DE NALATENSCHAP VAN GEORGE W. BUSH

De Super man van de brink

Acht jaren George Bush waren acht jaren van verstommende simpelheid. De vertrekkende president laat twee oorlogen achter én een economische crisis. H.J.A. Hofland zwaait zijn liefste vijand uit.

OP 20 JANUARI wordt dit mislukte presidentschap eindelijk afgesloten. De erfenis van George Walker Bush bestaat uit de volgende onderdelen: 1. twee onafgemaakte oorlogen waarvan hij dacht dat ze gewonnen waren; 2. het uitzichtloze conflict tussen Israël en de Palestijnen waarmee hij zich niet wilde bemoeien; 3. Pakistan als kernmacht op de rand van chaos waarvan hij geloofde dat zijn vriend Musharraf er wel raad mee zou weten; 4. het probleem van het klimaat dat volgens hem niet bestond; 5. de economische crisis die hij met grote belastingverlagingen wilde voorkomen; 6. een rechtspleging die het aanzien van Amerika zwaar heeft beschadigd; 7. feitelijke opheffing van de diplomatie waardoor het Atlantisch bondgenootschap ernstig is aangetast; 8. in het publieke debat een sfeer van anti-intellectualisme, een primaat van demagogie waardoor de zakelijke discussie consequent werd gesmoord; 9. een begrotingstekort van bijna tien biljard (een 1 met dertien nullen); 10. een grondige aantasting van de Republikeinse Partij, die onder zijn leiderschap met het compassionate conservatism een duurzame meerderheid in de Amerikaanse politiek had moeten vestigen; 11. de relatieve achteruitgang van de Amerikaanse macht en daarmee het aanzien en gezag in de wereldpolitiek in plaats van de bevestiging van Amerika als enige supermacht.
De acht jaar dat Bush president is geweest, vormen een nationale tragedie. Voor deze lijst van mislukkingen die misschien meer dan honderdduizend mensen het leven hebben gekost en waardoor een onbecijferbare materiële schade is aangericht, is niet alleen hij verantwoordelijk. Voortdurend had hij zijn medeplichtigen, vaak werd hij geholpen door een samenloop van omstandigheden. Maar altijd heeft hij de laatste verantwoordelijkheid gedragen en altijd met een blinde zelfoverschatting en een vertoon van triomfalisme.
Hadden hij en zijn vrienden beter kunnen weten? Zeker! In de loop van zijn twee ambtstermijnen is een bibliotheek volgeschreven met boeken, artikelen en columns waarin door ter zake deskundigen is uitgelegd hoe ernstig zijn bewind op de verkeerde weg was. En altijd werd de kritiek genegeerd. Bob Woodward heeft er de beste diagnose voor gevonden: State of denial. Wat in het Washington van Bush niet welkom was, werd genegeerd of bewust ontkend. Onbezorgd en zegepralend ging het gezelschap verder op de catastrofale weg. Hoe is het zo gekomen?

Misschien moeten we het begin van de tragedie nog tijdens het bewind van Bill Clinton zoeken. Nadat in 1998 via het Drudge Report, een website, was uitgelekt dat de president een geheime verhouding met Monica Lewinsky had, maakten de conservatieve media, in het bijzonder de kranten en het televisiestation FOX News zich van het nieuws meester en bouwden het om tot een nationaal schandaal. Playboy en The Hustler zijn Amerikaanse creaties, maar een groot deel van het volk denkt en oordeelt christelijk en ultraconservatief. Met de verkiezingsstrijd in het vooruitzicht slaagden de Republikeinen erin een commissie te benoemen die onder leiding van de speciale aanklager Kenneth Starr een onderzoek begon naar de strapatsen van de president. Bij wat er destijds in de Oval Office is gebeurd, is er niets gestolen, niemand gewond of gesneuveld. Maar de grondigheid waarmee Starr zijn onderzoek uitvoerde, was grenzeloos. Je zou willen dat de acht jaren van Bush aan zo’n studie worden onderworpen. Clinton ontliep het impeachment, maar aan de Democraten was grote politieke schade toegebracht.
Toch slaagden in 1999 de Republikeinen met George Bush als kandidaat er niet in de verkiezingen te winnen. In verscheidene staten haperden de stemmachines. In Florida werd een paar keer tot een hertelling besloten. De uitslag liet op zich wachten. Moest er opnieuw worden gestemd? Daarvoor was een besluit van het Hooggerechtshof nodig. Dit was van mening dat daarvoor geen tijd meer was. Een conservatieve meerderheid van de zeven rechters benoemde W. tot de nieuwe president, hoewel de meerderheid van de popular vote, het landelijk totaal, voor Al Gore had gekozen. Maar in de Verenigde Staten geldt het systeem van de kiesmannen die de afzonderlijke staten vertegenwoordigen.
De politicoloog James K. Galbraith schreef dat in Amerika een nieuw soort democratie was uitgevonden, de corporate democracy. Net als in grote concerns wordt de top van het management benoemd door de raad van bestuur, en dan benoemt het management weer de leden van de raad. Een politiek perpetuum mobile. In The Nation verscheen een artikel van de jurist Vincent Bugliosi, ‘None Dare to Call It Treason’. Verraad was het wel, aan de grondwet. Twee dagen na de inauguratie van Bush hield zijn minister van Justitie John Ashcroft een redevoering waarin hij aankondigde dat de waardigheid en het fatsoen in de Amerikaanse politiek waren teruggekeerd.

In zijn eerste honderd dagen als president heeft Bush ondubbelzinnig bevestigd dat hij in zijn campagne geen loze beloften had gedaan. Amerika verliet het klimaatverdrag van Kyoto, er werden nieuwe plannen gemaakt voor het rakettenschild dat Amerika onkwetsbaar zou maken, er werd een lijst opgesteld van staten die moreel niet deugden, de As van het Kwaad. Met No Child Left Behind werd het onderwijsprogramma vernieuwd. De nieuwe president bleef geloven in de heilzaamheid van de doodstraf. En verder kondigde hij een enorme belastingverlaging aan, die vooral in het voordeel van de hogere inkomens zou werken. Al met al was het een ultraconservatieve en vooral Amerikaanse agenda. De Democratische meerderheid van de kiezers was vergeten. Bush gedroeg zich alsof hij bij nationale acclamatie was gekozen.
Theoretisch, bij wijze van gedachtespel, zou je je kunnen afvragen hoe het verder met zijn bewind was gegaan als hij geen Osama bin Laden en Mohammed Atta op zijn weg had gevonden. Hadden we dan geen Afghanistan en Irak gehad? Zou hij zich intensiever met het Israëlisch-Palestijnse conflict hebben bemoeid? Ik denk het niet. In wezen is Bush een isolationist die Amerika tot een onneembare, een onkwetsbare en tegelijkertijd christelijk-conservatieve natie wilde maken. Dat doel komt overeen met zijn persoonlijke instelling, die van een reborn Christian uit Texas. Op 11 september 2001 heeft hij misschien beseft dat dit doel niet onmiddellijk bereikbaar was. Het alternatief was de hervorming van de wereld naar het Amerikaanse model volgens Bush.
In zijn eerste jaar als president had hij een onverholen afkeer van nation building. Na 9/11 is hij op zijn manier tot de radicaalste nation builder geworden. Maar Bush een revolutionair? Er zijn politicologen die dit hebben gedacht. Ja, een revolutionair als een uit zijn krachten gegroeide dorpeling, de Superman van de brink die zijn filosofie aan de hele wereld wil opleggen.
De aanval op het World Trade Center en het Pentagon leek alles te veranderen. Het terrorisme was binnen de grenzen verschenen. Na enige verwarring, die Michael Moore later in zijn film Fahrenheit 911 gebruikte, verscheen de president zelf op de puinhopen en kondigde hij de lange oorlog tegen de terroristen aan. De Europese bondgenoten die met toenemende reserve hadden gezien hoe het unilateralisme zich ontwikkelde, maakten weer één front met Amerika. ‘Nous tous sommes des Américains’, schreef Le Monde en heel West-Europa was het ermee eens. Bush gaf er een andere uitleg aan: ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons.’ Dat werd de Bush Doctrine.
Al-Qaeda werd ontmaskerd als de organisatie die achter de aanslag zat. Osama bin Laden, de leider, hield zich schuil in het Tora Bora Gebergte in Afghanistan. In het najaar van 2001 begon de Amerikaanse aanval. Bin Laden werd niet gevangen, maar wel werden de Taliban verslagen en werd Kaboel bevrijd. De populariteit van de president steeg tot 80, 85 procent. Hij had een onvergelijkelijk groot politiek kapitaal en hij verzekerde dat hij het zou gebruiken.

Was de oorlog in Afghanistan met een overwinning geëindigd? Dat werd niet duidelijk. Maar in 2002 verschoof de aandacht van de buitenlandse politiek geleidelijk van Afghanistan naar Irak. Daaraan lag een systematische campagne ten grondslag. De politieke filosofie waardoor Bush zich liet leiden was die van de neoconservatieven; in Bush’ onmiddellijke omgeving Dick Cheney, vice-president, Paul Wolfowitz, onderminister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, adviseur voor nationale veiligheid, Donald Rumsfeld, Defensie en nog een aantal theoretici die ervan overtuigd waren dat The New American Century was aangebroken. Voor het Midden-Oosten hadden de neo’s een stoutmoedig plan ontwikkeld, een deltaplan zouden we het hier noemen. Eén islamitische natie zou in hoog tempo moeten worden gedemocratiseerd en tot welvaart gebracht. Een lichtend baken in de regio dat de andere landen ertoe zou brengen dit voorbeeld te volgen.
Het eerste land dat voor de hervorming in aanmerking kwam, was het Irak van Saddam Hoessein. Dat lag voor de hand. Na de verloren oorlog in 1991 had de dictator zich niet gereclasseerd, hij was in de internationale politiek een lastpak gebleven en moest met periodieke bombardementen in bedwang worden gehouden. Bovendien meldden de Amerikaanse en Britse geheime diensten dat hij aan massavernietigingswapens werkte. En ten slotte zou Irak nadat Saddam was afgezet de wederopbouw zelf kunnen betalen van de revenuen uit de olie. Het was een visie van verstommende simpelheid. Bush en zijn neo’s hielden zich ervan overtuigd dat ze hiermee de toegang tot een veiliger wereld hadden gevonden. Er werd een campagne tegen Saddam ontketend waarvan in de loop van 2002 duidelijk werd dat die in een oorlog zou eindigen. Een ‘walk over’ zoals Rumsfeld verzekerde.
In welke mate Bush zich tot een radicale unilateralist had ontwikkeld, werd in de laatste maanden voor de aanval steeds duidelijker. In welke mate zijn propagandamachine georganiseerd was, weten we nog niet (en de historici zullen het moeilijk krijgen, want waarschijnlijk is een groot deel van de documenten verdwenen), maar zijn doctrine werd naadloos in praktijk gebracht. Wie niet voor ons is, is tegen ons. Wie twijfelde aan het bestaan van de massavernietigingswapens, aan een goede afloop van de oorlog überhaupt, werd door de trouwe medestanders van de president als lafaard, Europeaan van Venus, stinkende Franse kaaseter of kortweg als vriend van Saddam beschouwd. De wapeninspecteurs van de Verenigde Naties onder leiding van Hans Blix meldden trage voortgang, maar het was al ruimschoots te laat. Met het bombardement van shock and awe begon de oorlog.
In de eerste maanden werden grote successen behaald, onvermijdelijk, want het Iraakse leger was niet tegen de organisatie van de Amerikaanse en Britse strijdkrachten opgewassen. De standbeelden van Saddam werden omver getrokken, bevrijde Irakezen juichten telegeniek voor de camera’s. En dan is het tekenend voor de persoonlijkheid van de president dat hij ‘the end of major operations’ aankondigde terwijl de catastrofe van de eigenlijke oorlog nog moest beginnen. Nog ernstiger: in een pilotenpak, op het vliegdekschip Abraham Lincoln. Een man die geen enkele ervaring met een echte oorlog had en heeft; geen flauw idee van wat het betekent als je wordt gebombardeerd of als er op je wordt geschoten met de bedoeling je te doden. Nu komt het allertreurigste: deze week heeft Bush in zijn laatste persconferentie gezegd dat hij toen de zege wat voorbarig had uitgeroepen. En dat het nog lang niet zeker is of Irak wel een echte democratie zal worden.
Alle opgediste rechtvaardigingen voor de oorlog bleken vals te zijn. Er waren geen massavernietigingswapens, geen banden met al-Qaeda, Irak had geen poging gedaan om in Niger uranium te kopen. Wel staat vast dat honderdduizend Irakezen het leven hebben gelaten – of meer, ze kunnen niet nauwkeurig worden geteld – en dat er bijna 4500 Amerikaanse soldaten zijn gesneuveld. Bush en de zijnen hadden kunnen weten aan welk avontuur ze op 21 maart 2003 begonnen. Met een onnozel optimisme hebben ze zich erin gestort.
Vorig jaar heeft Vincent Bugliosi een boek gepubliceerd, The Prosecution of George W. Bush for Murder (De vervolging van George W. Bush wegens moord). Ik ben het ermee eens. Als je een speciale commissie tot in details laat onderzoeken hoe Bill Clinton overspel heeft gepleegd in de Oval Office, dan ben je verplicht W. voor de rechter te dagen voor de noodlottige fouten die hij heeft gemaakt terwijl hij aanmerkelijk beter had kunnen weten.

Amerika komt gehavend uit acht jaar Bush te voorschijn. In 1987 heeft de Britse historicus Paul Kennedy een boek gepubliceerd, The Rise and Fall of the Great Powers, waarin hij, kort gezegd, uitlegt hoe wereldmachten in verval raken: door ‘imperial overstretch’. Ze raken zo diep verstrikt in hun imperiale verplichtingen dat het moederland het niet meer kan betalen. Het Amerika dat Bush achterlaat, is een voorbeeld van overstretch. Obama erft twee oorlogen en een economische crisis, en de erflater maakt zich er met een paar mislukte grapjes van af.