De suggestie van stijl

HANNAH BUENTING
HONDERD WOORDEN VOOR GRIJS
Querido, 207 blz., € 18,95

KATINKA VAN DER KOOIJ
ZONDER UITGANG
Prometheus, 160 blz., € 16,95

Stijl is iets persoonlijks en kan niet met geweld, bloed en zweet worden afgedwongen. Het moet van binnenuit groeien. Toen meesterstilisten als Nabokov, Pynchon, Brusselmans of Bernlef begonnen met schrijven zullen ze niet van meet af aan hebben geweten hoe hun proza eruit zou komen te zien. Hun schrijven evolueerde totdat ze zich een stijl eigen hadden gemaakt.
Natuurlijk is stijl slechts een instrument van de schrijver, maar wel een van de instrumenten die het moeilijkst zijn om te vergaren. En omdat het de uitkomst van een langdurig proces is, kun je er vergif op innemen dat de jeugdige schrijver het nog niet in zijn toolbox heeft. Maar dat betekent nog niet dat hij geen poging hoeft te doen om mooi te schrijven. Bij zowel de uitreiking van de laatste Selexyz Debutantenprijs als de Anton Wachterprijs beklaagden de jury’s zich erover dat de Nederlandse debutant zich vrijwel uitsluitend van korte, staccato zinnen bedient, zozeer dat hij bang lijkt te zijn voor de komma.
Zo gek is dat niet, want zo’n korte stijl is de gemakkelijkste, minst risicovolle manier voor een beginnende schrijver om zichzelf een soort van onalledaags taalgebruik aan te meten. Het geeft houvast bij het schrijven, en zolang je de zinnen maar kort genoeg maakt lijkt het vanzelf gestileerd. En bovendien, in de handen van een meester kan staccato geweldig zijn. De kunst is dat de schrijver de zinnen afschaaft totdat alleen een kern overblijft; alle zijstapjes, alle extra informatie laat hij weg, zodat de lezer constant het gevoel krijgt dat hij iets achterhoudt, wat weer suspense (of droge humor) oplevert. Hemingway kon dit, Cormac McCarthy, Bernlef. Een ultieme winst uit zo weinig mogelijk woorden halen.
Wanneer een mindere god zich ervan bedient blijft er van die winst weinig over – als hij niet de discipline heeft om het proza tot het bot af te schaven, dan wordt het al snel een monotone opsomming, droog maar zonder humor. In plaats van dat het je het verhaal in zuigt, stoot het af. Hannah Buenting (1984) heeft hier in haar debuutroman Honderd woorden voor grijs last van. In staccato vertelt ze ongelooflijk veel over haar hoofdpersoon en haar leven: ‘Ik ga terug naar mijn kamer en doe mascara op mijn wimpers. De eerste keer dat ik make-up gebruikte was ook in een hotel. Mijn moeder was beneden. Iedereen was beneden. Ik was een jaar of vier. De mannen praatten heel hard. De vrouwen zongen. Ik mocht niet meedoen. Ik moest naar bed.’ De zinnen zijn kort en feitelijk, alsof het steeds een statement is – maar dat is het niet, het is een waterval van trivialiteiten. Dat is jammer, want Honderd woorden voor grijs is een goed uitgewerkt verhaal over een meisje (Teun) dat weggaat bij haar depressieve vriendje (Vos) en op een wandelvakantie voor oude mensen belandt. Buenting belicht het liefdesverdriet van Teun van alle kanten, het boek is somberder dan de wat gezocht ludieke uitgangssituatie doet verwachten, maar daardoor ook gewichtiger. Zeker als na honderd-en-wat bladzijden Buenting wat meer ontspannen gaat schrijven kun je een bepaalde empathie voor Teun niet onderdrukken.
Enfin, je bent debutant en je wilt wat. Hoe los je het niet-hebben van een eigen stem op? Door gewoon te schrijven, niet doen alsof, niet proberen je een stijl aan te meten die je (nog) niet beheerst, maar gewoon schrijven. Katinka van der Kooij (1981) doet dat in haar debuut, de verhalenbundel Zonder uitgang, en dat werkt. Meteen het eerste verhaal is raak; een ambtenaar bedenkt een waanzinnig idee om duivenoverlast tegen te gaan, zo waanzinnig dat hij ervan overtuigd is dat z’n baas niets anders kan dan hem ontslaan en eindelijk, heerlijk, met prepensioen sturen. Als hij het eenmaal presenteert is zijn baas totaal verkocht – ‘dit is presentable as hell!’ – en voor je het weet staat zijn baas aan een tv-ploeg uit te leggen hoe er een enorme metallic duiventil op De Bijenkorf geplaatst moet worden, waar de duiven wel in kunnen, maar niet uit. Zoals de duiven vastzitten in hun til, zo zit de ambtenaar vast in zijn baan, en zo zitten de meeste personages in de bundel vast in hun leven. De symboliek ligt er wat dik op, maar door het niet-gekunstelde schrijven komt de humor aan.
Als je ze naast elkaar houdt heeft Zonder uitgang minder ambitie dan Honderd woorden voor grijs; het zijn twaalf verhaaltjes van meestal nog geen vijftien bladzijden. De lange adem van de auteur wordt niet getest. Het blijven mini-verhaaltjes, de personages zijn passanten. De schrijver becommentarieert van afstand. En daarin schuilt dan toch de meerwaarde van Honderd woorden voor grijs: ondanks de onhandige stijl krijgt Buenting je wel mee met Teun, wat altijd een moeilijkere opgave is. In de laatste paar dozijn bladzijden werkt Buenting heel oprecht de emotionele instorting van Teun uit. Maar om daar te komen moet je als lezer eerst flink wat geduld tonen.