De taal als lustobject

WAT KAN ER gebeuren met een kind dat op tweejarige leeftijd zijn moeder verliest, doodziek wordt, in een adoptiegezin terechtkomt en een nieuwe naam krijgt? Hij valt stil, jarenlang. Maar waarom precies?

Deze vragen vormen de essentie van het veelgeprezen maar weinig gelezen oeuvre van Harold Brodkey (1930-1996). In zijn Grote Amerikaanse roman The Runaway Soul (1991) rafelt hij de cruciale momenten van verlies - de dood van de moeder, kindermishandeling, seksueel misbruik door de stiefvader als die stervende is - uiteen. Daar waar zijn alter ego Wiley Silenowicz, geboren als Aaron Stein, met stomheid geslagen is, probeert zijn schepper Brodkey met taal de zwijgende kleuter en ontwakende puber weer tot aanwezigheid te wekken. Wie verdriet heeft, valt uiteen; wie woorden heeft, kan een samenhangend verhaal maken. Aanvankelijk vermijdt het kind Wiley alleen de woorden ‘moeder’ en 'huis’, maar al gauw laat hij alle woorden vallen omdat die minder belangrijk zijn dan de twee hoofdwoorden. 'Alleen al de aanraking met taal verbrandt mijn lippen. In de kern is mijn geheugen het geheugen van falen en afwezigheid. De pijn was zo groot dat die voelde als een steen op mijn borst die mij de adem benam.’ (The Runaway Soul) Het kind is een vluchtende ziel vol gevoelens die niet passen in het traditionele model van grammatica en syntaxis. Wat het denkt en ervaart is niet in woorden te vangen. Toch heeft Harold Brodkey heroïsche pogingen ondernomen dat onzegbare in woorden te vangen. Taal is een kwestie van aanwezigheid, noteert hij in The Runaway Soul. 'Als geadopteerd kind heb ik geen basistaal. Mijn taal is niet ontstaan in de schaduwen van dit gezin. Die is duidelijk gevormd door valsheid en ontleningen - komediespelen vanuit een min of meer goedhartige oprechtheid, komediespelen hoorde bij het gezin…’ NA BRODKEYS DOOD - hij stierf aan aids en heeft over zijn sterven een zeer openhartig journaal (This Wild Darknesss) bijgehouden - zijn er, behalve zijn aidsdagboek, nog twee publicaties verschenen die andermaal bewijzen dat Brodkey zijn leven lang aan één groot boek heeft gewerkt: de roman in vele afleveringen en met talloze essayistische uitweidingen over een kind dat zichzelf door verlies en mishandeling is kwijtgeraakt en dat zich met behulp van taal weer een identiteit wil verschaffen. Eind 1997 verscheen de verhalenbundel The World is the Home of Love and Death, dit voorjaar kwam de essaybundel Sea Battles on Dry Land uit. De essays zijn grotendeels eerder verschenen in The New Yorker, het blad waaraan Brodkey vele jaren lang was verbonden. Als Brodkey schrijft over Marlon Brando, Woody Allen en andere Hollywood-beroemdheden of over de invloed op de Amerikaanse literatuur van krantenman Walter Winchell, heeft hij het op onnadrukkelijke wijze ook over zichzelf en zijn kluizenaarsneigingen, zijn eigen faam en zijn eigenzinnige taalgebruik dat de grenzen van een zin aftast en geen blad voor de mond neemt. De androgyne Brando straalt als filmacteur een superieure 'alleenheid’ uit en voelt zelden liefde voor een ander. Zijn promiscuïteit heeft met zelfverlies, verslaving en vertellen te maken. Brando lijkt louter, al monkelend en mompelend, zichzelf te spelen en slechts te bestaan in een nadrukkelijk hier en nu. Hij celebreert het doorleefde moment en schijnt geen belastend verleden te hebben. Brando heeft Brodkey dingen over mannelijkheid geleerd, over het vanzelfsprekende van androgynie. Naar aanleiding van de 'schandalen’ rond het adoptiegezin van Mia Farrow en haar incestbeschuldigingen tegen Woody Allen schrijft Brodkey over het wijdverbreide verschijnsel van kindermishandeling, dolgedraaide ouders en provocerend gedrag van kinderen. 'Seksualiteit negeren we vaak, maar dat betekent niet dat het er niet is.’ Een geadopteerd kind verlangt naar de regelmaat van een echt thuis. 'Ik denk dat we het contact kwijtraken met de echte kinderwereld omdat de geest later in taal wordt getraind en in denkwijzen die veel van wat er in de kindertijd aan de hand is onzichtbaar maakt.’ De jeugdherinnering is niet zomaar op te roepen door een geur, een scheefliggende stoeptegel waar je over struikelt of door een koekje in de koffie te dopen. De taal is zowel vijand als vriend. Niet alleen door de diversiteit aan onderwerpen (tuinen, auto’s, aids, atletiek, vriendschap, Salinger, Frisch lezen en broodschrijven, enz.) doet Brodkeys essaybundel aan Roland Barthes denken, aan wie hij in 'The Rustle of Language’ een hommage brengt. Ook door zijn aforistische stijl, zijn pleidooien tegen het absolutisme en voor het relativisme in de literatuur en door de autobiografische ondertoon ademt Sea Battles on Dry Land een sfeer van gretige nieuwsgierigheid naar leven en letteren, liefde en lust, eros en thanatos. ER STAAT EEN mooi essay vol verwondering in Sea Battles on Dry Land dat me deed denken aan het verhaal 'Car Buying’ in Brodkeys verhalenbundel The World is the Home of Love and Death: 'Cars and Life’. Brodkey verbaast zich daarin over de desinteresse die veel schrijvers voor auto’s aan de dag leggen. 'Ik herkende al autoneuzen voordat ik kon praten.’ Zijn esthetische aandacht voor het wel en wee van zijn eigen BMW 320i (de pornografie van het afwissfeinde belend rijritme, de duidelijke verslavende geluiden bij het optrekken of afremmen) en zijn begrip voor een man die een innige band met zijn auto onderhoudt, komen door de lectuur van 'Car Buying’ in een schril daglicht te staan. Het is alsof je door dat verhaal, eigenlijk door de hele bundel, in The Runaway Soul en zijn Stories in an Almost Classical Mode (1988) wordt teruggeparachuteerd, want het zijn steeds dezelfde personages die elkaar met taalgeweld, manipulatie, intimidatie, geestelijke en lichameljke agressiviteit naar het leven staan. Het zijn de jaren dertig, de dreigende tijd van de Grote Depressie. Stiefvader S.L. Silenowicz dwingt zijn zoon Wiley in een showroom een mooie auto uit te kiezen als cadeautje voor moeder Lila. In zijn wanhoop kiest de jongen een blauwe Buick. Maar bij thuiskomst blijkt de moeder de kleur blauw en de grootte van de auto af te keuren. Wiley, die door een eerdere mishandeling nog in het verband zit, raakt andermaal tussen wal en schip bekneld, dat wil zeggen tussen een bekvechtende vader, moeder en stiefzus Nonie. De wereld wordt weer ondraaglijk, de woorden vliegen als messen heen en weer. Om het verhaal 'Waking’ te citeren, waarin kleine zieke Wiley door zijn stiefmoeder in bad wordt gedaan: 'Ik kan niet spreken; het praten is veel te explosief voor me. Ik ben te gekwetst.’ Of het nu een gesprek betreft tussen stiefmoeder Lila en een vriendin, een vrijpartij tussen stiefvader S.L. en Lila, een gewelddadige ruzie tussen stiefzus Nonie en Wiley, of de laatste confrontatie tussen de naar contact snakkende stervende stiefvader en de afstandelijke levenslustige zoon (april 1944, acht uur ’s(ochtends), alle verhalen zijn reconstructies waarin een observerende 'ik’ luistervink en voyeur is, ook van het kind dat hijzelf was. Harold Brodkey is een auteur die al schrijvend het geheugen opnieuw uitvindt, een virtuoze dialogenschrijver, een niet-voorgeprogrammeerde psycholoog, een esthetische pornograaf die zijn lusten op de taal botviert. Zwijgen? Zelfs na zijn dood blijft hij aan het woord.