeling van Kultur en civilisation, van Germaanse en Romaanse elementen, van zelfbewust kolonialisme en nederig relativisme, van tegenstellingen, kortom een toren van Babel.

Daarmee bewandelde Europa een andere weg dan de grote rijken in het nabije en verre Oosten. Het door de keizer en mandarijnen bestuurde China slaagde er lange tijd in om de staatkundige, culturele en maatschappelijke orde streng te bewaken. Hoewel van een dergelijke eenheid en continuïteit misschien een bepaalde verlokking mag uitgaan, is het gevaar van verstarring levensgroot. Onder de Qing-dynastie (1644-1912) verzonk het land in een diepe introversie die het uiteindelijk zeer kwetsbaar zou maken. Door geen acht te slaan op belangrijke technologische en geopolitieke ontwikkelingen elders in de wereld werd China een gemakkelijke prooi voor de koloniale mogendheden van de negentiende eeuw. Wat moest doorgaan voor behoud was in feite niet meer dan een sluipend proces van fossilisatie.

Een nog pregnanter voorbeeld van een ‘tragisch succes’ vormt de islamitische wereld. Wat het christendom uiteindelijk niet lukte in Europa lukte de islam wel in grote delen van het nabije Oosten: het geestelijk gezag heeft in veel gevallen zijn krachten weten te bundelen met de wereldlijke machten waardoor de religieuze suprematie goeddeels ongebroken bleef. De ‘ontwapening’ van de godsdienst, die in Europa de aanzet gaf tot een periode van geestelijke en wetenschappelijke bloei, heeft derhalve nooit plaatsgevonden. De gevolgen daarvan worden gevoeld tot op de dag van vandaag.

Dit ‘tragische succes’ werd in 2003 door de Verenigde Naties met cijfers aanschouwelijk gemaakt in het jaarlijkse Arab Human Development Report: in het afgelopen millennium zijn er evenveel boeken naar het Arabisch vertaald (namelijk tienduizend) als er gemiddeld in één jaar in Spanje naar het Spaans vertaald worden. En als men kijkt naar het jaarlijks aantal publicaties per hoofd van de eigen bevolking overtreft Spanje de Arabische wereld met een factor tweehonderd.

Er is dus volop reden om ons gelukkig te prijzen met het christendom. Door de bijzondere curve van zijn geschiedenis is het de ideale tegenstander gebleken: lange tijd was het hardnekkig genoeg om latere (werkelijk ‘succesvolle’) religies te weren, maar uiteindelijk bleek het te zwak om de geestelijke verlichting op ons continent te smoren. Sterker nog, door strijd en verbrokkeling te veroorzaken heeft het ongewild een bijdrage geleverd aan deze periode van intellectuele bloei.

Men zou hiertegen kunnen inbrengen dat verdeeldheid, of zachter uitgedrukt ‘diversiteit’, misschien de marktplaats der ideeën kan verrijken, maar dat vanuit een economisch perspectief staatkundige integratie altijd de voorkeur verdient. Het is echter maar zeer de vraag of deze aanname juist is. Wat voor ideeën en theorieën geldt, blijkt in belangrijke mate ook voor commerciële activiteit te gelden: verbrokkeling en de daarmee samenhangende concurrentie hebben doorgaans een aanjagend effect. En verrassend mag dat misschien niet eens heten. Wanneer steden, regio’s of landen elkaar de loef proberen af te steken op economisch en innovatief gebied leidt dat haast vanzelf tot de drang om te experimenteren: welke bestuurlijke en juridische inrichtingen zijn economisch het meest succesvol? Met welk beleid, welke regelingen en welke onderwijsvormen wordt talent gecreëerd en aangetrokken? De versnippering van Europa bleek ook hier als een motor te fungeren. De historica Patricia Crone voert de redenering zelfs wat verder: als Europa niet uiteen was gevallen, was het een pre-industriële samenleving gebleven.

Zelfvertrouwen kan alleen worden herwonnen wanneer we doorzien dat Europa niet aan een kwaal lijdt
***

De vraag welk effect de huidige zwakte van het christendom heeft op de Europese cultuur wordt hierdoor gemakkelijker te beantwoorden. Namelijk: weinig tot geen. De verdienste van het christendom ligt in het verleden en dan voornamelijk in het feit dat het zijn eigen doelstellingen niet heeft weten te verwezenlijken. Het idee dat de gemiddelde Europeaan nog steeds op de kerk is aangewezen (of aangewezen zou moeten zijn) voor spirituele of morele houvast is inmiddels begraven onder het stof van de geschiedenis. Zelfs onder de slinkende populatie christenen lijkt men zich steeds minder te herkennen in de officiële doctrine(s). De letterlijkheid van het Woord en de algehele verbodscultuur – onder meer tot uitdrukking gebracht in de rigide afwijzing van voorhuwelijkse relaties, voorbehoedmiddelen of homoseksualiteit – voeren een achterhoedegevecht met de moderniteit. In combinatie met de door schandalen afkalvende autoriteit van de geestelijkheid wordt de christelijke leer steeds onwaarschijnlijker in zijn rol als ‘drager’ van de Europese culturele identiteit.

Uiteraard dient zich dan haast vanzelf de vervolgvraag aan: als het christendom deze rol niet, of niet langer, vervult, wat is er dan precies voor in de plaats gekomen? Zoals gezegd, zijn dergelijke culturele duidingen vrijwel altijd gedoemd om simplificaties te worden. Uiteenlopende termen die in dit verband toch vaak genoemd worden, zoals ‘individualisme’, ‘consumentisme’, ‘globalisering’, ‘ietsisme’ et cetera, bewijzen dat complexe processen vaak niet in enkele woorden te typeren zijn. De vraag is echter: waarom zou de Europese cultuur noodzakelijkerwijs moeten worden teruggebracht tot een overkoepelende doctrine, religie of waardensysteem? Juist het continent dat zich heeft weten te onderscheiden en ontwikkelen door diversiteit zou deze vraag met trots onbeantwoord moeten kunnen laten. Waar grote delen van de wereld zuchten onder politieke of religieuze dogma’s zou Europa zich gelukkig moeten prijzen dat het zijn zekerheden verloren heeft.

Niettemin is de stemming op ons continent eerder rusteloos. Geheel verwonderlijk is dat overigens niet: voor een deel komt het voort uit de vertrouwde neiging tot ironie en zelfreflectie. Wanneer niets heilig en niets absoluut is, blijft de mens veroordeeld tot zoeken. Zie daar de Europeaan. Toch is daar niet alles mee gezegd. De verwarring lijkt de afgelopen decennia te zijn toegenomen en bovendien (deels) een ander karakter te hebben gekregen. Wat is er gebeurd dat de Europese identiteit, voorzover hiervan gesproken kan worden, geleidelijk een punt van zorg, zelfs een obsessie is geworden? >

In het geval van ‘de’ Europese culturele identiteit zou men kunnen stellen dat de perceptie dat er een gebrek was pas is ontstaan toen er pogingen werden ondernomen om het te repareren. Of, minder abstract geformuleerd: lang hebben de Europeanen zich nauwelijks bekommerd om de vraag of en op welke manier zij onderling verbonden waren; pas toen actief geprobeerd werd om een gevoel van gemeenschappelijkheid aan te kweken, zijn de existentiële zorgen opgekomen: wat is Europa precies? Bestaat er een gedeelde identiteit en wat zijn dan de grondslagen ervan? En welke toekomst wacht ons als we niet eens in staat zijn onszelf te definiëren?

Het huidige Europese integratieproject biedt antwoorden op al deze wezensvragen, zij het dat ze de bevolking nauwelijks kunnen overtuigen. De afgelopen decennia is met pijn en moeite geprobeerd om de uniestructuur te presenteren als zowel een natuurlijke als een noodzakelijke stap in de ideologische en economische ontwikkeling van het continent. Of, zoals het in 2004 weggestemde grondwettelijk verdrag van de Europese Unie het formuleerde: ‘dat Europa, “In verscheidenheid verenigd”, de volkeren de beste kansen biedt om, onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming die van Europa bij uitstek een ruimte maakt waar mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties’.

Om deze boodschap visuele en emotionele kracht bij te zetten, is in de loop van de tijd een reeks van symbolen ontwikkeld: een vlag, een speciale dag, een volkslied en het hierboven genoemde motto In varietate concordia. Daarnaast is ook de organisatorische structuur van de EU in de loop der jaren steeds meer vormgegeven naar nationaal model: er kwam een rechtstreeks gekozen parlement (sinds 1979), een hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken (sinds 1999), een ‘president’ (sinds 2009) en uiteraard een eigen munt.

Het enthousiasme bleek echter niet gewekt te kunnen worden. De opkomst bij Europese verkiezingen is laag, Europa-dag (op 9 mei) wordt nauwelijks gevierd, personen als Catherine Ashton en Herman Van Rompuy blijven voor velen onbekende of ongeliefde gezichten en het euro-project moest gered worden door de Europese Centrale Bank. Over de mogelijkheid om, haast op alchemistische wijze, eenheid uit verscheidenheid te creëren, beginnen ernstige twijfels te rijzen.

Als de huidige verwarring niet zozeer een uitvloeisel van de ontkerstening is, zou het dan misschien kunnen samenhangen met het Europese integratieproject? Zou het niet zo kunnen zijn dat het gevoel van onbehagen voortkomt uit, enerzijds, de belofte van een verenigd en zelfbewust continent en, anderzijds, de onmogelijkheid om die in te lossen?

De huidige Europese symboliek doet hierdoor steeds meer denken aan een bijzondere episode in de Franse Revolutie. Toen het christelijk geloof in 1793 feitelijk in de ban werd gedaan, ontstond er een spiritueel vacuüm. Robespierre, de belangrijkste revolutionaire voorman, meende dat deze leegte opgevuld diende te worden. Daartoe ontwikkelde hij de zogeheten ‘cultus van het opperwezen’. In deze religie vermengde hij diverse traditionele elementen, zoals het geloof in een god en de onsterfelijkheid van de menselijke ziel, met een politieke ideologie waarin waarden als vrijheid en democratie centraal stonden. Op 8 juni 1794 werd de nieuwe cultus feestelijk geïnaugureerd aan de rand van de Tuilerieën in Parijs waar een groot piramidevormig monster was gebouwd, het Atheïsme, dat ritueel in brand werd gestoken om zo Vrouwe Wijsheid te bevrijden. Daarna vond er een feestelijke optocht plaats naar het Champ-de-Mars waar op een hoge zuil een beeld van het opperwezen stond waaromheen het volk een eed kon afleggen. Robespierre hoopte op deze manier een nieuwe burgerlijke en morele eenheid te creëren in het postrevolutionaire Frankrijk.

Het pakte geheel anders uit. De cultus van het opperwezen bleek geen wortel te willen schieten: al tijdens de plechtige mars werd er luid gesproken, gelachen en opzettelijk naast de maat gelopen. De potsierlijke nieuwe staatsgodsdienst zou het begin inluiden van een breed verzet tegen Robespierre. Nog geen twee maanden later eindigde hij onder de guillotine.

Net als in het Frankrijk van de Revolutie lijkt ook tegenwoordig een ideologisch of religieus vacuüm zich niet eenvoudig te laten opvullen. Sterker nog, de taak is waarschijnlijk alleen maar lastiger geworden. Waar de uitbanning van het christendom bij veel achttiende-eeuwers nog een zekere spirituele leegte moet hebben achtergelaten, kan dat van de huidige generatie nauwelijks meer gezegd worden. Kortom: Robespierre’s cultus van het opperwezen had wellicht nog in een bepaalde behoefte kunnen voorzien, maar de cultus van een verenigd Europa lijkt eerder een oplossing voor een probleem dat door de bevolking niet werkelijk gevoeld wordt.

Wat de situatie nog complexer heeft gemaakt, is dat de ‘oplossing’ bovendien een gebrekkige bleek te zijn. Het Europese project is er onvoldoende in geslaagd om draagvlak te vinden voor zijn snel groeiende omvang. Hierdoor ontbreekt niet alleen de vereiste steun, maar ziet het zich zelfs geconfronteerd met scepsis en aversie; het immense construct begint te wankelen. Het besef dat ‘de grootse onderneming’ in zwaar weer terecht is gekomen, leidt op zijn beurt weer tot een diabolisch zelfonderzoek waarin niet alleen de oplossing uit zicht is geraakt, maar vooral het oorspronkelijke probleem. Hoe zijn we ook alweer in deze identiteitscrisis verzeild geraakt? Wanneer hebben we precies het vertrouwen in onze eigen cultuur verloren?

De teloorgang van het christendom kan niet als verklaring gelden. Het tegenovergestelde bleek het geval te zijn: juist het christendom heeft Europa de verbrokkeling bezorgd die, terugblikkend, een ‘constructieve destructie’ genoemd kon worden. Europa bleek te floreren in het experiment, de ironie, de twijfel en de diversiteit die ontstonden op de puinhopen van het christendom. Of, met een ecologische metafoor, ons continent gedijde als ‘polycultuur’.

Het is pas later gekomen, voornamelijk toen het Europese project aan vaart begon te winnen, dat de perceptie geleidelijk veranderde. De verbrokkeling die de afgelopen eeuwen functioneerde als een drijvende kracht werd steeds meer gezien als een onvolkomenheid die, met vereende wil, verholpen kon worden. Hiermee heeft Europa zichzelf een bijzonder soort misdiagnose gesteld: eerst heeft het zijn eigen verscheidenheid ten onrechte als een kwaal aangemerkt om vervolgens de hoop te vestigen op een medicijn (in de vorm van steeds verdere integratie) dat niet verdragen blijkt te worden. Het is dit onzalige behandeltraject dat tot een groeiend gevoel van onbehagen, of zelfs van crisis, heeft geleid. In plaats van te discussiëren over de juiste dosering zou de patiënt zich dus beter kunnen afvragen waarvan hij eigenlijk probeert te genezen.

***

De kern van de huidige identiteitscrisis ligt dus niet in de teloorgang van de Europese cultuur, maar juist in de verwrongen Europese zelfperceptie. Het herwinnen van (zelf)vertrouwen is daarmee een abstracte opdracht geworden. Dat wil zeggen: het kan niet worden bereikt door de Europese integratie nog sneller door te zetten, door harder met de blauwe vlag te zwaaien of door ‘het gemeenschappelijke verhaal’ luider te verkondigen. De uitweg ligt ook niet in aansporingen om ‘een voorbeeld te nemen aan de moslims’ en het geloof weer een centrale positie in de samenleving te geven. Integendeel. Zelfvertrouwen kan alleen worden herwonnen wanneer we doorzien dat Europa niet aan een kwaal lijdt, maar juist aan het middel dat het zichzelf heeft voorgeschreven. Niet het gebrek aan een gemeenschappelijke zelfdefinitie is het probleem, maar juist de recente obsessie om deze te vinden.

De oplossing ligt daarom niet in het welslagen van ‘een grootse onderneming’, maar in het besef dat Europa ook de mislukking daarvan te boven kan komen. Sterker: dat het succes van ons continent juist in de mislukking van grootse ondernemingen schuilt. Europa mag dus optimistisch zijn: spontane genezing is mogelijk. Al komt deze niet door te vertrouwen in de christelijke of Europese heilsbelofte, maar door in te zien dat de kwaal, evenzeer als de genezing, denkbeeldig was.


Lodewijk Pessers studeerde rechten en Italiaans aan de UvA. Momenteel schrijft hij een proefschrift op het gebied van octrooirecht